Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. PITRUZZELLA

van 19 november 2019 (1)

Zaak C653/19 PPU

Strafzaak tegen

DK,

in tegenwoordigheid van:

Spetsializirana prokuratura

[verzoek van de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Vermoeden van onschuld – Bewijslast – Beslissing met betrekking tot de vaststelling van schuld – Rechterlijke toetsing van de voortzetting van de voorlopige hechtenis”






1.        De strafrechtsystemen van de lidstaten worden sterk gekenmerkt door een moeilijk op te lossen tegenstrijdigheid. Terwijl het beginsel van het vermoeden van onschuld als onaantastbaar geldt en echt de grondslag is voor de Europese strafrechtelijke identiteit, wordt er intens gebruikgemaakt van de voorlopige hechtenis.(2) De aan het Hof in het kader van deze prejudiciële verwijzing voorgelegde vraag is of en in hoeverre richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn(3), de strafrechtelijke ruimte van de Europese Unie vollediger en evenwichtiger heeft kunnen maken(4) wat de wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis betreft.

I.      Toepasselijke bepalingen

A.      Richtlijn 2016/343

2.        Uit overweging 16 van richtlijn 2016/343 blijkt dat „[h]et vermoeden van onschuld zou worden geschonden wanneer in openbare verklaringen van overheidsinstanties of in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld een verdachte of beklaagde als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. [...] Dit mag [geen] afbreuk doen aan voorlopige beslissingen van procedurele aard, die worden genomen door rechterlijke of andere bevoegde instanties en die zijn gebaseerd op een verdenking of op belastende bewijzen, zoals beslissingen inzake voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat in dergelijke beslissingen de verdachte of de beklaagde niet als schuldig wordt aangeduid. Alvorens een voorlopige beslissing van procedurele aard te nemen moet de bevoegde instantie wellicht eerst nagaan of er voldoende belastende bewijzen jegens de verdachte of beklaagde zijn die de betrokken beslissing rechtvaardigen, en in de beslissing kan daarnaar worden verwezen.”

3.        Overweging 22 van deze richtlijn luidt dat „[d]e bewijslast voor het aantonen van de schuld van de verdachte of beklaagde [...] op de vervolgende instantie [rust], en enige twijfel [...] ten gunste van de beklaagde [moet] komen. Het vermoeden van onschuld zou worden geschonden indien de bewijslast zou worden verschoven van de vervolgende instantie naar de verdediging; dit doet echter geen afbreuk aan bevoegdheden van rechters om ambtshalve feitenonderzoek te doen, noch aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de beoordeling van de schuld van de verdachte of beklaagde. Evenmin doet het afbreuk aan het gebruik van wettelijke of feitelijke vermoedens inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte of beklaagde. Dergelijke vermoedens moeten binnen redelijke grenzen blijven, rekening houdend met het belang van wat er op het spel staat en de handhaving van de rechten van de verdediging. Daarnaast dienen de gehanteerde middelen in redelijke verhouding te staan tot het legitieme doel dat wordt nagestreefd. Dergelijke vermoedens moeten weerlegbaar zijn en mogen in ieder geval alleen dan worden gebruikt wanneer de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd.”

4.        Artikel 1 van deze richtlijn luidt als volgt:

„Deze richtlijn bevat gemeenschappelijke minimumvoorschriften inzake:

a)      bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld in strafprocedures;

b)      het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn.”

5.        Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt dat zij „van toepassing [is] op natuurlijke personen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures. Zij is van toepassing op elk stadium van strafprocedures, vanaf het moment waarop iemand ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit of een vermeend strafbaar feit te hebben begaan, tot de beslissing inzake de uiteindelijke vaststelling of de betrokkene het strafbaar feit heeft begaan onherroepelijk is geworden.”

6.        Artikel 6 van deze richtlijn, met als opschrift „Bewijslast”, bepaalt:

„1.            De lidstaten zorgen ervoor dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust. Dit doet geen afbreuk aan enige verplichting voor de rechter of de bevoegde rechtbank om zowel belastende en ontlastende bewijzen te zoeken, noch aan het recht van de verdediging om overeenkomstig het nationale recht bewijsmateriaal aan te brengen.

2.            De lidstaten waarborgen dat iedere twijfel over de schuldvraag in het voordeel van de verdachte of de beklaagde werkt, ook wanneer de rechter beoordeelt of de betrokkene moet worden vrijgesproken.”

1.      Bulgaars recht

7.        Artikel 270 van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) luidt:

„(1)      Op elk moment van het geding kan worden verzocht om omzetting van de dwangmaatregel. Indien sprake is van gewijzigde omstandigheden, kan bij de bevoegde rechter een nieuw verzoek betreffende de dwangmaatregel worden ingediend.

(2)      De rechtbank doet uitspraak bij een ter openbare terechtzitting gegeven beschikking.”

II.    Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8.        DK was op de plaats van een schietpartij, waarbij een persoon werd gedood en een andere persoon ernstig gewond raakte. Na de schietpartij is DK op de plaats delict gebleven en heeft hij zich aan de politie overgegeven. Voor deze feiten is hij beschuldigd van lidmaatschap van een criminele organisatie en van moord, en is hij op 11 juni 2016 in voorlopige hechtenis genomen. Het openbaar ministerie betoogt dat DK aansprakelijk is voor de dood van het slachtoffer. DK stelt dat hij uit noodweer heeft gehandeld.

9.        Op 9 november 2017 is de gerechtelijke fase van de strafprocedure tegen DK aangevangen. DK heeft op 5 februari 2018 een eerste verzoek om invrijheidstelling ingediend, dat werd afgewezen. DK heeft minstens zes andere verzoeken om invrijheidstelling ingediend. Deze zijn in eerste aanleg en in hoger beroep alle afgewezen. Al deze verzoeken zijn onderzocht in het licht van de wettelijke eis dat sprake is van nieuwe omstandigheden die de rechtmatigheid van de hechtenis ter discussie stellen.

10.      De verwijzende rechter wijst erop dat het openbaar ministerie geen verzoek om voortzetting van de voorlopige hechtenis hoefde in te dienen. Deze hechtenis wordt voortgezet tenzij de verdediging het bewijs kan leveren dat zich een wijziging van de omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 270 van het Bulgaarse wetboek van strafvordering. De verwijzende rechter kan de invrijheidstelling slechts bevelen als de verdediging op overtuigende wijze kan bewijzen dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Volgens de verwijzende rechter verschuift artikel 270 van dat wetboek de bewijslast van de vervolgende instantie naar de verdediging en vestigt het een vermoeden van rechtmatigheid van de voortzetting van de hechtenis, dat door de verdediging moet worden weerlegd. Hij betwijfelt dat een dergelijke benadering in overeenstemming is met overweging 22 en artikel 6 van richtlijn 2016/343. De verwijzende rechter vermeldt ook het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) van 27 augustus 2019, Magnitskiy e.a. tegen Rusland(5), waarin het EHRM heeft geoordeeld dat het voor invrijheidstelling pleitende vermoeden geen stand houdt wanneer de voorlopige hechtenis naar nationaal recht wordt voortgezet indien er geen nieuwe omstandigheden zijn, en dat daarmee de bewijslast bij de verdediging komt te liggen. Het nationale recht kan dus ook in strijd zijn met artikel 5, lid 3, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

11.      De verwijzende rechter merkt bovendien op dat het nationale recht noch in de vaststelling van een maximumtermijn voor de voorlopige hechtenis, noch in ambtshalve periodieke toetsing voorziet.

