Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court (Ierland) op 26 juni 2019 – Minister for Justice and Equality / JR

(Zaak C-488/19)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

High Court

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Minister for Justice and Equality

Verwerende partij: JR

Prejudiciële vragen

Is het Kaderbesluit1 van toepassing in een situatie waarin de gezochte persoon is veroordeeld en bestraft in een derde staat, maar het vonnis van de derde staat krachtens een bilateraal verdrag tussen die derde staat en de uitvaardigende staat is erkend in de uitvaardigende staat en overeenkomstig het recht van de uitvaardigende staat ten uitvoer is gelegd?

Zo ja, hoe moet dan, in de situatie waarin de uitvoerende lidstaat de in artikel 4, lid 1, en artikel 4, lid 7, onder b), van het Kaderbesluit genoemde facultatieve gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in zijn nationale wetgeving heeft opgenomen, de uitvoerende rechterlijke instantie een strafbaar feit beoordelen dat zou zijn gepleegd in de derde staat, terwijl de omstandigheden rondom dat strafbare feit blijk geven van voorbereidingshandelingen die hebben plaatsgevonden in de uitvaardigende staat?

____________

1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1).