Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 15 oktober 2019 – Prokuratura Rejonowa Warszawa – Ursynów w Warszawie/AX

(Zaak C-752/19)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Okręgowy w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Prokuratura Rejonowa Warszawa – Ursynów w Warszawie

Verwerende partij: AX

Prejudiciële vragen

Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 2 daarvan en de daarin tot uitdrukking gebrachte waarde van de rechtsstaat, alsmede artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2016/3431 van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met overweging 22 daarvan, aldus worden uitgelegd dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, met inbegrip van het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en de vereisten die voortvloeien uit het vermoeden van onschuld worden geschonden wanneer een gerechtelijke procedure, zoals een strafprocedure tegen een persoon die wordt verdacht van het feit bedoeld in artikel 177, lid 1, kodeks karny en andere, aldus wordt vormgegeven dat:

– de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een rechter (rechter HO van een sąd rejonowy, de rechterlijke instantie van het laagste niveau) die bij een individueel besluit van de minister van Justitie is gedetacheerd van een rechterlijke instantie dat een niveau lager in de hiërarchie staat, de criteria die de minister van Justitie heeft gehanteerd bij het detacheren van deze rechter niet bekend zijn en de nationale wetgeving niet voorziet in rechterlijke toetsing van een dergelijk besluit en de minister van Justitie toestaat de detachering van de rechter te allen tijde te beëindigen?

Is er sprake van schending van de in punt 1 genoemde vereisten wanneer partijen tegen een beslissing in een gerechtelijke procedure zoals beschreven in punt 1 een buitengewoon rechtsmiddel kunnen instellen bij een rechter zoals de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet kunnen worden aangevochten, wanneer het nationale recht de voorzitter van de organisatorische eenheid van deze rechterlijke instantie (kamer) die bevoegd is om het rechtsmiddel te beoordelen, verplicht om zaken toe te wijzen volgens een alfabetische lijst van de rechters van deze kamer en het uitdrukkelijk verboden is daarbij een rechter over te slaan en wanneer zaken onder meer worden toegewezen door een rechter die benoemd is op verzoek van een collegiaal orgaan, zoals de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak), dat zodanig is samengesteld dat de leden ervan rechters zijn die:

a) worden gekozen door een kamer van het parlement die collectief stemt over een lijst van kandidaten die vooraf door een parlementaire commissie is opgesteld uit kandidaten die door de parlementaire fracties of door een orgaan van deze kamer zijn voorgedragen op grond van voorstellen van groepen rechters of burgers, hetgeen betekent dat de kandidaten in de loop van de verkiezingsprocedure driemaal door politici worden ondersteund;

b) een meerderheid vormen van de leden van dit orgaan die volstaat om te besluiten over de indiening van verzoeken tot benoeming van rechters, alsmede om andere bindende besluiten te nemen die naar nationaal recht vereist zijn?

Wat is – vanuit het oogpunt van het Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen en vereisten – het gevolg van een beslissing in een gerechtelijke procedure die is vormgegeven zoals beschreven in punt 1, en van een beslissing in een procedure voor de Sąd Najwyższy, indien de in punt 2 bedoelde rechter deelneemt aan de vaststelling daarvan?

Is het naar Unierecht, met inbegrip van de in punt 1 bedoelde bepalingen, van belang voor de gevolgen van de in punt 3 bedoelde beslissingen of de betrokken rechter zich ten voordele of ten nadele van de verdachte heeft uitgesproken?

____________

1 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).