12.      Tegen deze achtergrond heeft de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij op 4 september 2019 ter griffie van het Hof ingekomen en op 27 september 2019 bevestigde beslissing verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is een nationale wettelijke regeling volgens welke een verzoek van de verdediging om opheffing van de hechtenis van de beklaagde in de gerechtelijke fase van de strafprocedure slechts kan worden ingewilligd onder de voorwaarde dat zich een verandering in de omstandigheden heeft voorgedaan, verenigbaar met artikel 6 en overweging 22 van richtlijn 2016/343 en met de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‚Handvest’)]?”

III. Procedure bij het Hof

13.      Dit verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend op 4 september 2019. Daar er twijfel was over de stand van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, heeft het Hof die rechter om inlichtingen verzocht, waarop hij op 13 september 2019 heeft geantwoord. Op 25 september 2019 heeft de verwijzende rechter het Hof meegedeeld dat de beslissing tot invrijheidstelling van DK door de rechter in tweede aanleg was vernietigd. De verwijzende rechter heeft op 27 september 2019 een buitengewone zitting gehouden waarop DK een nieuw verzoek om invrijheidstelling heeft geformuleerd. In deze omstandigheden heeft het Hof bij beslissing van 1 oktober 2019 besloten de prejudiciële verwijzing op grond van artikel 107, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering te behandelen volgens de spoedprocedure.

14.      DK en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Alleen de Commissie is gehoord ter terechtzitting van het Hof van 7 november 2019.

IV.    Analyse

A.      Voorafgaande beschouwingen

15.      De verwijzende rechter vraagt het Hof in wezen of nationale strafwetgeving volgens welke een beslissing tot voorlopige hechtenis in de gerechtelijke fase van de strafprocedure alleen kan worden opgeheven als er „nieuwe omstandigheden” zijn, verenigbaar is met artikel 6 van richtlijn 2016/343 en in voorkomend geval met het Handvest. De prejudiciële vraag moet echter worden gelezen in samenhang met de andere redenen voor het verzoek om een prejudiciële beslissing, waaruit meer in het bijzonder blijkt dat deze vraag verband houdt met het vraagstuk van de bewijslast. Met andere woorden, is een wettelijke regeling op grond waarvan de verdachte voor de beëindiging van zijn voorlopige hechtenis moet bewijzen dat er sprake is van nieuwe omstandigheden, verenigbaar met artikel 6 van richtlijn 2016/343?

16.      De eenvoud van de vraag aan het Hof doet geen recht aan het fundamentele belang ervan voor de Europese strafrechtelijke ruimte.

17.      Deze vraag rijst immers in een bijzondere context. De verwijzende rechter beschrijft in vrij zorgwekkende bewoordingen de stand van het nationale recht dat inzake voorlopige hechtenis van toepassing is. In het bijzonder is de voorlopige hechtenis niet beperkt in de tijd nadat de gerechtelijke fase van de strafprocedure is aangevangen. Artikel 270 van het Bulgaarse wetboek van strafvordering bepaalt weliswaar dat de verdachte op elk moment kan verzoeken om zijn voorlopige hechtenis op te heffen, maar het lijkt erop dat het in de praktijk heel moeilijk is om daadwerkelijk in vrijheid te worden gesteld of de dwangmaatregel te laten omzetten.(6)

18.      Ik kan dus niet nalaten mijn bezorgdheid te uiten over een dergelijke situatie. Deze bezorgdheid is van tweeërlei aard: ten eerste op microniveau, met betrekking tot de persoonlijke situatie van DK; ten tweede op macroniveau, met betrekking tot hetgeen deze zaak zegt over de realiteit van de Europese strafrechtelijke ruimte.

19.      In de eerste plaats is DK een verdachte: een verdachte is een persoon die nog niet als schuldig kan worden beschouwd en die zelfs mogelijk onschuldig is. Kunnen wij ons helemaal op ons gemak voelen bij het idee dat zijn hechtenis onbeperkt is in de tijd? Is het geen verkeerde woordkeus om dan te blijven spreken van voorlopige hechtenis? Het is weliswaar niet aan mij om vraagtekens te plaatsen bij de keuze van de lidstaten voor regelingen waarbij intens gebruik wordt gemaakt van de voorlopige hechtenis(7), maar bij elke analyse van deze kwestie moet mijns inziens in gedachten worden gehouden dat het mogelijk onschuldigen zijn die, over het algemeen in nogal ellendige omstandigheden, wachten tot over hun strafrechtelijke lot wordt beslist.

20.      In de tweede plaats is mijn bezorgdheid gerechtvaardigd door de omstandigheid dat er op dit gebied nagenoeg geen sprake is van Europese harmonisatie, zoals ik wat verder zal aantonen. In deze zaak moet worden vastgesteld dat het Unierecht zijn beperkingen heeft. Het is triest te moeten constateren dat het Unierecht weinig doeltreffend is waar het gaat om een zo fundamentele kwestie als de duur van de voorlopige hechtenis en de voorwaarden waaronder een beslissing tot voorlopige hechtenis kan worden aangevochten bij de rechter. De onbevoegdheid van de Unie om op dat gebied op te treden, kan niet voor alles een excuus zijn.

21.      Wat niet door de Unie wordt gewaarborgd, kan in strafzaken uiteraard door het EHRM worden gewaarborgd. Deze zaak kan dan worden beschouwd als een gelegenheid voor het Hof om zijn rol van wisselwachter van bevoegdheden uit te oefenen.(8) Het spreekt voor zich dat wat niet door het Unierecht is geregeld, niet noodzakelijkerwijs buiten het recht zelf ligt. Ik kom hierop terug, maar het EHRM heeft belangrijke beginselen ontwikkeld waar het gaat om de beoordelingsmarge die de staten die partij zijn bij het EVRM op het gebied van beslissingen inzake voorlopige hechtenis hebben. Hoelang zou DK echter nog in voorlopige hechtenis moeten blijven voordat het hof van Straatsburg zich over de zaak zou uitspreken? Is dat voor hem überhaupt een mogelijkheid, aangezien zijn vertegenwoordigers, misschien om economische redenen, niet hebben deelgenomen aan de terechtzitting van het Hof?

