Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

4 april 2019 (*)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Affaire ‚Eurostat’ – Nationale strafprocedure – Buitenvervolgingstelling – Verzoek om bijstand – Klokkenluider – Vermoeden van onschuld – Beroep tot schadevergoeding en nietigverklaring”

In zaak T‑61/18,

Amador Rodriguez Prieto, voormalig ambtenaar bij de Europese Commissie, wonende te Steinsel (Luxemburg), vertegenwoordigd door S. Orlandi, T. Martin en R. García-Valdecasas y Fernández, advocaten,

verzoeker,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Mongin en R. Striani als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU strekkende tot, primair, vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker stelt te hebben geleden en, subsidiair, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 28 maart 2017 houdende afwijzing van een verzoek om bijstand van verzoeker,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, R. Barents en J. Passer (rapporteur), rechters,

griffier: R. Ramette, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 januari 2019,

het navolgende

Arrest

 Feiten

1        Verzoeker, Amador Rodriguez Prieto, was tussen 1987 en 2003 ambtenaar bij de Europese Commissie.

2        Op 1 maart 1998 werd verzoeker aangesteld als hoofd van de eenheid C1 binnen het directoraat C, Informatie en verspreiding; vervoer; technische samenwerking met derde landen; statistieken van de buitenlandse en intracommunautaire handel, van Eurostat (bureau voor statistiek van de Europese Unie).

3        Sinds 1996 zorgde Eurostat voor de verspreiding onder het publiek van statistische gegevens die het verzamelde met behulp van het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen (OPOCE), dat een netwerk van verkooppunten (hierna: „datashops”) had opgezet. De in 1996 tussen Eurostat, OPOCE en de datashops gesloten tripartiete overeenkomsten voorzagen in een ingewikkelde facturatieketen door middel waarvan Eurostat tot 55 % van de facturatieprijs van deze in de handel gebrachte gegevens kon ontvangen.

4        Verzoeker was door zijn directeur, B., belast met de goedkeuring van de kosten die voortvloeiden uit de – onder meer met de onderneming Planistat gesloten – tripartiete overeenkomsten.

5        Bij nota van 27 oktober 1998 heeft verzoeker gevraagd om binnen Eurostat een interne audit met betrekking tot het beheer van deze overeenkomsten uit te voeren. Hij heeft bovendien gevraagd om hem de bevoegdheid te ontnemen ordonnanceringen van uitgaven te ondertekenen, wat is gebeurd bij nota van 27 november 1998.

6        Volgens de in september 1999 afgeronde interne audit was er sprake van onregelmatigheden bij het financiële beheer van de met de ondernemingen Eurocost, Eurogramme, Datashop, Planistat en CESD Communautaire gesloten tripartiete overeenkomsten, waardoor het mogelijk zou zijn geweest een budget te financieren dat niet aan de begrotingsregels van de Commissie was onderworpen.

7        Op 3 januari 2000 werd het verslag van de interne audit toegezonden aan het directoraat-generaal belast met de financiële controle van de Commissie.

8        Op 17 maart 2000 heeft dat directoraat-generaal een klacht ingediend bij het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). OLAF is verschillende onderzoeken gestart, onder meer naar de door Eurostat met de ondernemingen Eurocost, Eurogramme, Datashop, Planistat en CESD Communautaire gesloten overeenkomsten, de aan deze ondernemingen verleende subsidies en het opgezette facturatiesysteem.

9        Op 19 maart 2003 heeft OLAF het dossier met betrekking tot de met Planistat gesloten overeenkomst doorgegeven aan de procureur de la République de Paris (procureur van de Franse Republiek, Parijs; hierna: „procureur Parijs”), die op 4 april 2003 een gerechtelijk vooronderzoek naar heling en medeplichtigheid aan misbruik van vertrouwen heeft ingeleid.

10      Op 11 juni 2003 heeft de Commissie haar dienst Interne Audit eveneens ter zake opdracht gegeven. Die heeft drie verslagen opgesteld, meer bepaald twee verslagen van 7 juli en 24 september 2003 en een eindverslag van 22 oktober 2003.

11      Op basis van een verslag van OLAF van 22 april 2003 heeft de Commissie haar juridische dienst gemachtigd om bij de procureur Parijs een klacht in te dienen tegen X ter zake van heling en medeplichtigheid aan misbruik van vertrouwen, wat is gebeurd op 10 juli 2003. Deze klacht had betrekking op gelden die mogelijkerwijs door ambtenaren of personeelsleden van de Europese Unie waren verduisterd, waardoor aan de financiële belangen van de Unie schade was berokkend. Het door de procureur Parijs ingeleid gerechtelijk vooronderzoek werd uitgebreid op grond van de aanvullende tenlastelegging van misbruik van vertrouwen van 4 augustus 2003.

12      Op 11 juni 2008 heeft verzoeker de Commissie ervan in kennis gesteld dat hij door de Franse politie was opgeroepen om in het kader van die strafprocedure als getuige te worden verhoord. Hij heeft het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: „TABG”) verzocht zijn zwijgplicht overeenkomstig artikel 19 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) op te heffen en zijn verplaatsingskosten van Luxemburg (Luxemburg) naar Parijs te vergoeden.

13      Op 30 juni 2008 heeft het TABG de zwijgplicht van verzoeker opgeheven maar zijn verzoek om vergoeding van de verplaatsingskosten afgewezen. De tegen dit besluit ingediende klacht van 21 juli 2008 werd op 20 november 2008 afgewezen.

14      Op 7 oktober 2008 werd verzoeker door de Franse politie verhoord.

15      Op 22 oktober 2008 heeft verzoeker een eerste op artikel 24 van het Statuut gebaseerd verzoek om bijstand ingediend (geregistreerd onder dossiernummer D/505/08). Hij voerde met name aan dat hij als klokkenluider had gehandeld door er in oktober 1998 om te vragen dat een interne audit zou worden uitgevoerd, en dat de betrokken instelling hem op grond van hun gemeenschappelijke belangen bijstand diende te verlenen. Volgens hem moest de Commissie de advocatenkosten die hij in het kader van zijn oproeping als getuige door de Franse politie had gemaakt, dan ook ten laste nemen.

