Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Patent- and marknadsdomstol (Zweden) op 7 mei 2019 – Konsumentombudsman / Mezina AB

(Zaak C-363/19)

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Patent- and marknadsdomstol

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Konsumentombudsman

Verwerende partij: Mezina AB

Prejudiciële vragen

Regelen de artikelen 5 en 6, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 1, en artikel 28, lid 5, van verordening nr. 1924/20061 , de bewijslast wanneer een nationale rechter beoordeelt of niet-toegestane gezondheidsclaims zijn gedaan in een situatie waarin de gezondheidsclaims in kwestie overeenkomen met een claim die valt onder een aanvraag in de zin van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1924/2006, maar waarin de aanvraag nog niet heeft geleid tot een beslissing over het al dan niet verlenen van een vergunning, of wordt de bewijslast vastgesteld op grond van het nationaal recht?

Indien de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat de bepalingen van verordening nr. 1924/2006 de bewijslast regelen, rust de bewijslast dan op de handelaar die een bepaalde gezondheidsclaim doet of op de autoriteit die de nationale rechter verzoekt de handelaar te verbieden deze claim verder te gebruiken?

Regelen de artikelen 5 en 6, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 1, en artikel 28, lid 5, van verordening nr. 1924/2006 – in een situatie zoals beschreven in de eerste vraag – de bewijsvereisten wanneer een nationale rechter beoordeelt of niet-toegestane gezondheidsclaims worden gedaan of worden de bewijsvereisten vastgesteld op grond van het nationaal recht?

Indien de derde vraag aldus wordt beantwoord dat de bepalingen van verordening nr. 1924/2006 de bewijsvereisten regelen, wat zijn dan de toepasselijke bewijsvereisten?

Maakt het voor het beantwoorden van de eerste tot en met de vierde vraag verschil of verordening nr. 1924/2006 [met inbegrip van artikel 3, onder a), van de verordening] en richtlijn 2005/292 samen kunnen worden toegepast in de procedure voor de nationale rechter?

____________

1 Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB 2006, L 404, blz. 9).

2 Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22).