22.      Afgezien van de vraag over de verhoudingen tussen de rechtsstelsels, is het dringend wenselijk dat de Uniewetgever zorgt voor een – zij het slechts minimale – harmonisatie van de voorlopige hechtenis, want op termijn is de Europese strafrechtelijke ruimte in gevaar. Justitiële samenwerking in strafzaken is immers slechts mogelijk als het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten wordt versterkt, en van sereen vertrouwen kan geen sprake zijn als de lidstaten met name waar het gaat om voorlopige hechtenis – die zoals gezegd een uitzondering op het recht op vrijheid, de hoeksteen van onze juridische beschaving, vormt die zo beperkt mogelijk moet blijven – dermate tegenstrijdige normen hanteren.

23.      Ondanks mijn bezorgdheid en droefheid over de huidige stand van het Unierecht, zal ik na een strikt juridische analyse toch alleen maar kunnen vaststellen dat richtlijn 2016/343 geen oplossing biedt voor de situatie van DK.

B.      Beantwoording van de prejudiciële vraag

24.      Verplicht artikel 6 van richtlijn 2016/343 de lidstaten ertoe de bewijslast bij de vervolgende instantie te leggen wanneer de verdediging verzoekt om de voorlopige hechtenis te beëindigen nadat de gerechtelijke fase van de strafprocedure is aangevangen? Om deze vraag te beantwoorden, zal ik om te beginnen aantonen dat richtlijn 2016/343 geen regels voorschrijft met betrekking tot de voorwaarden waaronder een beslissing tot voortzetting van de voorlopige hechtenis kan worden aangevochten. Deze tussentijdse conclusie zal vervolgens worden getoetst aan de rechtspraak van het Hof betreffende richtlijn 2016/343 en beslissingen inzake voorlopige hechtenis. Tot slot zal ik de analyse afsluiten met een weergave van de eisen van het EHRM.

1.      Letterlijke, systematische, historische en teleologische uitlegging van richtlijn 2016/343

25.      Om te beginnen merk ik op dat het verband tussen de situatie in het hoofdgeding en artikel 6 van richtlijn 2016/343 niet zeer duidelijk is.

26.      Het is juist dat richtlijn 2016/343 bepaalt dat zij van toepassing is „op natuurlijke personen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures”.(9) Het staat vast dat DK binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 2016/343 valt.

27.      Voorts is deze richtlijn van toepassing „op elk stadium van strafprocedures”, dat wil zeggen vanaf het moment waarop iemand ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben begaan, tot de beslissing inzake de uiteindelijke vaststelling of de betrokkene het strafbare feit heeft begaan onherroepelijk is geworden.(10) De periode waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, maakt volledig deel uit van deze procedure, zodat de situatie in het hoofdgeding in beginsel binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/343 valt.(11) Het is evenwel duidelijk dat niet elk artikel van deze richtlijn noodzakelijkerwijs van toepassing is op elk stadium van de strafprocedure.(12)

28.      Is het doel van artikel 6 van richtlijn 2016/343 wel om de bewijslast te regelen in procedures waarmee wordt opgekomen tegen de voortzetting van de voorlopige hechtenis? Ik ben daar niet van overtuigd.

29.      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat dit artikel onderdeel uitmaakt van een groter hoofdstuk over het vermoeden van onschuld. Richtlijn 2016/343 bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat verdachten en beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan.(13) In het bijzonder mag een verdachte of beklaagde in openbare verklaringen van overheidsinstanties en in rechterlijke beslissingen niet als schuldig worden aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan.(14) Dit mag echter „geen afbreuk [doen] aan handelingen van de vervolgende instanties die erop zijn gericht te bewijzen dat de verdachte of beklaagde schuldig is, noch aan voorlopige beslissingen van procedurele aard, die zijn genomen door rechterlijke of andere bevoegde instanties, en die zijn gebaseerd op verdenkingen of belastend bewijsmateriaal”.(15) Over de manier waarop het vermoeden van onschuld moet worden geëerbiedigd in openbare verklaringen en voorlopige beslissingen van procedurele aard, kan ter verduidelijking van de bewoordingen van artikel 4 van richtlijn 2016/343 worden gekeken naar overweging 16 van die richtlijn, waaruit blijkt dat niets eraan in de weg staat dat in een tenlastelegging de betrokken persoon als mogelijk schuldig wordt aangeduid. De eerbiediging van het vermoeden van onschuld mag „evenmin afbreuk doen aan voorlopige beslissingen van procedurele aard [...], zoals beslissingen inzake voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat in dergelijke beslissingen de verdachte of de beklaagde niet als schuldig wordt aangeduid. Alvorens een voorlopige beslissing van procedurele aard te nemen moet de bevoegde instantie wellicht eerst nagaan of er voldoende belastende bewijzen jegens de verdachte of beklaagde zijn die de betrokken beslissing rechtvaardigen, en in de beslissing kan daarnaar worden verwezen.”(16) Bijgevolg wordt hier uitsluitend naar beslissingen inzake voorlopige hechtenis verwezen in het kader van verklaringen van openbare en rechterlijke instanties, waarin de verdachte of de beklaagde dus niet als schuldig mag worden aangeduid krachtens richtlijn 2016/343.

30.      Wat de bewijslast zelf betreft, bepaalt artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343, waarop de prejudiciële vraag precies betrekking heeft, dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust. Dit doet „geen afbreuk aan enige verplichting voor de rechter of de bevoegde rechtbank om zowel belastende en ontlastende bewijzen te zoeken, noch aan het recht van de verdediging om overeenkomstig het nationale recht bewijsmateriaal aan te brengen”.(17) Twijfel moet in het voordeel van de verdachte of de beklaagde werken, „ook wanneer de rechter beoordeelt of de betrokkene moet worden vrijgesproken”.(18) Overweging 22 van richtlijn 2016/343 strekt ertoe de bedoeling van de wetgever toe te lichten. Uit deze overweging blijkt dat het hier gaat om de bewijslast voor het aantonen van de schuld van de verdachte of beklaagde en dat deze bewijslast op de vervolgende instantie moet rusten. De Uniewetgever lijkt te hebben erkend dat, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het vermoeden van onschuld, gebruik kan worden gemaakt van wettelijke of feitelijke vermoedens inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte of beklaagde, op voorwaarde dat zij „binnen redelijke grenzen blijven, rekening houdend met het belang van wat er op het spel staat en de handhaving van de rechten van de verdediging. Daarnaast dienen de gehanteerde middelen in redelijke verhouding te staan tot het legitieme doel dat wordt nagestreefd. Dergelijke vermoedens moeten weerlegbaar zijn en mogen in ieder geval alleen dan worden gebruikt wanneer de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd.”(19)