16      Dat eerste verzoek om bijstand werd afgewezen op 17 december 2008. De Commissie gaf aan te hebben vernomen dat tijdens de hoorzitting van 7 oktober 2008 was beslist verzoeker strafrechtelijk te vervolgen. Zij was van mening dat niet was voldaan aan de twee toepassingsvoorwaarden van artikel 24 van het Statuut, te weten het bestaan van bedreigingen, grove beledigingen enz. tegen de persoon of de goederen van de ambtenaar en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen deze feiten en de hoedanigheid van ambtenaar of de door hem te vervullen taken. Het besluit van de Commissie werd niet ter discussie gesteld.

17      Op 9 september 2013 heeft de onderzoeksrechter bij de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) beslist om alle verdachten in de strafprocedure – waaronder verzoeker – buiten vervolging te stellen (hierna: „beschikking van buitenvervolgingstelling”).

18      Op 17 september 2013 heeft de Commissie tegen deze beschikking van buitenvervolgingstelling hoger beroep ingesteld.

19      Bij arrest van 23 juni 2014 heeft de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) de beschikking van buitenvervolgingstelling bevestigd.

20      Op 27 juni 2014 heeft de Commissie cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van de cour d’appel de Paris van 23 juni 2014 houdende bevestiging van de beschikking van buitenvervolgingstelling.

21      Bij arrest van 15 juni 2016 heeft de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) het cassatieberoep verworpen dat de Commissie had ingesteld tegen het arrest van de cour d’appel de Paris van 23 juni 2014 houdende bevestiging van de beschikking van buitenvervolgingstelling, waardoor een einde werd gemaakt aan de strafprocedure.

22      Op 28 november 2016 heeft verzoeker, met name onder verwijzing naar het arrest van 9 september 2016, De Esteban Alonso/Commissie (T‑557/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:456, punt 59), en het arrest van de Cour de cassation van 15 juni 2016, bij de Commissie een tweede verzoek om bijstand op grond van artikel 24 van het Statuut ingediend, om te verkrijgen dat de Commissie de advocatenkosten en -honoraria ten laste zou nemen die hij in het kader van zijn verdediging voor de Franse rechterlijke instanties had gemaakt. Teneinde zijn beroepsreputatie te herstellen, heeft hij eveneens gevraagd om door middel van een in zijn persoonsdossier opgenomen nota als klokkenluider te worden erkend. Subsidiair heeft hij verzocht om vergoeding van de schade die het gevolg was van de dienstfout die de instelling zou hebben gemaakt door zijn status als klokkenluider te miskennen en te weigeren hem te beschermen.

23      Bij besluit van 28 maart 2017 (hierna: „bestreden besluit”) heeft het TABG het tweede verzoek om bijstand niet-ontvankelijk verklaard, voornamelijk omdat verzoeker sinds het besluit van 17 december 2008 houdende afwijzing van het eerste verzoek om bijstand geen enkel nieuw feit had aangedragen. Het was overigens van mening dat het tweede verzoek om bijstand tevens ongegrond was, net als het verzoek tot schadevergoeding.

24      Bij brief CMS 16/056 van de Commissie van 10 april 2017 werd verzoeker in kennis gesteld van het feit dat er – in de bewoordingen van de Commissie – sprake was van een tuchtrechtelijk „dossier” dat in het kader van de affaire „Eurostat” tegen hem was geopend en dat dit dossier was afgerond.

25      Op 28 juni 2017 heeft verzoeker een voorafgaande administratieve klacht tegen het bestreden besluit ingediend.

26      Op 30 oktober 2017 werd deze klacht afgewezen.

 Procedure en conclusies van partijen

27      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 februari 2018, heeft verzoeker onderhavig beroep ingesteld.

28      Bij schrijven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 juni 2018, heeft verzoeker te kennen gegeven geen repliek in te dienen.

29      Verzoeker verzoekt het Gerecht in wezen:

–        primair, de Commissie te veroordelen om hem 68 831 EUR ter vergoeding van materiële schade en 100 000 EUR ter vergoeding van immateriële schade te betalen;

–        subsidiair, het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

30      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond te verklaren;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

 In rechte

31      Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker ten eerste aan dat zijn krachtens artikel 24 van het Statuut ingediend verzoek om bijstand ontvankelijk was en dat het beroep tot nietigverklaring dat hij tegen de afwijzing van dit verzoek heeft ingesteld, dus eveneens ontvankelijk is. Ten tweede brengt hij primair de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in het geding op grond dat de Commissie zijn status als klokkenluider zou hebben miskend en verzoekt hij subsidiair het bestreden besluit nietig te verklaren.

 Ontvankelijkheid van het verzoek om bijstand en van het beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit

32      In zijn verzoekschrift stelt verzoeker het door de Commissie in het bestreden besluit ingenomen standpunt ter discussie dat het tweede verzoek om bijstand niet-ontvankelijk was.

33      Ofschoon het volgens verzoeker klopt dat het TABG een ambtenaar die ervan wordt verdacht zijn beroepsverplichtingen niet te zijn nagekomen, geen bijstand hoeft te verlenen, vormde de burgerlijkepartijstelling van de Commissie geen definitief beletsel om hem nadien bijstand te verlenen. In dit geval beschikte het TABG over elementen waaruit bleek dat hij als klokkenluider had gehandeld.

34      Verzoeker stelt dat het feit dat de door hem geleden schade het gevolg is van het optreden van de Franse autoriteiten geen afbreuk doet aan de toepassing van artikel 24 van het Statuut. Hij verklaart zich op zijn hoedanigheid van klokkenluider te hebben beroepen om de onrechtmatigheid van de instelling van de strafvervolging en van de voortzetting van de strafprocedure tegen hem te onderstrepen.

35      Verzoeker voert ten slotte aan dat hij steeds heeft ontkend willens en wetens te hebben deelgenomen aan een beheerssysteem dat in strijd is met de begrotingsregels, wat blijkt uit zijn verzoek om hem de bevoegdheid te ontnemen ordonnanceringen van uitgaven te ondertekenen. Volgens hem had het TABG in het licht van deze omstandigheden moeten bedenken dat het belang dat het nastreefde, niet aan het zijne was tegengesteld en dat zijn geval, met name wat de tenlasteneming van de kosten van zijn verdediging voor de Franse rechterlijke instanties betreft, moest worden onderscheiden van dat van de andere betrokken ambtenaren.

36      De Commissie voert in wezen aan dat het verzoek om het bestreden besluit nietig te verklaren niet-ontvankelijk is op grond dat het tweede verzoek om bijstand zelf niet-ontvankelijk was omdat verzoeker ten eerste een vorig verzoek om bijstand louter had herhaald zonder van nieuwe feiten gewag te maken en omdat hij ten tweede dit nieuwe verzoek om bijstand had geformuleerd zonder de nationale beroepsprocedures te hebben uitgeput.

