Hogere voorziening, op 12 juni 2019 door Stephan Fleig ingesteld tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 2 april 2019 in zaak T-492/17, Stephan Fleig / Europese Dienst voor extern optreden

(Zaak C-446/19 P)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Stephan Fleig (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Europese Dienst voor extern optreden (EDEO)

Conclusies

volledige vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Eerste kamer) van 2 april 2019 in zaak T-492/17;

nietigverklaring van het besluit van 19 september 2016 waarbij de directeur van het directoraat Personeelszaken van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), in zijn hoedanigheid van het tot het aangaan van de aanstellingsovereenkomst bevoegde gezag, verzoekers aanstellingsovereenkomst van onbepaalde duur met ingang van 19 juni 2017 heeft beëindigd, en veroordeling van EDEO tot vergoeding van de immateriële schade die de onrechtmatige beëindiging van die overeenkomst heeft veroorzaakt;

subsidiair, vernietiging van het arrest en terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht,

verwijzing van EDEO in de kosten van beide instanties.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant de volgende zes middelen aan:

Ten eerste stelt rekwirant dat inbreuk is gemaakt op zijn in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces, en dat het beginsel van processuele gelijkheid is geschonden. Volgens rekwirant heeft het Gerecht zijn verzoek om EDEO te gelasten bepaalde relevante e-mails over te leggen niet toegewezen, hetgeen zijn vermogen om verweer te voeren ernstig heeft aangetast.

Ten tweede voert rekwirant aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de op het bestuur rustende zorgplicht. Het Gerecht is voorbijgegaan aan het feit dat EDEO reeds vóór de beëindiging van de aanstellingsovereenkomst van rekwirant had bijgedragen tot de verslechtering van diens geestelijke gezondheid, en dus ook tot de vermindering van diens vermogen om zijn verplichtingen na te komen.

Ten derde verwijt rekwirant het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan te nemen dat het niet hoefde na te gaan of en in hoeverre rekwirant wegens zijn gezondheidstoestand niet kon voldoen aan de krachtens het Statuut van de ambtenaren op hem rustende verplichting om zijn verblijfplaats bekend te maken. Het Gerecht heeft eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te houden met de door rekwirant overgelegde medische adviezen, terwijl het zelf niet over de nodige deskundigheid beschikte en geen medisch advies had ingewonnen. Het Gerecht heeft voorts ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet in aanmerking te nemen dat EDEO ten nadele van rekwirant rekening heeft gehouden met de gevolgen van diens geestesziekte.

Ten vierde betoogt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat hij zijn uit artikel 7 van bijlage II bij het Statuut voortvloeiende verplichting en zijn loyaliteits- en medewerkingsplicht niet was nagekomen doordat hij had „geweigerd om zelf zijn arts aan te wijzen voor de invaliditeitscommissie”. Bijgevolg heeft het Gerecht de motivering van zijn arrest ten onrechte gebaseerd op een omstandigheid die EDEO zelf niet aan rekwirant had verweten in de motivering van zijn besluit.

Ten vijfde voert rekwirant aan dat het Gerecht uit het feit dat rekwirant tevergeefs een aantal buitengerechtelijke verzoeken en klachten had ingediend, ten onrechte heeft afgeleid dat het tot aanstelling bevoegde gezag van EDEO rekwirant een gebrek aan medewerking en loyaliteit kon verwijten. Rekwirant betoogt dat de zienswijze van het Gerecht impliceert dat elk door het bestuur afgewezen verzoek van een personeelslid uiteindelijk rechtsmisbruik wordt beschouwd.

Ten zesde verwijt rekwirant het Gerecht dat het de aan zijn arrest ten grondslag liggende feiten – met name die welke verband houden met de verplichting van rekwirant om zijn verblijfplaats aan het bestuur mee te delen – in verschillende opzichten onjuist heeft opgevat.

____________