31.      Hoewel artikel 4 van richtlijn 2016/343 uitdrukkelijk verwijst naar voorlopige beslissingen van procedurele aard, zoals beslissingen inzake voorlopige hechtenis(20), moet worden vastgesteld dat artikel 6 van deze richtlijn geen dergelijke verwijzing bevat. Dat is evenmin het geval in overweging 22 van deze richtlijn. Dit valt mijns inziens te verklaren door het feit dat de Uniewetgever hier uitgaat van een andere fase van de strafprocedure, te weten die van de vaststelling van de schuld.(21) Met betrekking tot beslissingen inzake voorlopige hechtenis heeft artikel 4 van richtlijn 2016/343 als enig doel ervoor te zorgen dat verdachten in deze beslissingen niet als schuldig worden aangeduid. Aangezien de beslissing inzake voorlopige hechtenis geen beslissing over de schuld van deze personen is, zoals richtlijn 2016/343 overigens uitdrukkelijk voorschrijft(22), valt een dergelijke beslissing mijns inziens niet binnen de werkingssfeer van artikel 6 van de richtlijn.

32.      Een dergelijke uitlegging lijkt niet te worden ontkracht door de formulering van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2016/343, dat bepaalt dat iedere twijfel in het voordeel van de verdachte moet werken. Aangezien over de voorlopige hechtenis wordt beslist voordat uitspraak wordt gedaan over de schuld – dat wil zeggen in een fase van de strafprocedure waarin nog geen overtuiging aangaande de schuld kan zijn verworven en dus nog steeds twijfel over de schuldvraag bestaat –, zou het aantal gevallen van voorlopige hechtenis sterk verminderen als artikel 6, lid 2, van richtlijn 2016/343 zou worden toegepast op beslissingen inzake voorlopige hechtenis, zoals ook de Commissie terecht heeft opgemerkt.(23)

33.      Een beperkte uitlegging van artikel 6 van richtlijn 2016/343 in die zin dat het niet als doel heeft de verdeling van de bewijslast te regelen voor de vaststelling van de beslissingen inzake voorlopige hechtenis, wordt mijns inziens ook ondersteund door een historische analyse van deze richtlijn. Punt 16 van de toelichting bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn(24), vermeldt dat de voorlopige hechtenis volgens de Commissie „niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn [viel]”, aangezien de Unie daarvoor reeds afzonderlijke initiatieven had genomen. De thans nog altijd beperkte reikwijdte van deze andere wetgevingsinitiatieven(25) kan niet rechtvaardigen dat richtlijn 2016/343 ruimer zou worden uitgelegd dan zij toestaat. Ik merk in dat verband nog op dat het voorstel van het Parlement is afgewezen om alleen in artikel 4 een uitdrukkelijke verwijzing naar de voorlopige hechtenis op te nemen.(26)

34.      Zoals ik hierboven in herinnering heb gebracht, is het doel van richtlijn 2016/343 bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld te versterken teneinde het wederzijdse vertrouwen in elkaars strafrechtsstelsels en de wederzijdse erkenning van vonnissen en andere beslissingen van rechterlijke instanties te versterken.(27) Overeenkomstig haar rechtsgrondslag(28) heeft richtlijn 2016/343 minimumvoorschriften ingevoerd die slechts betrekking hebben op bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld in strafprocedures.(29)

35.      Het Hof heeft tot dusver bijzondere nadruk op deze minimale harmonisatie gelegd om de reikwijdte van richtlijn 2016/343 ten aanzien van de nationale regelingen inzake voorlopige hechtenis te beperken.

2.      Richtlijn 2016/343 en beslissingen inzake voorlopige hechtenis in de rechtspraak van het Hof

36.      In zijn eerste arrest Milev(30) was het Hof verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid met de artikelen 3 en 6 van richtlijn 2016/343 van een door de Bulgaarse hoogste rechter uitgebracht advies volgens hetwelk het de nationale rechterlijke instanties die bevoegd zijn om uitspraak te doen op een beroep tegen een beslissing tot voorlopige hechtenis, vrijstond te beslissen of de voortzetting van de voorlopige hechtenis van een verdachte in de gerechtelijke fase van de strafzaak moest worden onderworpen aan een rechterlijke toetsing die ook betrekking had op de vraag of er nog altijd een redelijke verdenking bestond dat hij het hem verweten strafbare feit had gepleegd. Aangezien de vraag was gesteld toen richtlijn 2016/343 in werking was getreden, maar de termijn voor de omzetting ervan nog niet was verstreken, heeft het Hof enkel herinnerd aan de verplichtingen die voor de lidstaten tijdens die specifieke periode gelden(31) en vervolgens vastgesteld dat het betreffende advies de verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn 2016/343 na het verstrijken van de termijn voor de omzetting van die richtlijn niet ernstig in gevaar kon brengen, omdat het volgens dat advies de betrokken rechterlijke instanties vrijstond het EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM, dan wel het nationale strafprocesrecht toe te passen. In deze zaak richtte het antwoord van het Hof zich dus op de verplichting om gedurende de omzettingsperiode de verwezenlijking van het door richtlijn 2016/343 voorgeschreven resultaat niet ernstig in gevaar te brengen, en is de – onderliggende maar onderscheiden(32) – vraag naar de verenigbaarheid van het advies van de hoogste rechter, en ruimer de Bulgaarse wetgeving, met richtlijn 2016/343 niet onderzocht.

37.      In zijn tweede arrest Milev(33) was het Hof verzocht uit te maken of de artikelen 3, 4 en 10 van richtlijn 2016/343, gelezen in het licht van de overwegingen 16 en 48 van deze richtlijn en de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus moesten worden uitgelegd dat een nationale rechter bij het onderzoek of er in de zin van de nationale regeling een redelijke verdenking bestaat dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd – van welke verdenking de voortzetting van de hechtenis van de betrokken persoon afhankelijk is gesteld –, kan volstaan met de vaststelling dat deze persoon op het eerste gezicht mogelijkerwijs een strafbaar feit heeft gepleegd, dan wel of die rechter moet nagaan of die persoon dat strafbare feit met grote waarschijnlijkheid heeft gepleegd. De verwijzende rechter verzocht het Hof ook om te verduidelijken of een nationale rechter zijn beslissing inzake een verzoek tot wijziging van een maatregel van voorlopige hechtenis krachtens de aangevoerde Unierechtelijke bepalingen mocht motiveren zonder de bewijzen à charge en à décharge te vergelijken, dan wel of die rechter deze bewijzen uitvoeriger diende te onderzoeken en een duidelijk antwoord diende te geven op de argumenten van de gedetineerde.(34)