37      Wat ten eerste het argument van de Commissie betreft dat het tweede verzoek om bijstand niet-ontvankelijk was omdat verzoeker geen nieuwe feiten had aangedragen, moet worden geconstateerd dat dit verzoek om bijstand (zie punt 22 supra) een nieuw feit bevat in vergelijking met het eerste verzoek om bijstand (zie punt 15 supra), dat was ingediend kort nadat de onderzoeksrechter bij de tribunal de grande instance de Paris strafvervolging tegen verzoeker had ingesteld.

38      Dat nieuwe feit heeft te maken met de op 9 december 2013 door de onderzoeksrechter gegeven beschikking van buitenvervolgingstelling, die in het kader van de door de Commissie ingestelde beroepen tweemaal is bevestigd – in laatste instantie definitief door de Cour de cassation, op 15 juni 2016.

39      De beschikking van buitenvervolgingstelling, vervolgens de bevestiging ervan in hoger beroep en de afwijzing van het cassatieberoep, waardoor de mening werd weersproken die de Commissie in haar in hoger beroep en cassatieberoep ingediende memories tot uitdrukking had gebracht – namelijk dat verzoeker een strafbaar feit had gepleegd – maken allemaal samen een nieuw feit uit.

40      De Franse onderzoeksrechter heeft in de beschikking van buitenvervolgingstelling aangegeven „dat het mechanisme dat uit de uitvoering van de onder auspiciën van Eurostat gesloten [tripartiete overeenkomsten] voortvloeit, in strijd [was] met artikel 4, lid 1, van het Financieel Reglement” van 21 december 1977 van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen (PB 1977, L 356, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”), en de cour d’appel de Paris heeft in zijn arrest van 23 juni 2014 geoordeeld „dat de voorschriften met betrekking tot nieuwe aanwendingen zoals bepaald in het Financieel Reglement [waren] geschonden”.

41      Deze constateringen waren evenwel op een onpersoonlijke wijze gedaan zonder dat verzoeker op de een of andere wijze werd genoemd.

42      Voorts heeft de Franse strafrechter tezelfdertijd geconstateerd dat er geen sprake was van bedrieglijk opzet of van financiële malversaties en heeft hij verklaard, ten eerste, dat het systeem van datashops weliswaar in strijd was met het Financieel Reglement, maar volgens de Rekenkamer van de Europese Unie „noodzakelijk was wegens de ontoereikendheid van dat Reglement” en „simpelweg neerkwam op de overname van een systeem dat reeds op wettige wijze door OPOCE werd gehanteerd”, ten tweede, dat „op grond van de bestaande communautaire procedures niet kon worden verzekerd dat de door Eurostat geproduceerde gegevens binnen een soepel en functioneel kader in de handel konden worden gebracht, en [dat, bij gebreke] van een aangepaste procedure, het noodzakelijk [was] om oplossingen te vinden waardoor Eurostat zijn missie kon volbrengen” en, ten derde, dat „de financiële controle, die oorspronkelijk bij het opzetten van het netwerk van datashops was betrokken en niet positief stond tegenover de oprichting van dat netwerk met het systeem van tripartiete overeenkomsten, zich in werkelijkheid niet om de wijze van functioneren ervan [had] bekommerd, waardoor de verantwoordelijken van Eurostat [waren] gedwongen en de mogelijkheid hadden om ‚naar beste vermogen’ te handelen [en] wel in een context waarin de strategie van de Commissie erin bestond het aanbod van statistieken wegens een zeer grote vraag ter zake te verhogen” (beschikking van buitenvervolgingstelling; arrest van de cour d’appel de Paris van 23 juni 2014).

43      Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat verzoeker zich onder verwijzing naar de Franse strafrechtelijke beslissingen naar behoren op een nieuw feit beriep.

44      Wat ten tweede het argument betreft dat het tweede verzoek om bijstand niet-ontvankelijk was omdat verzoeker de nationale beroepsprocedures niet had uitgeput, moet worden opgemerkt dat dit argument berust op het uitgangspunt dat artikel 24 van het Statuut inzake bijstand in casu van toepassing is en dat voor de objectieve aansprakelijkheid van de administratie in de zin van deze bepaling van het Statuut dan ook vereist is dat de nationale beroepsprocedures tegen de derde die de schade heeft veroorzaakt, worden uitgeput.

45      Zoals hierna in de punten 46 tot en met 59 zal worden uiteengezet, is dat uitgangspunt evenwel verkeerd.

46      Artikel 24 van het Statuut bepaalt het volgende:

„De Unie verleent bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaan.

Voor zover de schade die de ambtenaar door deze feiten heeft geleden, niet uit diens opzet of grove nalatigheid is voortgevloeid en hij geen vergoeding heeft kunnen verkrijgen van degenen die de schade hebben veroorzaakt, wordt zij door de Unie gezamenlijk vergoed.”

47      Volgens de rechtspraak beoogt artikel 24 van het Statuut de ambtenaren en personeelsleden zekerheid te bieden voor het heden en de toekomst, teneinde hen in staat te stellen, in het algemeen belang van de dienst, hun taken beter te vervullen (arresten van 12 juni 1986, Sommerlatte/Commissie, 229/84, EU:C:1986:241, punt 19; 27 juni 2000, K/Commissie, T‑67/99, EU:T:2000:169, punt 35, en 20 juli 2011, Gozi/Commissie, F‑116/10, EU:F:2011:124, punt 12). De bijstandsplicht van een instelling is dus gericht op de bescherming van zowel haar personeel als haar eigen belangen en berust bijgevolg op de aanname van gemeenschappelijke belangen. Aldus is geoordeeld dat de administratie er niet toe is gehouden bijstand te verlenen aan een ambtenaar die ervan wordt verdacht ernstig in zijn beroepsverplichtingen te zijn tekortgeschoten en om die reden tuchtrechtelijk kan worden vervolgd (arrest van 23 november 2010, Wenig/Commissie, F‑75/09, EU:F:2010:150, punt 49).

