Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) op 9 juli 2019 – NMI Technologietransfer GmbH / EuroNorm GmbH

(Zaak C-516/19)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Berlin

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: NMI Technologietransfer GmbH

Verwerende partij: EuroNorm GmbH

Prejudiciële vragen

Kan een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een economische activiteit uitoefent volgens artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/20141 , niet als kleine of middelgrote onderneming worden beschouwd op grond van het loutere feit dat 90 % van haar maatschappelijk kapitaal in handen is van een stichting naar burgerlijk recht, met een niet voor het dagelijks bestuur bevoegd curatorium bestaande uit 17 personen waarvan er twee vertegenwoordigers zijn van een ministerie, één de burgemeester van een stad, één de rector van een universiteit, drie professoren van die universiteit, één de president van een andere hogeschool en één de algemeen directeur van een kamer van industrie en koophandel?

Zijn openbare universiteiten en hogescholen en Duitse kamers van koophandel en industrie overheidsinstanties in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014?

Zijn personen die op vrijwillige basis zitting hebben in het curatorium van een stichting, overheidsinstanties in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 louter op grond van het feit dat zij hun hoofdberoep in dienst van een overheidsinstantie uitoefenen?

Is het voor het bestaan van zeggenschap van overheidsinstanties in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 bepalend dat de organen van de overheidsinstanties de vrijwillige leden van het curatorium op grond van een rechtsverhouding aanwijzingen kunnen geven om in het curatorium op een bepaalde wijze te stemmen?

Is het voor het bestaan van indirecte zeggenschap over de stemrechten door overheidsinstanties bepalend dat vaststaat dat de overheidsinstanties invloed uitoefenen op leden van het curatorium om deze ertoe aan te zetten hun stemrechten op de door de overheidsinstanties bepaalde wijze te benutten?

Is reeds dan sprake van indirecte zeggenschap over de stemrechten door overheidsinstanties wanneer de mogelijkheid bestaat dat vrijwillige leden van het curatorium bij hun activiteit binnen het curatorium rekening houden met de belangen van de openbare instanties waarvan zij afkomstig zijn?

Is het voor het bestaan van „gezamenlijk[e] [...] zeggenschap” in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 bepalend dat een gezamenlijke wilsvorming van de overheidsinstanties met betrekking tot de stemrechten kan worden vastgesteld?

Is het voor het „[hebben van] zeggenschap” in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 bepalend hoe de statuten door de stichting daadwerkelijk worden geïmplementeerd dan wel hoe de bewoordingen van de statuten mogelijkerwijs worden geïnterpreteerd?

____________

1 Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB 2014, L 187, blz. 1).