38.      Na te hebben herinnerd aan de bewoordingen van de artikelen 2, 3, 4 en 10 van richtlijn 2016/343, heeft het Hof gepreciseerd dat deze richtlijn „blijkens artikel 1 en overweging 9 tot doel heeft voor strafprocedures gemeenschappelijke minimumvoorschriften over bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld [...] vast te stellen”.(35) Deze minimumvoorschriften hebben als doel het vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtsstelsels te versterken en aldus de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken.(36) Gelet op deze minimale harmonisatie, die in het arrest in het bijzonder is beklemtoond, heeft het Hof geoordeeld dat richtlijn 2016/343 „dan ook niet [kan] worden uitgelegd als een volledig en exhaustief instrument dat erop gericht is alle voorwaarden voor het nemen van een beslissing over voorlopige hechtenis vast te stellen”.(37) Het Hof heeft vervolgens voor recht verklaard dat artikel 3 en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343 „niet in de weg staan aan de vaststelling van voorlopige beslissingen van procedurele aard die gebaseerd zijn op verdenkingen of belastend bewijsmateriaal, zoals een beslissing van een rechterlijke instantie om een maatregel van voorlopige hechtenis te handhaven, op voorwaarde dat de gedetineerde in die beslissingen niet als schuldig wordt aangeduid”.(38) Voor het overige heeft het Hof geoordeeld dat „de vragen van de verwijzende rechter niet onder die richtlijn maar uitsluitend onder het nationale recht [vallen] voor zover hij [...] wenst te vernemen onder welke voorwaarden een beslissing over voorlopige hechtenis kan worden genomen en met name in welke mate hij overtuigd moet zijn omtrent de identiteit van de pleger van het strafbare feit, hoe hij de verschillende bewijzen dient te onderzoeken en hoe uitgebreid de motivering dient te zijn die hij moet verstrekken in antwoord op de voor hem aangevoerde argumenten”.(39) Nog duidelijker gezegd, richtlijn 2016/343 „regelt [...] niet onder welke voorwaarden beslissingen inzake voorlopige hechtenis kunnen worden genomen”.(40)

39.      Nog recenter heeft het Hof een beschikking gegeven op grond van artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering.(41) In wezen was aan het Hof de vraag voorgelegd of artikel 4 van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met overweging 16 van deze richtlijn, aldus moest worden uitgelegd dat het vermoeden van onschuld vereist dat de rechter bij zijn onderzoek of er een redelijke verdenking bestaat dat de verdachte het verweten strafbare feit heeft gepleegd, teneinde zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een beslissing tot voorlopige hechtenis, de aan hem overgelegde belastende en ontlastende bewijzen afweegt, en dat hij zijn beslissing niet enkel motiveert door het door hem gehanteerde bewijs te vermelden, maar door zich tevens uit te spreken over de bezwaren van de advocaat van de betrokkene.(42) Na te hebben vastgesteld dat de zaak „binnen het bredere kader[(43)] van het begrip ‚redelijke verdenking’ in de zin van artikel 5, lid 1, onder c), EVRM” viel(44), heeft het Hof de bewoordingen van de voor het antwoord op de prejudiciële vraag relevante bepalingen van richtlijn 2016/343 gehanteerd en vervolgens ter onderbouwing van zijn redenering ook naar artikel 6 van die richtlijn verwezen om daaruit af te leiden dat „[w]anneer een nationale rechter na beoordeling van het belastende en ontlastende bewijsmateriaal tot de conclusie komt dat er een redelijke verdenking bestaat dat een persoon de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, en dienovereenkomstig een voorlopige beslissing neemt, [...] die beslissing [...] niet [kan] worden gelijkgesteld met het aanduiden van de verdachte of beklaagde als schuldig aan het plegen van die feiten in de zin van artikel 4 van richtlijn 2016/343”.(45) Voorts heeft het Hof herinnerd aan zijn overwegingen in het arrest Milev over de minimale harmonisatie die wordt nagestreefd met richtlijn 2016/343, welke richtlijn „met betrekking tot de manier waarop de verschillende bewijzen dienen te worden onderzocht en hoe uitgebreid de motivering van een [...] beslissing [tot voorlopige hechtenis] dient te zijn”, niet kan worden uitgelegd als „een volledig en uitputtend instrument” dat erop gericht is „alle voorwaarden voor het nemen van een [dergelijke] beslissing [...] vast te stellen”.(46) Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat „de artikelen 4 en 6 van richtlijn 2016/343 [...] zich er niet tegen verzet[ten] dat de bevoegde rechter bij zijn onderzoek of er een redelijke verdenking bestaat dat de verdachte of beklaagde het verweten strafbare feit heeft gepleegd, teneinde zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een beslissing tot voorlopige hechtenis, de aan hem overgelegde belastende en ontlastende bewijzen afweegt, en dat hij zijn beslissing niet enkel motiveert door het door hem gehanteerde bewijs te vermelden, maar door zich tevens uit te spreken over de bezwaren van de advocaat van de betrokkene, op voorwaarde dat de verdachte of beklaagde in die beslissing niet als schuldig wordt aangeduid”.(47) De vaststelling dat artikel 6 van richtlijn 2016/343 „zich er niet tegen verzet”, kan in lijn met de eerdere rechtspraak van het Hof aldus worden uitgelegd dat het eenvoudigweg niet van toepassing is.(48) Alleen op die manier krijgt het dictum van de beschikking betekenis.(49)

3.      Beslissingen inzake voorlopige hechtenis in de rechtspraak van het EHRM

40.      Richtlijn 2016/343 legt het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces ten uitvoer, welke beginselen zijn neergelegd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest, waarnaar in de richtlijn uitdrukkelijk wordt verwezen.(50) Met het vermoeden van onschuld wordt beoogd eenieder te garanderen dat hij niet als schuldig aan een strafbaar feit wordt aangewezen of behandeld voordat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.(51) Richtlijn 2016/343 bevat bovendien een non-regressiebepaling volgens welke „[g]een enkele bepaling van deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die zijn vastgelegd in het Handvest, het EVRM [...] of [...] het recht van een lidstaat die een hoger beschermingsniveau biedt”.(52)

41.      De artikelen 47 en 48 van het Handvest verankeren respectievelijk het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en, zoals ik zojuist heb vermeld, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging. Uit de toelichting ad artikel 48 blijkt in het bijzonder dat dit artikel 48 hetzelfde is als artikel 6, leden 2 en 3, EVRM en, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als het recht dat door het EVRM wordt gewaarborgd.

