ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

8 mei 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 11, lid 3, onder e) – Onderdaan van een lidstaat, werkzaam als zeevarende op een onder de vlag van een derde staat varend schip – Werkgever die in een andere lidstaat is gevestigd dan die waar de werknemer woonachtig is – Vaststelling van de toepasselijke wetgeving”

In zaak C‑631/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 27 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 9 november 2017, in de procedure

SF

tegen

Inspecteur van de Belastingdienst,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen (rapporteur), J. Malenovský, C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 november 2018,


gelet op de opmerkingen van:

–        SF, vertegenwoordigd door V. J. de Groot en H. Menger, belastingadviseurs,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. L. Noort als gemachtigden,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door E.‑M. Mamouna als gemachtigde,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en D. Martin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 januari 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB 2012, L 149, blz. 4) (hierna: „verordening nr. 883/2004”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SF en de Inspecteur van de Belastingdienst (hierna: „Inspecteur”) over de aansluiting van SF bij het Nederlandse stelsel van volksverzekeringen voor het tijdvak van 13 augustus tot en met 31 december 2013.

 Toepasselijke bepalingen

3        Titel II van verordening nr. 883/2004 stelt de regels betreffende de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving vast en omvat de artikelen 11 tot en met 16 van die verordening.

4        Artikel 11 van deze verordening, met als opschrift „Algemene regels”, luidt:

„1.      Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.

[...]

3.      Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:

a)      geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;

b)      geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;

c)      geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat;

d)      geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;

e)      geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten.

4.      Voor de toepassing van deze titel worden al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden die normaliter plaatsvinden aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in die lidstaat. Niettemin geldt voor degene die werkzaamheden in loondienst verricht aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en voor die werkzaamheden wordt betaald door een onderneming of een persoon die zijn zetel of domicilie in een andere lidstaat heeft, de wetgeving van laatstgenoemde lidstaat, indien hij zijn woonplaats in die lidstaat heeft. [...]

[...]”

5        De artikelen 12 tot en met 16 van verordening nr. 883/2004 voorzien in de bijzondere regels voor gedetacheerden (artikel 12), voor personen die werkzaamheden verrichten in twee of meer lidstaten (artikel 13), voor personen die hebben gekozen voor een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering (artikel 14), en voor arbeidscontractanten van de Europese instellingen (artikel 15), en in de uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 van voornoemde verordening (artikel 16).

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6        SF, een Lets staatsburger die in Letland woont, werkte van 13 augustus tot en met 31 december 2013 als steward voor Oceanwide Offshore Services B.V., een in Nederland gevestigde onderneming.

7        SF verrichtte deze werkzaamheden op een onder de vlag van de Bahama’s varend schip, dat gedurende die periode boven het Duitse deel van het continentaal plat van de Noordzee voer.

8        De Nederlandse belastingautoriteiten hebben SF voor het belastingjaar 2013 een aanslag voor de inkomensbelasting en de premies volksverzekeringen opgelegd. Nadat SF bezwaar had gemaakt tegen die aanslag, heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd voor zover SF daarin premieplichtig wordt verklaard voor de premies volksverzekeringen volgens het Nederlandse stelsel van volksverzekeringen voor het tijdvak van 13 augustus tot en met 31 december 2013.

9        SF heeft tegen het besluit van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, met het betoog dat hij niet onder voornoemd stelsel valt.

10      Daar hem de vraag was voorgelegd of SF daadwerkelijk premieplichtig is voor die premies en hij daarover twijfels heeft, heeft die rechter besloten om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad der Nederlanden.

11      De Hoge Raad der Nederlanden overweegt dat, hoewel de door SF gedurende de betrokken periode verrichte beroepswerkzaamheden niet kunnen worden geacht te hebben plaatsgevonden op het grondgebied van een lidstaat van de Unie, er een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Unie bestaat, waardoor verordening nr. 883/2004 in het onderhavige geval van toepassing is. Deze rechter overweegt ook dat SF binnen de personele werkingssfeer van die verordening valt.

12      De situatie in het bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant aanhangige geding, waarin de werkzaamheden in loondienst van de werknemer in kwestie worden verricht op een schip dat vaart onder de vlag van een derde staat, valt volgens de Hoge Raad der Nederlanden niet binnen de werkingssfeer van artikel 11, lid 3, onder a) tot en met d), noch binnen die van artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2004.

13      Hij meent dat een dergelijke situatie desalniettemin zou kunnen vallen binnen de werkingssfeer van artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004, dat bepaalt dat voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats geldt.

