Hogere voorziening ingesteld op 4 september 2019 door NRW.Bank tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer – uitgebreid) van 26 juni 2019 in zaak T-466/16, NRW.Bank/Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

(Zaak C-662/19 P)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: NRW.Bank (vertegenwoordigers: J. Seitz, J. Witte en D. Flore, Rechtsanwälte)

Andere partijen in de procedure: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad, Raad van de Europese Unie, Europese Commissie

Conclusies

1.    vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 juni 2019 in zaak T-466/16 en nietigverklaring van het besluit van verweerder in hogere voorziening met betrekking tot verzoeksters jaarlijkse bijdrage aan het afwikkelingsfonds voor het bijdragejaar 2016;

2.    subsidiair, vernietiging van het in punt 1 vermelde arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerecht;

3.    verwijzing van verweerder in hogere voorziening in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante twee middelen aan.

Ten eerste meent zij dat haar verzoek tot nietigverklaring, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet te laat was ingediend in de zin van artikel 263, lid 6, VWEU. Verweerders besluit met betrekking tot verzoeksters jaarlijkse bijdrage aan het afwikkelingsfonds voor het bijdragejaar 2016 berust namelijk op twee achtereenvolgens van toepassing zijnde besluiten van verweerder, het zogenoemde „eerste GAR-besluit” en „tweede GAR-besluit”. Beide GAR-besluiten zijn uitsluitend gericht aan de nationale afwikkelingsautoriteit („FMSA”) en verzoekster werd hiervan noch rechtstreeks in kennis gesteld, noch werden deze aan haar meegedeeld. Verzoekster heeft enkel kennis verkregen van het vermoedelijke bestaan (maar niet van de inhoud) van de GAR-besluiten door de besluiten tot vaststelling van de bijdrage van de FSMA, het zogenoemde „eerste FSMA-besluit” en het „tweede FSMA-besluit”.

Anders dan het Gerecht meent, is de relevante gebeurtenis voor de berekening van de termijn voor het verzoek tot nietigverklaring dus uitsluitend het tijdstip waarop verzoekster het tweede FSMA-besluit heeft ontvangen. Het tweede GAR-besluit heeft namelijk het eerste GAR-besluit vervangen.

Maar ook wanneer het tweede GAR-besluit het eerste GAR-besluit niet volledig zou hebben vervangen, maar louter zou hebben gewijzigd, zou volgens de rechtspraak de beroepstermijn pas beginnen lopen vanaf de ontvangst van het tweede FSMA-besluit.

Verzoekster is tevens van mening dat, in tegenstelling tot hetgeen het Gerecht heeft verklaard, gelet op de bijzonderheden van de onderhavige zaak, zij niet was gehouden het eerste GAR-besluit op te vragen en op deze manier kennis van de inhoud en motivering ervan te verkrijgen. Een dergelijke verplichting bestaat hoe dan ook niet wanneer, zoals in casu het geval is, zowel de betrokken persoon als het voorwerp van deze vermeende vereiste om een verzoek in te dienen onduidelijk zijn.

Ten slotte moet de beroepstermijn reeds om redenen van de bescherming van het gewettigd vertrouwen maar in elk geval op grond van een verschoonbare dwaling worden geacht in acht te zijn genomen.

Ten tweede heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verzoekster met betrekking tot het tweede GAR-besluit geen middelen en argumenten heeft aangevoerd. Deze vaststelling schendt het uit artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voortvloeiende recht van verzoekster om te worden gehoord. Het Gerecht heeft verschillende opmerkingen van verzoekster buiten beschouwing gelaten, deze ten onrechte niet in overweging genomen bij zijn beslissing en verzoekster hiermee een eerlijk proces ontzegt.

____________