48      Nog meer specifiek ziet de bijstandsplicht van artikel 24 van het Statuut volgens vaste rechtspraak op de verdediging van ambtenaren door hun instelling tegen handelingen van derden, en niet tegen handelingen van de instelling zelf, waarop het toezicht in andere bepalingen van het Statuut wordt geregeld (arresten van 9 september 2016, De Esteban Alonso/Commissie, T‑557/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:456, punt 45, en 13 juli 2018, Curto/Parlement, T‑275/17, EU:T:2018:479, punt 111; zie ook in die zin arrest van 12 juli 2011, Commissie/Q, T‑80/09 P, EU:T:2011:347, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      In casu hebben de Franse gerechtelijke autoriteiten op 7 oktober 2008 strafvervolging tegen verzoeker ingesteld. Die strafvervolging lag in het verlengde van het vooronderzoek dat deze gerechtelijke autoriteiten op 4 april 2003 hadden ingeleid op basis van informatie die OLAF hun op 19 maart 2003 had bezorgd, en vond plaats naar aanleiding van een klacht die de Commissie op 10 juli 2003 tegen X had ingediend.

50      Na de beschikking van buitenvervolgingstelling, die ten gunste van alle verdachten, met inbegrip van verzoeker, was gegeven, werd de Franse strafprocedure voortgezet omdat de Commissie tegen deze beschikking in hoger beroep was gegaan – dat bij arrest van de cour d’appel de Paris van 23 juni 2014 houdende bevestiging van deze beschikking werd verworpen – en tegen dit arrest cassatieberoep had ingesteld – dat bij arrest van de Cour de cassation van 15 juni 2016 werd verworpen.

51      Zoals het Gerecht reeds met betrekking tot De Esteban Alonso heeft vastgesteld in de aan het arrest van 9 september 2016, De Esteban Alonso/Commissie (T‑557/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:456, punt 49), ten grondslag liggende zaak, zijn de door de Franse gerechtelijke autoriteiten verrichte handelingen, met name de instelling van de strafvervolging tegen verzoeker, geen handelingen als bedoeld in artikel 24 van het Statuut. Niet alleen maken deze handelingen deel uit van het normale verloop van de betrokken strafprocedure, maar tevens heeft verzoeker op geen enkel moment op een ernstige wijze aangevoerd dat die handelingen door de Franse gerechtelijke autoriteiten jegens hem gepleegde vergrijpen vormden en daardoor bijstand van de Commissie als bedoeld in artikel 24 van het Statuut hadden kunnen rechtvaardigen.

52      Zoals uit de rechtspraak in wezen voortvloeit, vormt de in artikel 24, eerste alinea, van het Statuut bedoelde bijstandsplicht weliswaar een essentiële statutaire waarborg voor de ambtenaar en is die plicht niet aan de voorwaarde onderworpen dat de onrechtmatigheid van de handelingen op grond waarvan de ambtenaar om bijstand heeft verzocht, voorafgaandelijk wordt vastgesteld, maar moet de ambtenaar toch elementen aandragen die op het eerste gezicht erop wijzen dat deze handelingen tegen hem zijn gericht uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie en in het licht van het toepasselijke nationale recht onrechtmatig zijn (arrest van 23 november 2010, Wenig/Commissie, F‑75/09, EU:F:2010:150, punt 48).

53      Dat is in casu niet het geval aangezien verzoeker niet op een ernstige wijze aanvoert dat de Franse gerechtelijke autoriteiten jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld en geen enkel element in die zin aandraagt.

54      Voorts dient te worden geconstateerd dat verzoeker in werkelijkheid niet om bijstand van de Commissie verzoekt tegen handelingen van derden maar tegen handelingen van deze instelling zelf, welke handelingen aan de tegen hem gestarte strafprocedure ten grondslag liggen en bovenal op grond waarvan de strafprocedure is voortgezet tot de Cour de cassation op 15 juni 2016 arrest heeft gewezen.

55      Het zijn weliswaar de Franse gerechtelijke autoriteiten die de strafvervolging tegen verzoeker hebben ingesteld, doch het is de Commissie die, via de informatie die zij hun heeft bezorgd en de indiening van een klacht, de aanzet tot de strafprocedure heeft gegeven. Bovendien en vooral is het de Commissie die de oorzaak is dat deze strafprocedure na de beschikking van buitenvervolgingstelling is voortgezet.

56      In zijn verzoekschrift stelt verzoeker zich aldus op het standpunt dat „ofschoon het voor de Commissie noodzakelijk kon lijken om zich burgerlijke partij te stellen teneinde de bescherming van de financiële belangen van de Unie te verzekeren, er geen enkele reden was om de strafprocedure tegen [hem] voort te zetten [...] aangezien de Commissie wist dat hem niet kon worden verweten willens en wetens aan het door zijn directe chefs opgezette onregelmatige systeem voor het beheer van de datashops te hebben deelgenomen”.

57      Uit de voorgaande vaststellingen vloeit voort dat artikel 24 van het Statuut volgens de in punt 48 hierboven aangehaalde rechtspraak in casu niet van toepassing is, aangezien verzoeker niet om bijstand in de zin van dat artikel heeft verzocht voor de handelingen van de Franse gerechtelijke autoriteiten (handelingen waarvan de rechtmatigheid bovendien niet op een ernstige wijze ter discussie wordt gesteld – zie de punten 51‑53 supra), maar voor die van de Commissie zelf.

58      Het argument dat de Commissie aanvoert tot staving van de niet-ontvankelijkheid van het tweede verzoek om bijstand, namelijk dat verzoeker de nationale beroepsprocedures niet heeft uitgeput, kan bijgevolg niet worden aanvaard.

59      Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de argumenten van de Commissie tot staving van de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, die op het ontbreken van nieuwe feiten en de niet-naleving van een voorwaarde voor toepassing van artikel 24 van het Statuut zijn gebaseerd, moeten worden afgewezen.

 Ten gronde

60      Subsidiair ten opzichte van zijn verzoek om bijstand, en voor het geval dat dit verzoek zou worden afgewezen, heeft verzoeker in zijn verzoek en in zijn voorafgaande administratieve klacht aangevoerd dat de Commissie een fout had gemaakt door te miskennen dat hij als klokkenluider had gehandeld. Verzoeker heeft daarbij gewezen op artikel 22 bis van het Statuut. Volgens hem heeft de Commissie ten laatste op het moment van de opstelling van het eindverslag van haar dienst Interne Audit in 2003 vernomen welke rol hij bij de onthulling van de feiten had gespeeld. Hij heeft opgemerkt dat hij, indien tegen hem een tuchtprocedure was gevoerd, aanspraak had kunnen maken op de toepassing van artikel 21 van bijlage IX bij het Statuut, betreffende de tenlasteneming door de instelling van de kosten van verdediging die de na afloop van de tuchtprocedure niet-gesanctioneerde ambtenaar heeft gemaakt.

