Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Korneuburg (Oostenrijk) op 13 november 2019 – WZ/Austrian Airlines AG

(Zaak C-826/19)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesgericht Korneuburg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: WZ

Verwerende partij: Austrian Airlines AG

Prejudiciële vragen

Moet artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: „luchtreizigersverordening”)1 , aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op twee luchthavens die zich allebei in de onmiddellijke nabijheid van een stadscentrum bevinden, maar slechts één ervan in het stadsgebied en de andere in de aangrenzende deelstaat?

Moeten artikel 5, lid 1, onder c), artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 3, van de luchtreizigersverordening aldus worden uitgelegd dat in het geval van een landing op een andere luchthaven in dezelfde stad of regio recht op compensatie wegens het annuleren van de vlucht bestaat?

Moeten artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 3, van de luchtreizigersverordening aldus worden uitgelegd dat in het geval van een landing op een andere luchthaven in dezelfde stad of regio recht op compensatie wegens langdurige vertraging bestaat?

Moeten de artikelen 5 en 7 en artikel 8, lid 3, van de luchtreizigersverordening aldus worden uitgelegd dat om te bepalen of een passagier een tijdverlies van 3 uur of meer heeft geleden in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 november 2009, Sturgeon e.a. (gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07) 2 , de vertraging moet worden berekend aan de hand van het tijdstip van de landing op de andere luchthaven dan wel van het tijdstip van het vervoer naar de luchthaven waarvoor was geboekt of naar een andere met de passagier overeengekomen nabijgelegen bestemming?

Moet artikel 5, lid 3, van de luchtreizigersverordening aldus worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij die vluchten via vluchtrotatie uitvoert, zich kan baseren op een gebeurtenis, in casu een vermindering van het aantal aankomsten wegens onweer, die zich voordeed tijdens de op twee na laatste rotatievlucht vóór de vlucht in kwestie?

Moet artikel 8, lid 3, van de luchtreizigersverordening aldus worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij in geval van een landing op een andere luchthaven, het vervoer naar een andere plaats uit eigen beweging moet aanbieden of dat de passagier om dit vervoer moet verzoeken?

Moeten artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 1, onder c), van de luchtreizigersverordening aldus worden uitgelegd dat de passagier recht op compensatie heeft indien de in de artikelen 8 en 9 geregelde verplichting om bijstand en verzorging te bieden niet is nagekomen?

____________

1     PB 2004, L 46, blz. 1.

2     PB 2010, C 24, blz. 4.