42.      De door de verwijzende rechter vermelde rechtspraak van het EHRM betreft niet de verenigbaarheid van de betreffende situatie met artikel 6 EVRM, maar de verenigbaarheid ervan met artikel 5, lid 3, EVRM.(53)

43.      In zijn arrest Magnitskiy e.a. tegen Rusland(54) heeft het EHRM herinnerd aan de inmiddels vaste beginselen die het eerder had geformuleerd om te beoordelen of de voortzetting van de voorlopige hechtenis in overeenstemming was met het EVRM.

44.      Hoewel de voorlopige hechtenis toelaatbaar kan zijn op de in artikel 5, lid 1, onder c), EVRM genoemde gronden, stelt het derde lid van dit artikel „een aantal procedurele waarborgen” en bepaalt het met name „dat de duur van de voorlopige hechtenis redelijk moet zijn: zij is dus niet van onbeperkte duur”.(55) Het is een conditio sine qua non voor de rechtmatigheid van het in detentie houden van de aangehouden persoon dat er een redelijke verdenking blijft bestaan dat de betrokkene een strafbaar feit heeft gepleegd(56), maar na een „bepaalde periode” is dat niet langer voldoende. Het EHRM moet dan ten eerste vaststellen of de andere door de rechterlijke instanties aangevoerde gronden de vrijheidsontneming nog steeds rechtvaardigen, en ten tweede, wanneer deze gronden relevant en voldoende blijken, of de nationale autoriteiten met bijzondere spoed de procedure hebben voortgezet.(57) De autoriteiten dienen op overtuigende wijze aan te tonen dat iedere detentieperiode, hoe kort ook, gerechtvaardigd was.(58) Wanneer zij beslissen of een persoon vrijgelaten of gedetineerd moet worden, moeten zij nagaan of er geen andere middelen zijn om zijn verschijning ter terechtzitting te waarborgen.(59) Het EHRM heeft geoordeeld dat een dergelijke rechtvaardiging bestaat in geval van vluchtgevaar, gevaar van beïnvloeding van getuigen of het manipuleren van bewijs, en gevaar van collusie, recidive of verstoring van de openbare orde, of ingeval het noodzakelijk is om degene tegen wie de vrijheidsontnemende maatregel is genomen te beschermen.(60) Het heeft ook geoordeeld dat „er altijd een vermoeden voor invrijheidstelling pleit [...]. De verdachte dient tot aan zijn veroordeling als onschuldig te worden beschouwd en [artikel 5, lid 3, EVRM] heeft in wezen het doel om te verplichten tot voorlopige vrijlating zodra de voortzetting van de hechtenis niet meer redelijk is. [...] De legitimiteit van de voortzetting van de hechtenis van een verdachte moet in elk geval op basis van de specifieke kenmerken van de zaak worden beoordeeld. De voortzetting van de gevangenneming is in een bepaalde zaak alleen gerechtvaardigd wanneer er concrete aanwijzingen zijn dat er, ondanks het vermoeden van onschuld, een daadwerkelijk vereiste van algemeen belang is dat voorrang heeft op de regel van de eerbiediging van de individuele vrijheid.”(61) Daartoe moeten de rechterlijke instanties „met inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld, alle omstandigheden onderzoeken die kunnen duidelijk maken of uitsluiten dat dit algemeen belang bestaat, welk belang een afwijking van het in artikel 5 [EVRM] neergelegde beginsel rechtvaardigt. Op basis van in wezen de motivering van de genoemde beslissingen en de door de betrokkene in zijn middelen aangevoerde vaststaande feiten moet het Hof uitmaken of artikel 5, lid 3[, EVRM] al dan niet is geschonden.”(62)

45.      In het arrest Magnitskiy e.a. tegen Rusland(63) heeft het EHRM ook in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat de nationale autoriteiten het voor invrijheidstelling pleitende vermoeden hadden weerlegd en hadden vastgesteld dat bij gebreke van nieuwe omstandigheden de voorlopige hechtenis moest worden voortgezet. Het heeft eraan herinnerd dat volgens artikel 5 EVRM schendingen van het recht op vrijheid uitzonderlijk zijn en slechts toelaatbaar zijn in limitatief opgesomde en strikt omschreven gevallen.(64) Uit de rechtspraak van het EHRM volgt echter dat de verschuiving van de bewijslast van de vervolgende instantie naar de verdediging weliswaar aanleiding geeft tot kritiek van de verdediging, maar daarom nog geen automatische, voldoende en zelfstandige grond oplevert voor de vaststelling dat sprake is van schending van artikel 5, lid 3, EVRM, aangezien een dergelijke schending altijd wordt vastgesteld na een analyse in concreto van alle omstandigheden van het individuele geval.(65)

46.      De overwegingen die over de bewijsvraag zijn uiteengezet in de rechtspraak van het EHRM, zijn veel preciezer wanneer een situatie moet worden onderzocht in het licht van artikel 6, lid 2, EVRM.(66) Het EHRM heeft overigens geoordeeld dat op het gebied van het strafrecht het probleem van de bewijsvoering in het licht van die bepaling moet worden gezien.(67)

47.      Uit de rechtspraak van het EHRM betreffende artikel 5, lid 3, EVRM blijkt veeleer dat het EHRM, naast het a priori vaststellen van de bewijslast in procedures waarmee wordt opgekomen tegen beslissingen tot voorlopige hechtenis, beoordeelt of de met de toetsing van dergelijke beslissingen belaste autoriteit heeft gekeken naar alle argumenten voor en tegen het bestaan van een algemeen belang dat een schending van het in artikel 5 EVRM neergelegde recht op vrijheid kan rechtvaardigen. Dat onderzoek van deze autoriteit moet tot uitdrukking komen in haar beslissing.(68) Het EHRM heeft ook niet uitgesloten dat gebruik wordt gemaakt van een vermoeden waar het gaat om de naleving van de wettelijke voorwaarden voor voortzetting van de voorlopige hechtenis, op voorwaarde echter dat de autoriteiten op overtuigende wijze aantonen dat er sprake is van concrete feiten die zwaarder wegen dan het in artikel 5 EVRM neergelegde recht en voldoende grond kunnen opleveren om de voortzetting van de vrijheidsontneming te legitimeren.(69)

4.      Conclusie van de analyse

48.      Uit het voorgaande volgt dan ook dat met richtlijn 2016/343 niet wordt beoogd om het in artikel 6 van het Handvest en artikel 5 EVRM neergelegde recht op vrijheid ten uitvoer te leggen, maar slechts om bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld te harmoniseren.(70) Artikel 6 van richtlijn 2016/343 heeft dus betrekking op de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van de verdachte. De vaststelling van de bewijslast voor het opkomen tegen een beslissing tot voortzetting van de voorlopige hechtenis is een andere kwestie, die niet geregeld is in artikel 6 van richtlijn 2016/343.

