Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Wiener Neustadt (Oostenrijk) op 13 maart 2019 – YS / NK

(Zaak C-223/19)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesgericht Wiener Neustadt

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: YS

Verwerende partij: NK

Prejudiciële vragen

Vallen regelingen van een lidstaat die tot gevolg hebben dat ten aanzien van een aanzienlijk groter aantal bedrijfspensioengerechtigde mannen dan bedrijfspensioengerechtigde vrouwen, bij de uitbetaling van deze bedrijfspensioenen, geldbedragen door de voormalige werkgever dienen te worden ingehouden die door hem vrij mogen worden gebruikt, binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid1 en/of van richtlijn 2006/54/EG van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep2 , en zijn dergelijke voorschriften discriminerend in de zin van deze richtlijnen?

Vallen regelingen van een lidstaat die discrimineren op grond van leeftijd omdat zij uitsluitend ouderen met een privaatrechtelijke aanspraak op de uitkering van een als een directe prestatietoezegging overeengekomen bedrijfspensioen financieel belasten, terwijl jongere en jonge personen die bedrijfspensioenovereenkomsten hebben gesloten niet financieel worden belast, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep3 ?

Moeten de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de daarin vervatte discriminatieverboden in de artikelen 20 en 21, ook worden toegepast op bedrijfspensioenen wanneer de regelingen van een lidstaat geen discriminaties bevatten die op grond van richtlijnen 79/7/EEG, 2000/78/EG en 2006/54/EG zijn verboden?

Moeten de artikelen 20 en volgende van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen regelingen van een lidstaat die Unierecht in de zin van artikel 51 van het Handvest ten uitvoer brengen en personen met een privaatrechtelijke aanspraak op een bedrijfspensioen op grond van geslacht, leeftijd, vermogen of op een andere grond, zoals bijvoorbeeld de eigendomsstructuur waarin hun voormalige werkgever zich thans bevindt, discrimineren ten opzichte van andere personen die aanspraak maken op een bedrijfspensioen, en verbiedt het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dergelijke discriminaties?

Leveren nationale voorschriften die slechts een kleine groep personen met contractuele aanspraken op een bedrijfspensioen in de vorm van een directe prestatietoezegging tot financiële bijdragen aan hun voormalige werkgever verplichten, te weten enkel personen met hogere bedrijfspensioenen, ook discriminatie op grond van vermogen in de zin van artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op?

Moet artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen regelingen van een lidstaat die voorzien in een direct bij wet verrichte en tot onteigening zonder schadeloosstelling leidende inmenging in een tussen twee particulieren gesloten overeenkomst over een bedrijfspensioen in de vorm van een directe prestatietoezegging, welke inmenging in het nadeel is van een voormalige werknemer van een onderneming die voorzorgsmaatregelen voor de betaling van het bedrijfspensioen heeft getroffen en niet in economische moeilijkheden verkeert?

Vormt een wettelijke verplichting van de voormalige werkgever van een bedrijfspensioengerechtigde persoon om delen van de overeengekomen tegenprestatie (van het overeengekomen bedrijfspensioen) niet uit te betalen, als inbreuk op de contractuele vrijheid een aantasting van het eigendomsrecht van de werkgever?

Moet artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen regelingen van een lidstaat die direct bij wet onteigenen en volgens welke de onteigening alleen kan worden aangevochten door tegen de begunstigde van de onteigening (de voormalige werkgever en schuldenaar in het kader van de pensioenovereenkomst) een rechtsvordering tot schadevergoeding en restitutie van het onteigende geldbedrag in te stellen?

____________

1 PB 1979, L 6, blz. 24.

2 PB 2006, L 204, blz. 23.

3 PB 2000, L 303, blz. 16.