14      In dit verband benadrukt de verwijzende rechter dat voor hem is aangevoerd dat artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 niet toepasselijk is in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, omdat uit de Explanatory notes on modernised social security coordination – Regulations (EC) No 883/2004 and (EC) No 987/2009 van de Commissie van januari 2011, volgt dat die bepaling alleen van toepassing is op economisch niet-actieve personen.

15      Deze rechter meent echter dat een dergelijke uitlegging niet volgt uit de bewoordingen van de betrokken bepaling, die een algemeen geformuleerde aanwijsregel is, die automatisch wordt toegepast op eenieder op wie artikel 11, lid 3, onder a) tot en met d), en de artikelen 12 tot en met 16 van verordening nr. 883/2004 niet van toepassing zijn.

16      Bovendien is voor de verwijzende rechter ook aangevoerd dat het bepaalde in artikel 11, lid 3, onder a), en artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2004 weliswaar niet rechtstreeks van toepassing is, maar wel naar analogie moet worden toegepast en ertoe moet leiden dat de wetgeving van de lidstaat waarin de werkgever is gevestigd wordt aangewezen, zoals het Hof in zijn arresten van 29 juni 1994, Aldewereld (C‑60/93, EU:C:1994:271), en 19 maart 2015, Kik (C‑266/13, EU:C:2015:188), heeft geoordeeld met betrekking tot bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB 2005, L 117, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”). Deze rechter overweegt echter dat de aanwijsregels van verordening nr. 883/2004 completer zijn en geen lacunes bevatten, waardoor er in casu geen reden is om zich te laten leiden door voornoemde rechtspraak.

17      De verwijzende rechter meent niettemin dat er voor de vaststelling welke wetgeving in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding de toepasselijke wetgeving is, twijfels zijn blijven bestaan over de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 883/2004.

18      Tegen deze achtergrond heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„De wetgeving van welke lidstaat wordt door verordening nr. 883/2004 aangewezen in een situatie waarbij het gaat om een belanghebbende die (a) in Letland woont, (b) de Letse nationaliteit heeft, (c) in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever, (d) als zeevarende werkzaam is, (e) zijn arbeid verricht aan boord van een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Bahama’s, en (f) deze werkzaamheden verricht buiten het grondgebied van de Europese Unie?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

19      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een persoon zijn woonplaats in zijn lidstaat van herkomst heeft behouden terwijl hij als zeevarende werkzaam is voor een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, op een schip dat buiten het grondgebied van de Europese Unie en onder de vlag van een derde land vaart, binnen de werkingssfeer van die bepaling valt, waardoor de toepasselijke nationale wetgeving die van de lidstaat van de woonplaats van die persoon is.

20      Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat indien iemand binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 valt, zoals die is omschreven in artikel 2 ervan, de in artikel 11, lid 1, van deze verordening geformuleerde regel dat slechts één wetgeving toepassing vindt, in beginsel van toepassing is en de toepasselijke nationale wetgeving wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van titel II ervan (zie in die zin arrest van 19 maart 2015, Kik, C‑266/13, EU:C:2015:188, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 25 oktober 2018, Walltopia, C‑451/17, EU:C:2018:861, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21      In het onderhavige geval blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken dat SF gedurende de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode zijn woonplaats in zijn lidstaat van herkomst, te weten Letland, heeft behouden, terwijl hij als zeevarende werkzaam was voor een in een andere lidstaat – te weten Nederland – gevestigde werkgever, op een schip dat onder de vlag van een derde land buiten het grondgebied van de Europese Unie voer.

22      In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een werknemer zijn werkzaamheden buiten het grondgebied van de Unie verricht, niet volstaat om de toepassing van de regels van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers – en met name van verordening nr. 883/2004 – uit te sluiten wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied behoudt (zie in die zin arrest van 19 maart 2015, Kik, C‑266/13, EU:C:2015:188, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Volgens de rechtspraak van het Hof vloeit een voldoende nauwe aanknoping tussen de betrokken arbeidsverhouding en het grondgebied van de Unie met name voort uit het feit dat een burger van de Unie die in een lidstaat woont, is aangeworven door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming en voor rekening van die onderneming activiteiten verricht (arrest van 19 maart 2015, Kik, C‑266/13, EU:C:2015:188, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      Zoals de verwijzende rechter heeft overwogen, volgt hieruit dat, hoewel in het onderhavige geval de werkzaamheden van SF plaatsvonden buiten het grondgebied van de Unie, de betrokken arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied behoudt, aangezien SF gedurende de betrokken periode in Letland was blijven wonen en zijn werkgever in Nederland was gevestigd.

25      Een situatie als aan de orde in het hoofdgeding moet derhalve worden geacht binnen de werkingssfeer van verordening nr. 883/2004 te vallen, en de toepasselijke nationale wetgeving moet dientengevolge overeenkomstig de bepalingen van titel II van die verordening worden bepaald.