V.      Conclusie

49.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Spetsializiran nakazatelen sad te beantwoorden als volgt:

„Artikel 6 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, regelt niet de bewijslast voor beslissingen tot voortzetting van de voorlopige hechtenis.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Zie voor een vergelijkende studie Van Kalmthout, A.M., Knapen, M.M., en Morgenstern, C. (eds.), Pre-trial Detention in the European Union, Wolf Legal Publishers 2009. 


3      PB 2016, L 65, blz. 1.


4      Om aan te sluiten bij de bewoordingen van het Europees Parlement in punt 5 van zijn resolutie van 27 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de herziening van het Europees aanhoudingsbevel [P7_TA(2014)0174].


5      CE:ECHR:2019:0827JUD003263109.


6      Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, worden in de tekst van artikel 270 van het Bulgaarse wetboek van strafvordering noch de respectieve rollen van de verdediging en de vervolgende instantie vastgesteld, noch het vereiste bewijsniveau, noch de omstandigheden die kunnen worden beschouwd als „nieuw” in de zin van deze bepaling, hetgeen mijns inziens de nationale rechter mogelijkerwijs een zekere beoordelingsmarge laat wanneer hij deze bepaling moet toepassen, tenzij andere, in dit dossier niet overgelegde elementen van het nationale recht hem dat verhinderen.


7      Temeer omdat ik zonder enige moeite erken dat deze keuze uiteraard ook is ingegeven door overwegingen in verband met de bescherming van de openbare veiligheid.


8      Als ik deze uitdrukking mag lenen van decaan Vedel.


9      Artikel 2 van richtlijn 2016/343.


10      Zie artikel 2 van richtlijn 2016/343.


11      Zie naar analogie arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 40).


12      Zie bijvoorbeeld de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2016/343, waarin respectievelijk het recht op aanwezigheid bij proces en het recht op een nieuw proces zijn neergelegd.


13      Zie artikel 3 van richtlijn 2016/343.


14      Zie artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343.


15      Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343. Cursivering van mij.


16      Overweging 16 van richtlijn 2016/343. Cursivering van mij.


17      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343.


18      Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2016/343.


19      Overweging 22 van richtlijn 2016/343. De bijzonder duidelijke formulering van deze overweging staat in schril contrast met de beknoptere formulering van artikel 6 van richtlijn 2016/343, waarin de in de considerans bedoelde vermoedens nergens zijn vermeld.


20      Zoals blijkt uit overweging 16 van richtlijn 2016/343.


21      De bewoordingen van de overwegingen 36 en 37 lijken te bevestigen dat „een beslissing over schuld of onschuld van de verdachte of beklaagde” volgens de wetgever in beginsel die is welke aan het eind van het proces wordt genomen.


22      Bijgevolg verschilt de werkingssfeer van artikel 4 van richtlijn 2016/343 duidelijk van die van artikel 6 van deze richtlijn. Artikel 4 van richtlijn 2016/343 is van toepassing op openbare verklaringen van overheidsinstanties en andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld, maar met inbegrip van voorlopige beslissingen van procedurele aard, zoals beslissingen inzake voorlopige hechtenis. Artikel 6 van deze richtlijn is mijns inziens daarentegen alleen van toepassing op beslissingen waarin inhoudelijk uitspraak wordt gedaan over de schuld. Voor een andere illustratie van dit onderscheid, zie arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670, punten 34 en 35).


23      Het zou dan in hoofdzaak gaan om gevallen van ontdekking op heterdaad of onweerlegbare bekentenissen, als zoiets al zou bestaan. Het EVRM maakt van het enkele bestaan van „een redelijke verdenking dat een persoon een strafbaar feit heeft begaan” een van de voorwaarden voor vrijheidsontneming, zonder dat hierover enige zekerheid hoeft te bestaan: zie artikel 5, lid 1, onder c), EVRM.


24      COM(2013) 821 final.


25      Bij mijn weten is geen enkel concreet gevolg gegeven aan het groenboek van 14 juni 2011 „Versterking van het wederzijds vertrouwen in de Europese rechtsruimte – Een groenboek over de toepassing van EU-strafwetgeving op het gebied van detentie” [COM(2011) 327 definitief]. In punt 16 van de toelichting bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn [COM(2013) 821 final] verwees de Commissie ook naar kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PB 2009, L 294, blz. 20). Het doel van dit kaderbesluit is, zoals de titel suggereert, de wederzijdse erkenning van de alternatieve maatregelen voor de voorlopige hechtenis te bevorderen: het beoogt dus niet de voorlopige hechtenis zelf te regelen. Het erkent bovendien dat de toepassing, tijdens de strafprocedure, van een niet tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel als alternatief voor voorlopige hechtenis onderworpen is aan „de wetgeving en procedures van de lidstaat waar de strafvervolging plaatsvindt” (artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2009/829).


26      Zie amendement 41 van het verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn (doc. A8‑0133/2015).


27      Zie overwegingen 2 en 4 van richtlijn 2016/343.


28      Te weten artikel 82 VWEU, waarvan lid 2 voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften wanneer dat nodig is „ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie”. In deze minimumvoorschriften moet bovendien rekening worden gehouden met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten, en deze voorschriften laten onverlet dat een hoger niveau van bescherming wordt gehandhaafd of ingevoerd.


29      Zie overwegingen 4 en 9 en artikel 1 van richtlijn 2016/343.


30      Arrest van 27 oktober 2016 (C‑439/16 PPU, EU:C:2016:818).


31      Zie arrest van 27 oktober 2016, Milev (C‑439/16 PPU, EU:C:2016:818, punten 29‑32).


32      Aldus punt 35 van de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Milev (C‑439/16 PPU, EU:C:2016:760).


33      Arrest van 19 september 2018 (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732).


34      Zie arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 38).


35      Arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 45).


36      Arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 46).


37      Arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 47).


38      Arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 49). Cursivering van mij.


39      Arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 48). Cursivering van mij.


40      Arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punt 49).


41      Beschikking van 12 februari 2019, RH (C‑8/19 PPU, EU:C:2019:110).


42      Beschikking van 12 februari 2019, RH (C‑8/19 PPU, EU:C:2019:110, punt 49).


43      In vergelijking met het arrest van 19 september 2018, Milev (C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732).


44      Beschikking van 12 februari 2019, RH (C‑8/19 PPU, EU:C:2019:110, punt 52).


45      Beschikking van 12 februari 2019, RH (C‑8/19 PPU, EU:C:2019:110, punt 57).


46      Beschikking van 12 februari 2019, RH (C‑8/19 PPU, EU:C:2019:110, punt 59).


47      Beschikking van 12 februari 2019, RH (C‑8/19 PPU, EU:C:2019:110, punt 60). Cursivering van mij.


48      Het feit dat het Hof deze beschikking heeft gewezen op grond van artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering en in de tekst van deze beschikking heeft herinnerd aan zijn arrest Milev (19 september 2018, C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732), waarin een soortgelijke vraag aan de orde was, pleit voor een dergelijke uitlegging.


