Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesverwaltungsgericht Steiermark (Oostenrijk) op 20 februari 2019 – EX

(Zaak C-141/19)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesverwaltungsgericht Steiermark

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: EX

Betrokken overheidsinstantie: Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld

Andere partij in de procedure: Finanzpolizei

Prejudiciële vragen

Moeten artikel 56 VWEU en richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten1 en richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG2 aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale norm die bij inbreuken op formele verplichtingen in het kader van grensoverschrijdende tewerkstelling, zoals het niet ter beschikking stellen van de loonadministratie of het niet melden bij de centrale coördinatiedienst, voorziet in zeer hoge geldboeten, in het bijzonder in hoge minimumstraffen, die cumulatief per betrokken werknemer worden opgelegd?

Indien de eerste vraag niet bevestigend wordt beantwoord:

Moeten artikel 56 VWEU alsmede richtlijn 96/71/EG en richtlijn 2014/67/EU aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat zonder absolute bovengrens cumulatieve geldboeten worden opgelegd bij inbreuken op formele verplichtingen in het kader van grensoverschrijdende tewerkstelling?

Moet artikel 56 VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die ertoe verplicht in geval van een voortijdige beëindiging en/of onderbreking van de tijdelijke werkzaamheden in het gastland een wijziging aan de centrale coördinatiedienst te melden?

Indien de derde vraag ontkennend wordt beantwoord:

Moet artikel 56 VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die geen redelijke termijn bevat waarbinnen de wijziging moet zijn gemeld?

Moeten artikel 56 VWEU en artikel 9 van richtlijn 2014/67/EU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat met het nasturen binnen een redelijke termijn van geschikte en relevante documenten, niet wordt voldaan aan de eis om bewijsstukken te overleggen?

Moeten artikel 56 VWEU en artikel 9 van richtlijn 2014/67/EU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat buitenlandse dienstverleners meer bewijsstukken moeten overleggen dan de documenten die in artikel 9 van richtlijn 2014/67/EU staan vermeld, terwijl deze extra bewijsstukken – zoals salarisstrookjes, salarisafrekeningen, salarisregisters, loonbelastingverklaringen, aan- en afmelding, verzekeringsbewijs voor ziektekosten, overzichten van aanmeldingen en toeslagverrekeningen, documenten betreffende de salarisschaal alsmede getuigschriften – noch relevant noch geschikt zijn en in het nationale recht niet nader worden omschreven?

____________

1 PB 1997, L 18, blz. 1.

2 Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (PB 2014, L 159, blz. 11).