Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Trgovački sud u Zagrebu (Kroatië) op 28 maart 2019 – PARKING d.o.o. / SAWAL d.o.o.

(Zaak C-267/19)

Procestaal: Kroatisch

Verwijzende rechter

Trgovački sud u Zagrebu

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: PARKING d.o.o.

Verwerende partij: SAWAL d.o.o.

Prejudiciële vragen

Is een bepaling van nationaal recht, te weten artikel 1 van de Ovršni zakon (wet inzake de gedwongen executie, bekendgemaakt in de Narodne novine nrs. 112/12, 25/13, 93/14, 55/16 en 73/17), die notarissen de bevoegdheid verleent om op basis van een bewijskrachtig document door middel van het uitvaardigen van een bevel tot executie – als executoriale titel – zonder uitdrukkelijke toestemming van de schuldenaar, een in Kroatië gevestigde rechtspersoon, over te gaan tot gedwongen invordering van schulden, in overeenstemming met artikel 6, lid 1, EVRM en artikel 18 VWEU, gelet op de arresten van het Hof van Justitie in de zaken C-484/15 en C-551/15?

Kan de uitlegging die is gegeven in de arresten van het Hof van Justitie van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C-484/15, EU:2017:199) en Pula Parking (C-551/15, EU:2017:193) worden toegepast in de hierboven uiteengezette zaak Povrv-1614/2018, waarvan de verwijzende rechter kennis dient te nemen, en meer in het bijzonder, moet verordening nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat de notarissen in Kroatië, wanneer zij optreden in het kader van de bevoegdheden die hun door het nationale recht zijn toebedeeld in procedures van gedwongen executie op basis van een „bewijskrachtig document”, waarin de verwerende partijen in de executieprocedure in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigde rechtspersonen zijn, niet onder het begrip „gerecht” in de zin van die verordening vallen?

____________