61      Verzoeker heeft ontkend doelbewust aan het problematische beheerssysteem te hebben deelgenomen. Hij stelt dat hij zijn twijfels over dat systeem snel kenbaar heeft gemaakt en dat hij niet wist dat de financiële controle niet bij de uitvoering van het netwerk van datashops was betrokken. Hij betoogt te hebben aangedrongen op een interne audit en te hebben verzocht om zijn tekenbevoegdheid in te trekken. Naar eigen zeggen is hij in deze affaire in de val gelokt, en heeft hij pas op 10 april 2017 het bestaan van een tuchtprocedure tegen hem vernomen.

62      Verzoeker heeft zich dus op het standpunt gesteld dat de Commissie haar plicht om klokkenluiders te beschermen, niet was nagekomen en dit verzuim nog erger had gemaakt door de burgerlijkepartijstelling, het hoger beroep tegen de beschikking van buitenvervolgingstelling en uiteindelijk het cassatieberoep tegen het arrest van de cour d’appel de Paris van 23 juni 2014 houdende bevestiging van deze beschikking, waardoor hij telkens weer onterecht ervan werd beschuldigd willens en wetens te hebben deelgenomen aan een systeem dat met het Financieel Reglement in strijd was.

63      Verzoeker was aldus van mening dat zijn schade ten eerste bestond uit materiële schade in de vorm van de in het kader van de Franse strafprocedure gemaakte kosten van verdediging, ten bedrage van 68 331 EUR, en ten tweede uit immateriële schade, te weten het gevoel van onrecht dat hem was aangedaan doordat hij aan een strafprocedure was onderworpen voor feiten die hij had helpen onthullen, ten bedrage van 90 000 EUR. Voorts heeft hij de Commissie verzocht om een nota ter erkenning van zijn status als klokkenluider in de Eurostat-affaire aan zijn persoonsdossier toe te voegen teneinde zijn beroepsreputatie te herstellen.

64      In zijn verzoekschrift blijft verzoeker in wezen bij zijn standpunt. De miskenning van zijn hoedanigheid van klokkenluider vormt volgens hem een inbreuk op artikel 22 bis van het Statuut en op de zorgplicht. Hij stelt dat het feit dat deze bepaling pas in 2004 aan het Statuut is toegevoegd, de Commissie niet verhinderde om in 2016 de rol van klokkenluider te erkennen die hij destijds overeenkomstig de hem bij de artikelen 11 en 12 van het Statuut opgelegde verplichtingen had gespeeld. Volgens hem had de Commissie uit hoofde van de zorgplicht en het beginsel van gelijke behandeling een onderscheid moeten maken tussen zijn geval en dat van de andere bij de Eurostat-affaire betrokken personen.

65      Verzoeker merkt op dat de Commissie, die ten laatste op 22 oktober 2003 in kennis was gesteld van de rol die hij had gespeeld, echter heeft nagelaten deze rol aan de Franse gerechtelijke autoriteiten mee te delen en de tegen hem ingestelde strafprocedure ten onrechte heeft verlengd, aangezien zij niet onkundig kon zijn van het feit hij niet willens en wetens aan het systeem van datashops had deelgenomen. Volgens hem heeft de Commissie een dienstfout gemaakt doordat zij hem niet heeft beschermd tegen alle nadelige gevolgen die hij heeft ondervonden wegens het loutere feit dat hij op het moment dat de Eurostat-affaire aan het licht is gekomen hoofd van een administratieve eenheid was. Wat de door de Commissie tegen hem gestarte tuchtprocedure betreft, zet hij ten slotte uiteen dat de redenen die de Commissie geeft om de procedure te beëindigen, zijn beroepsreputatie niet herstellen, maar twijfel laten bestaan over de wijze waarop hij zijn taken heeft volbracht.

66      Wat artikel 24 van het Statuut betreft, stelt verzoeker dat de Commissie ten onrechte – en ook na het arrest van de Cour de cassation van 15 juni 2016 nog – beweert een belang na te streven dat tegengesteld is aan het zijne, waardoor elke bijstand onmogelijk zou zijn.

67      De Commissie betwist het standpunt van verzoeker. Artikel 22 bis is pas op 1 mei 2004 in het Statuut opgenomen. Verzoeker kan de Commissie niet verwijten dat zij hem een status heeft geweigerd waarvan op het moment van de nota waarbij hij om een audit verzocht, geen sprake was. Wat de vermeende inbreuk op de zorgplicht betreft, deze plicht kan volgens vaste rechtspraak niet worden ingeroepen om voordelen te verkrijgen die het Statuut niet biedt. Wat het argument betreft dat de nadelige gevolgen door de uitoefening van de beroepsmogelijkheden zijn verergerd, meent de Commissie dat zij gewoon een recht heeft uitgeoefend. Wat de fout betreft die beweerdelijk is gemaakt door een tuchtprocedure te starten, staat het vast dat de tuchtprocedure niet tot enige actie tegen verzoeker heeft geleid, wat verklaart waarom hij er niet van in kennis is gesteld. De opening van een louter formele tuchtprocedure die nooit openbaar is gemaakt en niet tot wat voor onderzoeksdaad dan ook heeft geleid, kan geen nadelige gevolgen voor verzoeker hebben teweeggebracht.

68      Wat de aangevoerde inbreuk op artikel 24 van het Statuut betreft, brengt de Commissie haar standpunt in herinnering dat het tweede verzoek om bijstand als bedoeld in deze bepaling niet ontvankelijk is en stelt zij dat dit verzoek in elk geval ongegrond is omdat het betrekking heeft op de vergoeding van kosten die verzoeker heeft moeten maken om zijn onschuld te bewijzen in een situatie waarin de belangen van de Commissie en de zijne steeds tegengesteld zijn gebleven, en niet op de vergoeding van kosten die hij heeft gedragen ter verdediging tegen vergrijpen van derden of door derden begane onrechtmatigheden.

