Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) London (Verenigd Koninkrijk) op 26 maart 2019 – Secretary of State for the Home Department / O A

(Zaak C-255/19)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) London

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Secretary of State for the Home Department

Verwerende partij: O A

Prejudiciële vragen

Dient „bescherming [...] van het land van zijn nationaliteit” in de zin van artikel 11, lid 1, onder e) en artikel 2, onder e) van [richtlijn 2004/83/EG; de erkenningsrichtlijn]1 te worden opgevat als bescherming van staatswege?

Dient bij de beslissing over de vraag of er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 2, onder e), van [de erkenningsrichtlijn] en de vraag of er bescherming beschikbaar is tegen dergelijke vervolging in de zin van artikel 7 [van de erkenningsrichtlijn], de „beschermingstest” of het „beschermingsonderzoek” op beide vragen te worden toegepast en zo ja, gelden voor die test of dat onderzoek in beide gevallen dezelfde criteria?

Wanneer geen rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van bescherming door niet-staatsactoren in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), en ervan uitgaande dat het antwoord op vraag 1) hierboven bevestigend is, dienen bij de beoordeling of de bescherming doeltreffend of beschikbaar is alleen beschermende handelingen/functies van staatsactoren in aanmerking te worden genomen of kan rekening worden gehouden met de beschermende handelingen/functies van particuliere actoren (het maatschappelijk middenveld), zoals families en/of clans?

Zijn – zoals is aangenomen in vragen 2) en 3) – de criteria voor het „beschermingsonderzoek” dat moet worden gevoerd wanneer beëindiging in de context van artikel 11, lid 1, onder e), wordt overwogen, dezelfde als die welke in de context van artikel 7 gelden?

____________

1 Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304,blz. 12).