26      In het onderhavige geval staat vast dat iemand als SF niet valt onder de bijzondere regels van de artikelen 12 tot en met 16 van verordening nr. 883/2004, die betrekking hebben op personen die gedetacheerd zijn, werkzaamheden verrichten in twee of meer lidstaten, hebben gekozen voor een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering of arbeidscontractanten van de Europese instellingen zijn.

27      De betrokkene valt evenmin onder de situaties bedoeld in de punten a) tot en met d), van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 883/2004, die betrekking hebben op personen die werkzaamheden in loondienst verrichten in een lidstaat, ambtenaren, personen die een werkloosheidsuitkering ontvangen, of personen die worden opgeroepen of opnieuw worden opgeroepen voor militaire dienst of die in een lidstaat vervangende burgerdienst uitvoeren.

28      Aangezien SF als zeevarende werkzaam is op een schip dat onder de vlag van een derde staat vaart, valt hij bovendien niet onder de algemene regel van artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2004, die voor zeelieden de wetgeving aanwijst van de lidstaat waarvan de vlag wordt gevoerd (zie in die zin arrest van 19 maart 2015, Kik, C‑266/13, EU:C:2015:188, punt 56).

29      Wat betreft de vraag of artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 toepasselijk is op een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 15 oktober 2014, Hoštická e.a., C‑561/13, EU:C:2014:2287, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 september 2018, González Castro, C‑41/17, EU:C:2018:736, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarbij ook de ontstaansgeschiedenis van die bepaling relevante gegevens voor de uitlegging ervan kan bevatten (arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Uit de bewoordingen van artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 volgt dat „voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats [geldt], onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten”.

31      Zoals de advocaat-generaal heeft benadrukt in de punten 34 en 35 van zijn conclusie, volgt uit een letterlijke lezing van die bepaling dat de Uniewetgever gebruik heeft gemaakt van algemene bewoordingen, met name de term „eenieder” en de zinsnede „onverminderd andere bepalingen van deze verordening”, om artikel 11, lid 3, onder e), als een vangnet te laten dienen dat van toepassing is op eenieder die zich in een situatie bevindt die niet is geregeld door de andere bepalingen van de verordening, en om te voorzien in een omvattend systeem voor de bepaling van de toepasselijke wetgeving.

32      Voorts wordt de werkingssfeer van deze bepaling, blijkens de bewoordingen ervan, geenszins beperkt tot economisch niet-actieve personen.

33      Wat de doelstellingen van verordening nr. 883/2004 betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat de bepalingen van titel II van verordening nr. 883/2004, waaronder de artikelen 11 tot en met 16 ervan, volgens vaste rechtspraak een volledig en eenvormig stelsel van aanwijsregels vormen, die niet alleen tot doel hebben de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van die verordening vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten (arresten van 14 juni 2016, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑308/14, EU:C:2016:436, punt 64, en 25 oktober 2018, Walltopia, C‑451/17, EU:C:2018:861, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Wat meer in het bijzonder artikel 11, lid 3, van verordening nr. 883/2004 betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat die bepaling tot doel heeft, onder voorbehoud van de artikelen 12 tot en met 16 van die verordening, te bepalen welke nationale wetgeving van toepassing is op degenen die zich in een van de in de punten a) tot en met e) van dat artikel 11, lid 3, bedoelde situaties bevinden (arrest van 25 oktober 2018, Walltopia, C‑451/17, EU:C:2018:861, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Het Hof heeft inderdaad geoordeeld dat artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 onder meer van toepassing is op economisch niet-actieve personen (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑308/14, EU:C:2016:436, punt 63).

36      Zoals de advocaat-generaal heeft benadrukt in de punten 44 en 45 van zijn conclusie, zou een restrictieve uitlegging van artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004, volgens welke de werkingssfeer van die bepaling zich beperkt tot enkel economisch niet-actieve personen, echter mogelijk ertoe leiden dat personen die niet onder de in de punten a) tot en met d), van dat artikel 11, lid 3, genoemde gevallen, noch onder die van andere bepalingen van verordening nr. 883/2004 vallen, wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten.

37      Aangaande de ontstaansgeschiedenis van artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004, dat tot stand kwam in een context van de modernisering en vereenvoudiging van de regels van verordening nr. 1408/71, dient te worden opgemerkt, zoals ook de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie heeft uiteengezet, dat die bepaling in de plaats is gekomen van artikel 13, lid 2, onder f), van verordening nr. 1408/71, dat bepaalde dat „op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing [is] van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont”.

