Hogere voorziening, op 8 juli 2019 door Jakov Ardalic e.a ingesteld tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 30 april 2019 in gevoegde zaken T-523/16 en T-542/16, Ardalic e.a./Raad

(Zaak C-518/19 P)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirerende partijen: Jakov Ardalic, Liliana Bicanova, Monica Brunetto, Claudia Istoc, Sylvie Jamet, Despina Kanellou, Christian Stouraitis, Abdelhamid Azbair, Abdel Bouzanih, Bob Kitenge Ya Musenga, El Miloud Sadiki, Cam Tran Thi (vertegenwoordigers: S. Orlandi, T. Martin, avocats)

Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europees Parlement

Conclusies

vernietiging van het bestreden arrest;

nietigverklaring van het besluit om rekwirerende partijen vanaf 2014 geen reisdagen of vergoeding van de jaarlijkse reiskosten meer toe te kennen;

verwijzing van de Raad in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirerende partijen voeren aan dat het bestreden arrest op verschillende punten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Ten eerste heeft het Gerecht in de punten 65 en 73 van het arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het de rechterlijke toetsing die het dient te verrichten, heeft beperkt tot „kennelijke” gevallen.

Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 68 tot en met 71 van het arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de situatie van rekwirerende partijen niet vergelijkbaar is met die van de personeelsleden die het voordeel van reisdagen of vergoeding van hun jaarlijkse reiskosten hebben behouden.

Ten derde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 67 en in de punten 78 tot en met 84 van het arrest te oordelen dat de litigieuze regeling geen schending van het evenredigheidsbeginsel oplevert.

____________