 Schadevordering

69      Artikel 22 bis van het Statuut bepaalt:

„1.      De ambtenaar die tijdens de uitoefening van zijn functie of in verband daarmee kennis krijgt van feiten die het bestaan doen vermoeden van mogelijke onwettige activiteiten, inclusief fraude of corruptie, waardoor de belangen van de Unie worden geschaad, dan wel van gedragingen bij de uitvoering van de werkzaamheden die een aanwijzing vormen voor ernstig plichtsverzuim door ambtenaren van de Unie, meldt dit onverwijld aan zijn directe chef of aan zijn directeur-generaal, of, als hij dat nuttig acht, aan de secretaris-generaal of een persoon in een vergelijkbare functie, of rechtstreeks aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

[...]

3.      De ambtenaar mag van de kant van de instelling geen nadelige gevolgen ondervinden van het feit dat hij gegevens als bedoeld in de leden 1 en 2 heeft meegedeeld, op voorwaarde dat hij redelijk en te goeder trouw heeft gehandeld.”

70      Artikel 22 van het Statuut, dat ten laste van alle ambtenaren een verplichting heeft ingevoerd te informeren over feiten die een onrechtmatige activiteit of een ernstige niet-nakoming van op de ambtenaren van de Unie rustende verplichtingen kunnen doen vermoeden (zie in die zin arrest van 8 oktober 2014, Bermejo Garde/EESC, T‑530/12 P, EU:T:2014:860, punten 103‑106), is op 1 mei 2004 in werking getreden.

71      Overigens moet worden opgemerkt dat elke ambtenaar die reeds vóór 1 mei 2004 initiatief zou hebben genomen om zijn directe chefs op de hoogte te brengen van onrechtmatigheden of de niet-nakoming van statutaire verplichtingen waarvan hij kennis zou hebben en die afbreuk zouden kunnen doen aan de financiële belangen van de Unie, reeds het recht zou hebben gehad had om door de instelling waarvoor hij werkzaam was, tegen elke mogelijke vergeldingsactie als gevolg van deze bekendmaking te worden beschermd en geen nadelige gevolgen van de kant van deze instelling te ondervinden op voorwaarde dat hij redelijk en te goeder trouw had gehandeld.

72      Daaraan dient evenwel te worden toegevoegd dat die aan de ambtenaar verschuldigde bescherming hem weliswaar behoedt voor nadelige acties van de kant van de instelling, maar niet is bedoeld om hem te beschermen tegen onderzoeken die worden uitgevoerd teneinde vast te stellen of en in hoeverre hij zelf betrokken is geweest bij de onregelmatigheden die hij aan het licht brengt. Wanneer een ambtenaar het initiatief heeft genomen om dergelijke onregelmatigheden aan de kaak te stellen, kan dat, ingeval deze onderzoeken zijn betrokkenheid daarbij bevestigen, hoogstens een verzachtende omstandigheid vormen in het kader van eventuele sanctieprocedures die de instelling naar aanleiding van deze onderzoeken inleidt, zoals overigens is uiteengezet in mededeling SEC(2012) 679 final van vicevoorzitter Šefčovič aan de Commissie van 6 december 2012 houdende richtsnoeren met betrekking tot het verstrekken van informatie in geval van ernstige onregelmatigheden (whistleblowing, punt 3, in fine).

73      Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de hoedanigheid van klokkenluider waarop verzoeker aanspraak maakt, in elk geval niet van dien aard was dat zij hem tegen procedures tot vaststelling van zijn mogelijke betrokkenheid bij de gehekelde feiten kon beschermen.

74      De vraag die in casu rijst, is dus niet zozeer of verzoeker al dan niet op de hoedanigheid van klokkenluider aanspraak kon maken, maar wel of, in het licht van de specifieke feiten van dit geval, de Commissie onrechtmatigheden heeft begaan doordat zij de voortzetting van de strafprocedure na de beschikking van buitenvervolgingstelling in de hand heeft gewerkt.

75      Wat betreft het feit dat de strafprocedure is voortgezet doordat tegen de beschikking van buitenvervolgingstelling hoger beroep is ingesteld, en vervolgens tegen het arrest van de cour d’appel de Paris van 23 juni 2014 houdende bevestiging van deze beschikking cassatieberoep, dient eraan te worden herinnerd dat de mogelijkheid om zijn rechten voor de rechter te doen gelden en de rechterlijke controle die zulks meebrengt, de uitdrukking zijn van een algemeen rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan het constitutionele erfgoed dat alle lidstaten gemeen hebben. Dit beginsel is eveneens neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) (arresten van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, EU:C:1986:206, punten 17 en 18, en 17 juli 1998, ITT Promedia/Commissie, T‑111/96, EU:T:1998:183, punt 60), en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Aangezien de toegang tot de rechter een fundamenteel recht is en een algemeen beginsel dat de naleving van het recht garandeert, kan het aanspannen van een rechtsgeding door een instelling slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen als een dienstfout worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 28 september 1999, Frederiksen/Parlement, T‑48/97, EU:T:1999:175, punt 97).

76      In casu dient te worden vastgesteld – ongeacht de bewoordingen van de beschikking van buitenvervolgingstelling en het arrest van de cour d’appel de Paris van 23 juni 2014 houdende bevestiging van deze beschikking, waarin de Franse strafrechter in wezen heeft geoordeeld dat de vastgestelde onregelmatigheden eerder toe te schrijven waren aan de ontoereikendheid van het door de Unie ingevoerde regelgevend kader dan aan de verdachte ambtenaren, die in deze ontoereikende regelgevende context alleen maar in het belang van Eurostat oplossingen hadden gezocht – dat de omstandigheden van het geval niet dusdanig uitzonderlijk lijken te zijn dat het tegen die beschikking ingestelde hoger beroep en het tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep dienstfouten van de Commissie uitmaken. Hieruit volgt dat de vordering van verzoeker tot vergoeding van de immateriële en materiële schade die het gevolg is van het feit dat hij tussen 2003 en 2016 aan een strafprocedure is onderworpen, ongegrond is.

 Vordering tot nietigverklaring

77      Wat de weigering van de Commissie betreft om, nadat verzoeker bij arrest van de Cour de cassation van 15 juni 2016 strafrechtelijk was vrijgesproken, de kosten van verdediging ten laste te nemen die hij in het kader van de nationale strafprocedure had gemaakt, moet erop worden gewezen dat de redenen van deze weigering, zoals zij door de Commissie in haar afwijzing van het verzoek en vervolgens in de afwijzing van de voorafgaande administratieve klacht zijn verwoord, weliswaar geen duidelijk antwoord bieden op bepaalde verzuchtingen die verzoeker in de administratieve procedure heeft geformuleerd, maar het niettemin mogelijk maken een beeld te krijgen van de werkelijke reden waarom de Commissie het tweede verzoek om bijstand heeft afgewezen.