38      In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 13 van verordening nr. 1408/71 en meer in het bijzonder lid 2, onder f), ervan, ruim is uitgelegd om te voldoen aan de doelstelling van de regeling waarvan het deel uitmaakt, die erin bestaat, te voorkomen dat personen die binnen de werkingssfeer van die verordening vallen geen socialezekerheidsbescherming genieten omdat op hen geen enkele wetgeving van toepassing is (zie in die zin arrest van 11 juni 1998, Kuusijärvi, C‑275/96, EU:C:1998:279, punt 40).

39      Artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 streeft dezelfde doelstelling na en kan niet op restrictieve wijze worden uitgelegd, aangezien deze bepaling, door expliciet te verwijzen naar eenieder die zich in een situatie bevindt die niet onder de andere bepalingen van die verordening valt, ruimer is verwoord dan artikel 13, lid 2, onder f), van verordening nr. 1408/71.

40      Derhalve moet artikel 11, lid 3, onder e), aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op alle personen die niet in de punten a) tot en met d) van die bepaling zijn bedoeld, en niet alleen op degenen die economisch niet-actief zijn.

41      Zoals de advocaat-generaal heeft benadrukt in punt 50 van zijn conclusie, kan aan deze uitlegging niet worden afgedaan door de in punt 14 van dit arrest genoemde explanatory notes van de Commissie en door de Praktische gids over de toepasselijke wetgeving in de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland, opgesteld en goedgekeurd door de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en gepubliceerd in december 2013. Hoewel deze documenten nuttige instrumenten voor de uitlegging van verordening nr. 883/2004 zijn, hebben zij immers geen bindende kracht, waardoor zij het Hof bij de uitlegging van die verordening niet kunnen binden.

42      Gelet op al het voorgaande wordt een situatie als aan de orde in het hoofdgeding beheerst door artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004, dat bepaalt dat de toepasselijke nationale wetgeving die van de lidstaat van de woonplaats van de betrokkene is.

43      Deze vaststelling wordt niet in twijfel getrokken door de door de Nederlandse regering ter terechtzitting aangevoerde omstandigheid dat bepaalde lidstaten de aansluiting van betrokkenen bij het nationale socialezekerheidsstelsel afhankelijk stellen van de voorwaarde dat deze op hun grondgebied werkzaamheden in loondienst uitoefenen, waardoor de betrokkene in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding mogelijkerwijs niet bij een socialezekerheidsstelsel wordt aangesloten en geen sociale bescherming geniet.

44      In het onderhavige geval blijkt immers niet uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de nationale wetgeving van de lidstaat van de woonplaats van de betrokkene in een dergelijke voorwaarde voorziet.

45      In ieder geval blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het weliswaar aan elke lidstaat staat om in zijn wetgeving de voorwaarden vast te stellen voor het ontstaan van het recht op aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel, doch dat de lidstaten daarbij de geldende bepalingen van Unierecht in acht moeten nemen. In het bijzonder gelden de in verordening nr. 883/2004 geformuleerde aanwijsregels dwingend voor de lidstaten, en kunnen de lidstaten dus niet zelf bepalen in hoeverre hun eigen wetgeving of die van een andere lidstaat van toepassing is (zie in die zin arrest van 25 oktober 2018, Walltopia, C‑451/17, EU:C:2018:861, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      De voorwaarden voor het ontstaan van het recht op aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel mogen derhalve niet tot gevolg hebben dat personen op wie volgens verordening nr. 883/2004 een bepaalde wetgeving van toepassing is, buiten de werkingssfeer van deze wetgeving vallen (arrest van 25 oktober 2018, Walltopia, C‑451/17, EU:C:2018:861, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een persoon zijn woonplaats in zijn lidstaat van herkomst heeft behouden terwijl hij als zeevarende werkzaam is voor een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, op een schip dat buiten het grondgebied van de Unie en onder de vlag van een derde land vaart, binnen de werkingssfeer van die bepaling valt, waardoor de toepasselijke nationale wetgeving die van de lidstaat van de woonplaats van die persoon is.

 Kosten

48      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:


Artikel 11, lid 3, onder e), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een persoon zijn woonplaats in zijn lidstaat van herkomst heeft behouden terwijl hij als zeevarende werkzaam is voor een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, op een schip dat buiten het grondgebied van de Europese Unie en onder de vlag van een derde land vaart, binnen de werkingssfeer van die bepaling valt, waardoor de toepasselijke nationale wetgeving die van de lidstaat van de woonplaats van die persoon is.

Prechal

Biltgen

Malenovský

Fernlund

 

Rossi

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 mei 2019.

De griffier

 

De president van de Derde kamer

A. Calot Escobar

 

A. Prechal


*      Procestaal: Nederlands.