Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 26 juni 2019 – W.Ż.

(Zaak C-478/19)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Najwyższy

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: W.Z.

Andere partij: Prokurator Generalny zastępowany przez Prokuraturę Krajową, Rzecznik Praw Obywatelskich

Prejudiciële vraag

Moeten artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest van de grondrechten] en artikel 267 [VWEU], aldus worden uitgelegd dat er geen sprake is van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht, indien het daarbij gaat om een gerecht dat zitting houdt in een enkelvoudige kamer waarvan de zittende rechter in zijn ambt is benoemd onder kennelijke schending van de rechtsregels van de lidstaat inzake de benoeming van rechters, welke schending er met name in bestaat dat deze rechter is benoemd ofschoon het besluit van de nationale autoriteit (Krajowa Rada Sądownictwa, nationale raad voor de magistratuur) dat betrekking had op het verzoek tot benoeming van deze rechter eerder is aangevochten bij de bevoegde nationale rechter (Naczelny Sąd Administracyjny, hoogste bestuursrechter), de tenuitvoerlegging van dit besluit overeenkomstig het nationale recht is geschorst en de procedure voor de bevoegde nationale rechter (Naczelny Sąd Administracyjny) niet was beëindigd voordat de benoemingsakte is overhandigd?

____________