78      Wat zijn verzuchtingen betreft, blijkt verzoeker met zijn verwijzingen naar de artikelen 22 bis en 24 van het Statuut – waarvan met betrekking tot het tweede is vastgesteld dat het in casu niet van toepassing was (zie punt 57 supra) en met betrekking tot het eerste dat het ongeschikt was om verzoeker tegen eventuele straf- of tuchtprocedures te beschermen (zie punt 73 supra) – in wezen uiting te hebben gegeven aan het feit dat hem in de Eurostat-affaire geen schuld trof.

79      Sinds het begin van de administratieve procedure heeft verzoeker aldus aangevoerd dat het systeem van datashops hem op een overtuigende wijze was gepresenteerd als een regelmatig en deugdelijk systeem, dat hij te goeder trouw was geweest, dat hij nooit willens en wetens aan het litigieuze mechanisme had deelgenomen, dat hij de onregelmatigheden snel had gerapporteerd en, ten slotte, dat hij in de val was gelokt. Het is op grond van deze overtuiging, die werd versterkt door de gunstige Franse strafrechtelijke beslissingen, dat hij de Commissie had verzocht om de door hem in het kader van de nationale strafprocedure gemaakte kosten van verdediging ten laste te nemen en de immateriële schade – te weten het gevoel van onrecht dat hem was aangedaan doordat de Commissie hem niet had beschermd ondanks dat hij in de Eurostat-affaire als klokkenluider had gehandeld – te vergoeden. Eveneens om deze reden had hij gevraagd om een nota aan zijn dossier toe te voegen waarin zijn rol van klokkenluider werd erkend, teneinde zijn beroepsreputatie te herstellen.

80      Nadat hij in het kader van de strafprocedure buiten vervolging was gesteld, heeft verzoeker in het tweede verzoek om bijstand en vervolgens in zijn voorafgaande administratieve klacht bovendien benadrukt dat indien een tuchtprocedure tot een dergelijke uitkomst had geleid, zijn kosten van verdediging overeenkomstig artikel 21 van bijlage XI bij het Statuut ten laste zouden zijn genomen.

81      De Commissie heeft bij haar afwijzing van het verzoek en vervolgens bij de afwijzing van de voorafgaande administratieve klacht niet duidelijk op die verzuchtingen van verzoeker geantwoord. Zij heeft verzoekers verklaringen met betrekking tot de artikelen 22 bis en 24 van het Statuut op technische gronden weerlegd.

82      Uit bepaalde uitlatingen van de Commissie blijkt echter dat haar weigering, in de administratieve procedure, om verzoekers kosten ten laste te nemen, er uiteindelijk niet zozeer mee had te maken dat die bepalingen van het Statuut technisch niet toepasbaar waren, maar wel dat zij meer fundamenteel van mening was dat verzoeker zijn statutaire verplichtingen niet was nagekomen.

83      Zo heeft de Commissie twee keer – in de afwijzing van het verzoek en vervolgens in die van de voorafgaande administratieve klacht – in vette letters benadrukt dat de Cour de cassation in zijn arrest van 15 juni 2016 de „schending van de Europese begrotingsregels” had bevestigd en erop had gewezen dat er „onvoldoende” belastende feiten waren om de verdachten naar de bodemrechter te verwijzen.

84      Bij de afwijzing van de voorafgaande administratieve klacht heeft de Commissie het standpunt ingenomen dat „[zij] in de loop van de strafprocedure een belang had nagestreefd dat tegengesteld was aan dat van [verzoeker], waardoor artikel 24 van het Statuut, ook al was een arrest [houdende bevestiging van de beschikking van buitenvervolgingstelling] gewezen, niet de grondslag kon vormen voor een verzoek om bijstand met oog op vergoeding van de ten gevolge of ter gelegenheid van die procedure geleden schade”.

85      Vastgesteld moet worden dat hoewel het klopt en het overigens voor de hand ligt dat het belang van de Commissie in de loop van de strafprocedure tegengesteld was aan dat van verzoeker, dit belangenconflict na het arrest van de Cour de cassation houdende bevestiging van de beschikking van buitenvervolgingstelling logischerwijs slechts kon blijven bestaan voor zover de Commissie bij haar standpunt bleef dat verzoeker ondanks zijn strafrechtelijke buitenvervolgingstelling zijn statutaire verplichtingen niet was nagekomen.

86      Dat de Commissie dit voor verzoeker belastende standpunt ook na het arrest van de Cour de cassation van 15 juni 2016 heeft gehandhaafd, wordt in het verweerschrift overigens bevestigd.

87      Zo voert de Commissie in het verweerschrift aan dat „de omstandigheden waarin de beschikking van buitenvervolgingstelling is gegeven (deze beschikking laat de mogelijkheid van financiële manipulatie open) en de beëindiging van de tuchtprocedure op grond van opportuniteitsoverwegingen het belangenconflict tussen partijen niet hebben doen verdwijnen en rechtvaardigen dat [zij] niet is teruggekomen op haar besluit om geen bijstand te verlenen”.

88      Het besluit van de Commissie om de door verzoeker in het kader van de nationale procedure gemaakte kosten van verdediging niet ten laste te nemen, blijkt uiteindelijk dus niet zozeer te zijn ingegeven door het feit dat artikel 24 van het Statuut technisch niet toepasbaar was – de Commissie oppert overigens dat deze niet-toepasbaarheid geen onoverkomelijke hinderpaal voor de tenlasteneming van de kosten zou hebben gevormd – maar eruit te volgen dat een „belangenconflict” was blijven bestaan, met andere woorden dat de Commissie bij haar standpunt was gebleven dat verzoeker zijn statutaire verplichtingen niet was nagekomen.

89      Omdat verzoeker in het kader van de nationale strafprocedure niet meer werd vervolgd – in welk verband de Franse rechter hem overigens nooit persoonlijk als dader van een inbreuk op de financiële regels had genoemd – en omdat op het moment dat het bestreden besluit is vastgesteld bovendien jegens hem nog geen tuchtrechtelijke beslissing houdende vaststelling van de niet-nakoming van statutaire verplichtingen was gegeven, was hij echter niet alleen in het kader van de strafprocedure in Frankrijk buiten vervolging gesteld, maar genoot hij noodzakelijkerwijs ook nog het vermoeden van onschuld wat de nakoming van zijn statutaire verplichtingen betreft.

