Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 31 januari 2019 – Mitnitsa Aerogara Sofia / „Curtis Balkan” EOOD

(Zaak C-76/19)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Varhoven administrativen sad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker in cassatie: Mitnitsa Aerogara Sofia

Verweerster in casssatie: „Curtis Balkan” EOOD

Prejudiciële vragen

Dient artikel 158, lid 3, van verordening nr. 2454/931 aldus te worden uitgelegd dat die bepaling een autonome grondslag vormt voor de aanpassing van de douanewaarde door optelling van de royalty’s of licentierechten bij de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, ongeacht de regel van artikel 157 van verordening nr. 2454/93?

Dient artikel 158, lid 3, van verordening nr. 2454/93 aldus te worden uitgelegd dat die bepaling met betrekking tot de aanpassing van de douanewaarde ziet op twee alternatieve situaties: enerzijds de situatie dat de royalty’s of licentierechten, zoals die in casu, gedeeltelijk betrekking hebben op de ingevoerde goederen en gedeeltelijk op andere bestanddelen die aan de goederen na hun invoer worden toegevoegd en anderzijds op situaties waarin de royalty’s of licentierechten betrekking hebben op verrichtingen of diensten na invoer?

Dient artikel 158, lid 3, van verordening nr. 2454/93 aldus te worden uitgelegd dat die bepaling met betrekking tot de aanpassing van de douanewaarde ziet op drie situaties: ten eerste de situatie dat de royalty’s of licentierechten gedeeltelijk betrekking hebben op de ingevoerde goederen en gedeeltelijk op andere bestanddelen die aan de goederen na hun invoer worden toegevoegd; ten tweede de situatie dat de royalty’s of licentierechten gedeeltelijk betrekking hebben op de ingevoerde goederen en gedeeltelijk op verrichtingen of diensten na invoer; en ten derde de situatie dat de royalty’s of licentierechten gedeeltelijk betrekking hebben op de ingevoerde goederen en gedeeltelijk op andere bestanddelen die na invoer aan de goederen zijn toegevoegd of op verrichtingen of diensten na invoer?

Dient artikel 158, lid 3, van verordening nr. 2454/93 aldus te worden uitgelegd dat die bepaling een aanpassing van de douanewaarde altijd toestaat indien vaststaat dat de betaalde royalty’s of licentierechten betrekking hebben op verrichtingen of diensten die hebben plaatsgevonden na de invoer van de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, welke diensten in het onderhavige geval (met de productie en het management verband houdende) diensten betreffen die door de Amerikaanse vennootschap worden verricht ten behoeve van de Bulgaarse vennootschap, ongeacht de vraag of de voorwaarden voor de aanpassing van artikel 157 van verordening nr. 2454/93 zijn vervuld?

Dient artikel 158, lid 3, van verordening nr. 2454/93 aldus te worden uitgelegd dat die bepaling een bijzonder geval van aanpassing van de douanewaarde vormt volgens de regeling en onder de voorwaarden van artikel 157 van verordening nr. 2454/93, waarbij het bijzondere karakter enkel bestaat uit het feit dat de royalty of het licentierecht slechts gedeeltelijk betrekking heeft op de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, zodat die waarde op passende wijze moet worden toegedeeld?

Dient artikel 158, lid 3, van verordening nr. 2454/93 aldus te worden uitgelegd dat die bepaling ook dan van toepassing is wanneer de koper een vergoeding of een royalty of licentierecht aan een derde betaalt?

Dient de rechter, ingeval de vijfde en de zesde vraag bevestigend worden beantwoord, met betrekking tot de passende toedeling van de royalty’s of licentierechten in de zin van artikel 158, lid 3, van verordening nr. 2454/93 te toetsen of aan beide voorwaarden van artikel 157, lid 2, van deze verordening is voldaan, namelijk dat de royalty of het licentierecht, zij het gedeeltelijk, betrekking heeft op de ingevoerde goederen en dat de royalty of het licentierecht een verkoopvoorwaarde voor die goederen vormt en, zo ja, dient bij die toetsing de artikel 160 vastgelegde regel in aanmerking te worden genomen volgens welke de in artikel 157, lid 2, bedoelde voorwaarden worden geacht vervuld te zijn indien de verkoper of een met deze verbonden persoon betaling van de royalty’s of licentierechten van de koper verlangt?

Kan artikel 160 van verordening nr. 2454/93 ten aanzien van de basisregeling van artikel 157 van verordening nr. 2454/93 alleen worden toegepast indien de royalty’s of licentierechten aan een derde moeten worden betaald en volledig betrekking hebben op de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, dan wel ook in situaties waarin de royalty’s of licentierechten slechts gedeeltelijk betrekking hebben op de ingevoerde goederen?

Dient artikel 160 van verordening nr. 2454/93 aldus te worden uitgelegd dat het begrip „verbondenheid” tussen licentiegever en verkoper verwijst naar situaties waarin de licentiegever met de koper verbonden is omdat hij rechtstreekse controle over de koper uitoefent die verder gaat dan de kwaliteitscontrole, of moet dat artikel aldus worden uitgelegd dat de hierboven omschreven verbondenheid tussen de licentiegever en de koper niet voldoende is om een (zijdelingse) verbondenheid tussen de licentiegever en de verkoper te veronderstellen, met name wanneer de verkoper betwist dat de prijzen voor de bestellingen van de koper voor de ingevoerde goederen afhankelijk waren van de betaling van de royalty’s of licentierechten en tevens betwist dat de licentiegever in staat is zijn activiteiten operationeel te sturen of te beperken?

Dient artikel 160 van verordening nr. 2454/93 aldus te worden uitgelegd dat een aanpassing van de douanewaarde slechts is toegestaan voor zover beide voorwaarden van artikel 157 van verordening nr. 2454/93 zijn vervuld, namelijk dat de royalty of het licentierecht die of dat aan een derde wordt betaald, betrekking heeft op de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald en die betaling voor die goederen een contractueel verplichte verkoopvoorwaarde vormt, en bovendien is voldaan aan de voorwaarde dat de verkoper of een met deze verbonden persoon de betaling van de royalty of het licentierecht van de koper verlangt?

Is voldaan aan het in artikel 157, lid 2, eerste gedachtestreepje, van verordening nr. 2454/93 neergelegde vereiste dat de royalty of het licentierecht betrekking heeft op de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, wanneer er, zoals in casu, een indirecte band bestaat tussen de royalty of het licentierecht en de ingevoerde goederen indien de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald bestanddelen zijn van het in licentie vervaardigde eindproduct?

____________

1 Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1).