Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 3 juli 2019 – M.F. / J.M.

(Zaak C-508/19)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Najwyższy

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: M.F.

Verwerende partij: J.M.

Prejudiciële vragen

Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 267, derde alinea, VWEU aldus worden uitgelegd dat een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie van een lidstaat in een procedure tot vaststelling van het niet-bestaan van een dienstbetrekking kan beslissen dat een persoon aan wie een akte van benoeming als rechter bij die rechterlijke instantie is afgegeven die is opgemaakt op basis van met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming strijdige voorschriften of die is opgemaakt op een niet met dit beginsel strokende wijze, geen rechter is wanneer een aan de afgifte van deze akte voorafgaande beoordeling van deze vraag door een rechterlijke instantie met opzet is verhinderd?

Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2 en artikel 4, lid 3, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU aldus worden uitgelegd dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming wordt geschonden wanneer een akte van benoeming als rechter wordt afgegeven nadat een nationale rechterlijke instantie een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van het Unierecht heeft ingediend van de beantwoording waarvan afhangt of de nationale voorschriften op grond waarvan die akte is afgegeven, als verenigbaar met het Unierecht kunnen worden aangemerkt?

Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten aldus worden uitgelegd dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming wordt geschonden door het feit dat het recht op toegang tot een gerecht niet is gewaarborgd wanneer de akte van benoeming als rechter bij een rechterlijke instantie van een lidstaat is afgegeven overeenkomstig een benoemingsprocedure die in strijd met het recht van die lidstaat is uitgevoerd?

Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2 en artikel 4, lid 3, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, gelezen in samenhang met artikel 267, derde alinea, VWEU aldus worden uitgelegd dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming wordt geschonden door het feit dat de nationale wetgever binnen de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie van de lidstaat een organisatorische eenheid heeft opgericht die geen gerecht is in de zin van het Unierecht?

Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2 en artikel 4, lid 3, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, gelezen in samenhang met artikel 267, derde alinea, VWEU aldus worden uitgelegd dat de beslissing over de vraag of een persoon aan wie een akte van benoeming als rechter bij een in laatste aanleg rechtsprekend gerecht is afgegeven, een dienstbetrekking als rechter en de hoedanigheid van rechter heeft, niet kan worden genomen door een naar nationaal recht bevoegde organisatorische eenheid waarin de betrokkene is benoemd en die uitsluitend is samengesteld uit personen wier benoemingsakten de in de vragen 2 tot en met 4 genoemde tekortkomingen vertonen, en die dus geen gerecht is in de zin van het Unierecht, maar alleen door een andere organisatorische eenheid binnen die rechterlijke instantie die wel voldoet aan de vereisten van het Unierecht met betrekking tot een gerecht?

____________