90      Het klopt dat verzoeker niet uitdrukkelijk aanvoert dat het vermoeden van onschuld is geschonden. Dat komt doordat hij, overtuigd van zijn onschuld, zich er ten aanzien van het bestreden besluit rechtstreeks op beroept. Zoals verzoeker ter terechtzitting heeft bevestigd, betekent die houding echter a majore ad minus noodzakelijkerwijs dat schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld wordt ingeroepen, met name wanneer hij, na te hebben gesteld dat hij onschuldig was (zie punt 79 supra), heeft aangevoerd dat „de Commissie [door haar handelwijze] twijfel [liet] bestaan over de wijze waarop hij zijn taken [had] volbracht [en] over zijn beroepsreputatie”.

91      In herinnering dient te worden gebracht dat het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat een in artikel 6, lid 2, EVRM en in artikel 48, lid 1, van het Handvest neergelegd fundamenteel recht vormt, aan particulieren rechten verleent waarvan de Unierechter de eerbiediging waarborgt (arresten van 4 oktober 2006, Tillack/Commissie, T‑193/04, EU:T:2006:292, punt 121; 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie, T‑48/05, EU:T:2008:257, punt 209, en 12 juli 2012, Commissie/Nanopoulos, T‑308/10 P, EU:T:2012:370, punt 90).

92      Dat beginsel, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten (arresten van 8 juli 1999, Montecatini/Commissie, C‑235/92 P, EU:C:1999:362, punt 175, en 4 oktober 2006, Tillack/Commissie, T‑193/04, EU:T:2006:292, punt 121), die zelf volgens de rechtspraak algemene beginselen van Unierecht vormen (arrest van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/05 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, EU:T:2006:271, punt 61), geldt, gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de ernst van de daaraan verbonden maatregelen, voor administratieve procedures (zie, inzake mededinging, arresten van 8 juli 2004, JFE Engineering/Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, EU:T:2004:221, punt 178; 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/05 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, EU:T:2006:271, punt 61, en 5 oktober 2011, Romana Tabacchi/Commissie, T‑11/06, EU:T:2011:560, punt 129). Daaruit volgt dat het recht op het vermoeden van onschuld, zelfs als er geen sprake is van strafvervolging, geldt voor de ambtenaar die ervan wordt beschuldigd zijn statutaire verplichtingen op een dusdanig ernstige wijze niet te zijn nagekomen dat een onderzoek van OLAF is gerechtvaardigd, in het licht waarvan de administratie elke vereiste – zo nodig strenge – maatregel kan treffen (arresten van 28 maart 2012, BD/Commissie, F‑36/11, EU:F:2012:49, punt 51, en 29 april 2015, CJ/ECDC, F‑159/12 en F‑161/12, EU:F:2015:38, punt 154).

93      Aangezien de Commissie verzoekers verzoek om zijn in het kader van de nationale strafprocedure gemaakte kosten van verdediging ten laste te nemen, in wezen heeft afgewezen op grond dat er een belangenconflict met hem is blijven bestaan, heeft zij in casu verzoekers recht op het vermoeden van onschuld geschonden.

94      Het door de Commissie ter terechtzitting aangedragen argument dat het belangenconflict op het moment van de vaststelling van het bestreden besluit op legitieme wijze is blijven bestaan omdat de beslissing om het tuchtrechtelijk „dossier” te sluiten pas enkele dagen later, op 10 april 2017, is genomen, moet om de volgende reden worden afgewezen.

95      Allereerst is het bestaan, in de vage bewoordingen van de Commissie, van een tuchtrechtelijk „dossier”, dat ten tijde van het bestreden besluit tegen verzoeker zou zijn geopend, niet alleen niet aangetoond, maar blijkt dat bestaan ook te worden gelogenstraft. Er is namelijk niet gebleken dat de opening van dossier CMS 04/002 in januari 2004 naar aanleiding van een verzoek om opheffing van verzoekers immuniteit van jurisdictie inhield dat een tuchtprocedure of zelfs maar een administratief onderzoek naar hem werd gestart. Daarnaast is dossier CMS 04/002 in 2010 hoe dan ook geschrapt van de lijst CMS [„Case Management System” (beheerssysteem voor dossiers)] en vervolgens in 2012 na afloop van de termijn voor de bewaring van archieven vernietigd.

96      Verder is het zo dat de Commissie, gesteld al dat er op het moment van het bestreden besluit een procedure tegen verzoeker liep, het tweede verzoek om bijstand niet zonder foutief te handelen op grond van haar voor verzoeker belastend standpunt kon afwijzen en deze zogenaamde procedure enkele dagen later kon beëindigen, aangezien deze procedure net was bedoeld om dit standpunt te bevestigen of te weerleggen.

97      Voor zover het argument van de Commissie inhoudt dat het vermoeden van onschuld voor verzoeker pas gold op het moment van de beëindiging van die zogenaamde procedure, dient ten slotte terloops te worden opgemerkt dat een ambtenaar het vermoeden van onschuld geniet in elk stadium voorafgaand aan een besluit waarbij zijn schuld wordt vastgesteld, en dat de Commissie het vermoeden van onschuld van verzoeker in het stadium van het bij het Gerecht ingestelde beroep in feite is blijven schenden door in haar verweer aan te voeren dat „de beëindiging van de tuchtprocedure op grond van opportuniteitsoverwegingen het belangenconflict tussen partijen [niet heeft] doen verdwijnen”.

98      Uit een en ander blijkt dat het bestreden besluit is gebaseerd op schending van het vermoeden van onschuld zodat dit besluit nietig moet worden verklaard, waarbij eraan dient te worden herinnerd dat het aan de Commissie staat de maatregelen te treffen die ter uitvoering van het arrest nodig zijn.

 Kosten

99      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, bepaalt het Gerecht volgens artikel 134, lid 2, van dit Reglement het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten.

100    Aangezien de Commissie op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De schadevorderingen worden afgewezen.

2)      Het besluit van de Europese Commissie van 28 maart 2017 houdende afwijzing van een verzoek om bijstand van Amador Rodriguez Prieto wordt nietig verklaard.

3)      De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Rodriguez Prieto.

Collins

Barents

Passer

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 april 2019.

ondertekeningen



*      Procestaal: Frans.