49      Op het eerste gezicht kan het merkwaardig lijken de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2016/343 – dat alleen betrekking heeft op andere rechterlijke beslissingen dan die betreffende de vaststelling van schuld – aan te vullen met een verwijzing naar artikel 6 van die richtlijn, dat betrekking heeft op beslissingen over de vaststelling van de schuld van verdachten of beklaagden.


50      Zie overweging 1 van richtlijn 2016/343.


51      Zie arrest van 16 juli 2009, Rubach (C‑344/08, EU:C:2009:482, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


52      Artikel 13 van richtlijn 2016/343.


53      Luidens hetwelk „[e]enieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.c van dit artikel, [...] onverwijld voor een rechter [moet] worden geleid of voor een andere magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te oefenen en [...] het recht [heeft] binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene ter terechtzitting.” Artikel 5 EVRM komt overeen met artikel 6 van het Handvest [zie de toelichting bij artikel 6 van het Handvest. Voor een benadering door het Hof van de vraagstukken inzake voorlopige hechtenis in het licht van artikel 6 van het Handvest, zie arrest van 16 juli 2015, Lanigan (C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punten 54 e.v.)].


54      EHRM, 27 augustus 2019 (CE:ECHR:2019:0827JUD003263109).


55      EHRM, 5 juli 2016, Buzadji tegen Republiek Moldavië (CE:ECHR:2016:0705JUD002375507, § 86). Het EHRM heeft echter geen vaste maximumtermijn voor voorlopige hechtenis vastgesteld: zie het verslag van Pedro Agramunt voor de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa met als titel „Abuse of pretrial detention in States Parties to the European Convention on Human Rights” (doc. 13863 van 7 september 2015, punt 22). Zie ook EHRM, 3 oktober 2006, McKay tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2006:1003JUD000054303, § 45), waarin het EHRM het ontbreken van een vaste maximumtermijn voor de voorlopige hechtenis rechtvaardigt op grond van het belang dat bij de toetsing van de voorlopige hechtenis wordt gehecht aan de specifieke kenmerken van elk concreet geval.


56      Zie met name EHRM, 17 maart 2016, Rasul Jafarov tegen Azerbeidzjan (CE:ECHR:2016:0317JUD006998114, § 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


57      Zie EHRM, 5 juli 2016, Buzadji tegen Republiek Moldavië (CE:ECHR:2016:0705JUD002375507, § 87).


58      Zie EHRM, 5 juli 2016, Buzadji tegen Republiek Moldavië (CE:ECHR:2016:0705JUD002375507, § 87).


59      Zie EHRM, 5 juli 2016, Buzadji tegen Republiek Moldavië (CE:ECHR:2016:0705JUD002375507, § 87).


60      Zie EHRM, 5 juli 2016, Buzadji tegen Republiek Moldavië (CE:ECHR:2016:0705JUD002375507, § 88).


61      EHRM, 5 juli 2016, Buzadji tegen Republiek Moldavië (CE:ECHR:2016:0705JUD002375507, §§ 89 en 90).


62      EHRM, 5 juli 2016, Buzadji tegen Republiek Moldavië (CE:ECHR:2016:0705JUD002375507, § 91).


63      EHRM, 27 augustus 2019 (CE:ECHR:2019:0827JUD003263109).


64      EHRM, 27 augustus 2019, Magnitskiy e.a. tegen Rusland (CE:ECHR:2019:0827JUD003263109, § 222).


65      Zie met name EHRM, 24 maart 2016, Zherebin tegen Rusland (CE:ECHR:2016:0324JUD005144509, §§ 51, 60 en 62).


66      Het EHRM heeft in dat verband duidelijk aangegeven dat „het beginsel van het vermoeden van onschuld is geschonden zodra de bewijslast is verschoven van de vervolgende instantie naar de verdediging” [EHRM, 31 maart 2009, Natunen tegen Finland (CE:ECHR:2009:0331JUD002102204, § 53)], hetgeen in contrast staat met het idee dat een dergelijke verschuiving op zich geen schending van artikel 5, lid 3, EVRM oplevert.


67      Zie EHRM, 6 december 1988, Barberà, Messegué en Jabardo tegen Spanje (CE:ECHR:1988:1206JUD001059083, § 76).


68      Zie EHRM, 26 juli 2001, Ilijkov tegen Bulgarije (CE:ECHR:2001:0726JUD003397796 §§ 86 en 87), en EHRM, 19 maart 2014, Pastukhov en Yelagin tegen Rusland (CE:ECHR:2013:1219JUD005529907, § 40). In zijn arrest van 10 maart 2009, Bykov tegen Rusland (CE:ECHR:2009:0310JUD000437802, §§ 64 en 65), heeft het EHRM eerst herinnerd aan zijn principiële standpunt over de omkering van de bewijslast bij het aantonen van de noodzaak tot vrijlating en is het vervolgens tot de slotsom gekomen dat artikel 5, lid 3, EVRM was geschonden vanwege het feit dat tien verzoeken om invrijheidstelling voor een en dezelfde verdachte waren afgewezen, terwijl in elk van de tien beslissingen tot afwijzing slechts de wettelijke gronden voor voortzetting van de hechtenis werden opgesomd, zonder dat zij met relevante en voldoende redenen waren omkleed en zonder dat rekening was gehouden met de veranderende situatie (zie §§ 64 en 65 van dit arrest).


69      Zie voor een met artikel 5, lid 3, EVRM verenigbaar geacht vermoeden EHRM, 24 augustus 1998, Contrada tegen Italië (CE:ECHR:1998:0824JUD002714395, § 58); zie voor een omgekeerd geval EHRM, 26 juli 2001, Ilijkov tegen Bulgarije (CE:ECHR:2001:0726JUD003397796, § 84 e.v.), waarin het EHRM de ontoereikende motivering van de beslissing benadrukt (zie in het bijzonder § 86 van dit arrest).


70      In de samenvatting van de effectbeoordeling wordt benadrukt dat de algemene doelstelling van richtlijn 2016/343 erin bestaat het recht op een eerlijk proces te waarborgen, en dat er geen sprake kan zijn van een eerlijk proces als het vermoeden van onschuld niet wordt gerespecteerd [zie punt 1 van de samenvatting van de effectbeoordeling bij het „voorstel voor maatregelen inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn”, doc. SWD(2013) 479 final van 27 november 2013]. Het recht op vrijheid is dus niet geregeld in richtlijn 2016/343.