Hogere voorziening ingesteld op 5 juni 2019 door Inpost S.A. tegen het arrest van het Gerecht van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken T-282/16 en T-283/16, Inpost Paczkomaty en Inpost / Commissie

(Zaak C-432/19 P)

Procestaal: Pools

Partijen

Rekwirante: Inpost S.A. (vertegenwoordigers: W. Knopkiewicz, radca prawny)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Republiek Polen

Conclusies

het arrest van het Gerecht vernietigen;

het besluit nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en in die van de procedure voor het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: schending van artikel 106, lid 2, VWEU – onjuiste vaststelling door het Gerecht dat is voldaan aan de vereisten van punt 19 (onderdeel 2.6) [van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2011)], schending van de beginselen van het Verdrag inzake de plaatsing van overheidsopdrachten (discriminatieverbod, gelijkheidsbeginsel, transparantieverplichting), en onjuiste uitlegging van artikel 7, lid 2, van richtlijn 97/67/EG (postrichtlijn). De door de lidstaten gehanteerde middelen om het verrichten van universele diensten te financieren dienen in overeenstemming te zijn met zowel de beginselen van non-discriminatie, transparantie en gelijke behandeling (met inbegrip van de selectie van de leverancier van de universele postdienst op basis van mededinging) zoals die voortvloeien uit de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheden van de interne markt, als met artikel 106, lid 2, VWEU, hetgeen in de onderhavige zaak niet het geval is.

Tweede middel: schending van artikel 106, lid 2, VWEU – onjuiste vaststelling door het Gerecht dat is voldaan aan de vereisten van de punten 14 (onderdeel 2.2) en 60 (onderdeel 2.10) [van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2011)]. Ook al zou de aan de Poolse post (Poczta Polska) opgelegde openbaredienstverplichting voldoen aan de vereisten van de postrichtlijn, er kan niet worden afgezien van het consulteren van het publiek of van het gebruik van andere passende middelen om rekening te houden met de belangen van gebruikers en aanbieders van diensten, teneinde te bewijzen wat precies de noden inzake universeledienstverlening zijn.

Derde middel: schending van artikel 106, lid 2, VWEU – onjuiste vaststelling door het Gerecht dat is voldaan aan de vereisten van punt 52 (onderdeel 2.9) [van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2011)], alsmede schending van artikel 7, leden 1, 3 en 5, van richtlijn 97/67/EG. Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat het compensatiefonds voldoet aan de vereiste van non-discriminatie met betrekking tot de uniforme maximumbijdrage van 2 % van de inkomsten van de aanbieder van universele diensten of van vergelijkbare diensten; dit percentage van de door de leveranciers te betalen verplichte bijdrage geldt op eenvormige wijze voor alle exploitanten, hetgeen discriminerend is, aangezien de situatie van de leveranciers van universele diensten en die van de leveranciers van vergelijkbare diensten verschillend is. Bovendien heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat het compensatiefonds ook voldoet aan het evenredigheidsvereiste.

Tijdens de consultaties over de omstandigheden die aan de wetswijziging ten grondslag lagen, verschilden de voorwaarden van het compensatiefonds aanzienlijk van de uiteindelijk in de postwet vastgestelde voorwaarden, zodat niet kan worden aangenomen dat de oprichting van het fonds het onderwerp van consultatie is geweest.

Volgens de voorwaarden voor de financiering van de universele dienst hoeft niet te worden beoordeeld of de gemaakte nettokosten een onevenredige belasting voor de leverancier van de universele dienst vormen. De automatische koppeling van de financiering van de dienst aan het ontstaan van een boekhoudkundig verlies met betrekking tot de universele dienstverlening kan niet worden opgevat als het voldoen aan de eisen van de postrichtlijn.

Vierde middel: schending door het Gerecht van artikel 7, lid 1, van de postrichtlijn door te aanvaarden dat de kosten van de universele dienst worden gefinancierd door een aantal aan de Poolse post verleende uitsluitende en bijzondere rechten. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de postrichtlijn verlenen of handhaven de lidstaten niet langer uitsluitende of bijzondere rechten voor de vestiging en levering van postdiensten. Anders dan het Gerecht meent, zijn de aan de Poolse post verleende bijzondere en uitsluitende rechten duidelijk niet opgenomen in de lijst van uitzonderingen waarin de postrichtlijn voorziet.

____________