Hogere voorziening ingesteld op 18 juli 2019 door de International Tax Stamp Association Ltd (ITSA) tegen de beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 16 mei 2019 in zaak T-396/18, ITSA/Commissie

(Zaak C-553/19 P)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: International Tax Stamp Association Ltd (ITSA) (vertegenwoordiger: F. Scanvic, avocat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

Rekwirante verzoekt het Hof:

de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 16 mei 2019 in de zaak ITSA/Commissie (T-396/18) te vernietigen en rekwirantes procesbevoegdheid en -belang te erkennen;

gedelegeerde verordening (EU) 2018/573 van de Commissie van 15 december 2017 betreffende de centrale elementen van de gegevensopslagcontracten die als onderdeel van een traceringssysteem voor tabaksproducten moeten worden gesloten1 , alsook uitvoeringsverordening (EU) 2018/574 van de Commissie van 15 december 2017 inzake de technische normen voor de instelling en werking van een traceringssysteem voor tabaksproducten2 en uitvoeringsbesluit (EU) 2018/576 van de Commissie van 15 december 2017 inzake de technische normen voor op tabaksproducten aangebrachte veiligheidskenmerken3 , nietig te verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante voert in wezen aan dat het Gerecht haar belang om op te komen tegen gedelegeerde verordening 2018/573, uitvoeringsverordening 2018/574 en uitvoeringsbesluit 2018/576, heeft miskend. Het Gerecht heeft het door haar tegen deze drie Commissiehandelingen ingestelde beroep tot nietigverklaring dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Rekwirante meent dat de twee bestreden verordeningen haar en haar leden rechtstreeks raken. Ook de andere voorwaarden van artikel 263 VWEU zijn volgens haar vervuld. Bovendien zijn weliswaar voor het grootste deel van het bestreden besluit uitvoeringsmaatregelen van de lidstaten vereist, maar dat is niet het geval voor artikel 3, lid 2, ervan, dat bepaalt dat voor een van de vijf op tabaksproducten aan te brengen veiligheidselementen een beroep kan worden gedaan op een onafhankelijke externe aanbieder. Laatstgenoemde bepaling volstaat op zichzelf.

Ten gronde betoogt rekwirante dat de bestreden handelingen in strijd zijn met artikel 8 van het Protocol betreffende de uitbanning van illegale handel in tabaksproducten4 . Volgens deze bepaling mag het markeren van tabaksproducten niet worden toevertrouwd aan de tabaksindustrie, terwijl de drie bestreden Commissiehandelingen dat juist wel doen. Rekwirante voegt daaraan toe dat hoewel dit protocol nog niet in werking is getreden, de Unie het heeft ondertekend en gesloten, zodat de Unie geen daarmee strijdige handelingen mag vaststellen.

Dat richtlijn 2014/40/EU5 niet uitdrukkelijk verbiedt dat de betrokken markeringsactiviteiten worden verricht door de tabaksindustrie, doet volgens rekwirante niet ter zake: deze richtlijn kan en moet in overeenstemming met het protocol worden uitgelegd, en gesteld al dat een dergelijke uitlegging niet mogelijk is, is het de richtlijn zelf die in strijd is met dat protocol en, bijgevolg, met de Europese Verdragen.

____________

1 PB 2018, L 96, blz. 1.

2 PB 2018, L 96, blz. 7.

3 PB 2018, L 96, blz. 57.

4 Eerste protocol bij het Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging van de Wereldgezondheidsorganisatie, vastgesteld te Seoul op 12 november 2012.

5 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG (PB 2014, L 127, blz. 1).