Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Den Haag zittingsplaats Haarlem (Nederland) op 14 maart 2019 – R.N.N.S. tegen Minister van Buitenlandse Zaken

(Zaak C-225/19)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: R.N.N.S.

Verweerder: Minister van Buitenlandse Zaken

Prejudiciële vragen

Is in geval van een beroep als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Visumcode1 tegen een definitieve beslissing tot weigering van een visum op de grond genoemd in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a), sub vi), van de Visumcode, sprake van een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het EU Handvest onder de volgende omstandigheden:

– in de motivering van de beslissing heeft de lidstaat volstaan met: "u wordt door één of meer lidstaten beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid, als omschreven in artikel 2, negentiende, althans eenentwintigste, lid, van de Schengengrenscode of de internationale betrekkingen van één of meer van de lidstaten";

– bij de beslissing of in het beroep vermeldt de lidstaat niet welke specifieke grond of gronden van die vier gronden uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a), sub vi), van de Visumcode wordt tegengeworpen;

– in het beroep verstrekt de lidstaat geen nadere inhoudelijke informatie of onderbouwing van de grond of gronden die ten grondslag liggen aan het bezwaar van de andere lidstaat (of lidstaten)?

Is onder de in vraag 1) geschetste omstandigheden sprake van behoorlijk bestuur in de zin van artikel 41 van het EU Handvest, met name vanwege de plicht van de betrokken diensten hun beslissingen met redenen te omkleden?

a. Moeten de vragen 1) en 2) anders worden beantwoord als de lidstaat in het definitieve besluit over het visum verwijst naar een daadwerkelijk bestaande en daarbij voldoende duidelijk gespecificeerde beroepsmogelijkheid in de andere lidstaat tegen de met name genoemde verantwoordelijke autoriteit in die andere lidstaat (of lidstaten) die het in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a), sub vi) van de Visumcode bedoelde bezwaar heeft (of hebben) gemaakt, waarin die weigeringsgrond aan de orde kan worden gesteld?

b. Is voor een bevestigende beantwoording van vraag 1) in verband met vraag 3) a. vereist dat de beslissing in het beroep in en tegen de lidstaat die de definitieve beslissing heeft genomen, wordt opgeschort totdat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad van de beroepsmogelijkheid in de andere lidstaat (of lidstaten) gebruik te maken en, indien de aanvrager daar gebruik van maakt, de (definitieve) beslissing op dat beroep is verkregen?

Maakt het voor de beantwoording van de vragen uit of (de autoriteit in) de lidstaat (of de lidstaten) die het bezwaar tegen de afgifte van het visum heeft (of hebben) gemaakt de gelegenheid kan worden geboden in het beroep tegen de definitieve beslissing over het visum als tweede wederpartij op te treden en uit dien hoofde in de gelegenheid gesteld kan (of kunnen) worden een onderbouwing van de grond of gronden in te brengen, die ten grondslag liggen aan zijn bezwaar?

____________

1     Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB 2009, L 243, blz. 1).