Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunalul Bihor (Roemenië) op 14 mei 2019 – Strafzaak tegen IG, JH, KI, LJ

(Zaak C-379/19)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Tribunalul Bihor

Partijen in het hoofdgeding

IG, JH, KI, LJ

Prejudiciële vragen

Zijn het bij beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 20061 ingestelde mechanisme voor samenwerking en toetsing en de vereisten die zijn geformuleerd in de in het kader van dat mechanisme opgestelde verslagen bindend voor Roemenië?

Dient artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, aldus te worden uitgelegd dat de verplichting voor Roemenië om zich te houden aan de vereisten in de verslagen die worden opgesteld in het kader van het bij beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 ingestelde mechanisme voor samenwerking en toetsing, valt onder de verplichting van de lidstaat om de beginselen van de rechtsstaat te eerbiedigen, met inbegrip van de verplichting van een grondwettelijk hof, een politiek-rechterlijke instantie, om zich ervan te onthouden de wet uit te leggen en de concrete toepassing daarvan door de rechterlijke instanties voor te schrijven, waar slechts de rechterlijke instanties toe bevoegd zijn, en nieuwe wettelijke normen vast te stellen, waartoe uitsluitend de wetgever bevoegd is? Schrijft het Unierecht voor dat de gevolgen van een dergelijke uitspraak van een grondwettelijk hof buiten toepassing worden gelaten? Verzet het Unierecht zich tegen een nationale regeling inzake de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van magistraten die de uitspraak van de Curtea Constituțională, in het kader van deze vraag, buiten toepassing laten?

Staat het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechters, dat is neergelegd in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Grote kamer, arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, EU:C:2018:117), in de weg aan de vervanging van hun bevoegdheden door arresten van de Curtea Constituțională (arrest nr. 51 van 16 februari 2016, arrest nr. 302 van 4 mei 2017 en arrest nr. 26 [van 16 januari 2019]), wat leidt tot onvoorspelbaarheid van het strafproces (toepassing met terugwerkende kracht) en tot de onmogelijkheid om de wet met betrekking tot het onderhavige geval uit te leggen en toe te passen? Verzet het Unierecht zich tegen een nationale regeling inzake de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van magistraten die de uitspraak van de Curtea Constituțională, in het kader van deze vraag, buiten toepassing laten?

____________

1 Beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie (PB 2006, L 354, blz. 56).