Hogere voorziening ingesteld op 28 november 2019 door FV tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 19 september 2019 in zaak T-153/17, FV/Raad

(Zaak C-877/19 P)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: FV (vertegenwoordiger): É. Boigelot, avocat)

Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie

Conclusies

Het arrest van 19 september 2019 (T-153/17) vernietigen;

dientengevolge rekwirantes vorderingen in eerste aanleg toewijzen en, derhalve, de voor rekwirante op 5 december 2016 definitief vastgestelde beoordelingsrapporten over 2014 en 2015 nietig verklaren;

verweerder in eerste aanleg verwijzen in alle kosten van beide procedures.

Middelen en voornaamste argumenten

In het bestreden arrest is de vordering tot nietigverklaring van de beoordelingsrapporten over de jaren 2014 en 2015 afgewezen.

Rekwirante voert één middel aan en beroept zich op, ten eerste, niet-nakoming van de controletaak en de motiveringsplicht en onjuiste opvatting van het dossier, en, ten tweede, niet-inachtneming van de gids voor de beoordeling, schending van de motiveringsplicht en de zorgplicht, alsmede een kennelijk onjuiste beoordeling.

Volgens rekwirante heeft het Gerecht blijk gegeven van een kennelijke beoordelingsfout en een verkeerde opvatting van de feiten door te oordelen dat het beweerdelijk ongepaste gedrag van rekwirante de enige reden was waarom de instelling haar voor „verantwoordelijkheidsgevoel” de score „voldoende” heeft gegeven, terwijl deze rubriek in de gids voor de beoordeling wordt omschreven als „de betrokkenheid van de belanghebbende bij zijn werk, zijn bereidheid om zijn taken op actieve en constructieve wijze uit te voeren”.

Voorts heeft het Gerecht de vermindering van de hoeveelheid taken van rekwirante onjuist beoordeeld. Ziekte en een halftijds dienstverband kunnen niet rechtvaardigen dat een deel van de taken van een ambtenaar haar wordt ontnomen, laat staan zonder haar toestemming.

Verder betwist rekwirante de beoordelingen van het Gerecht betreffende de verandering van kantoor en de functiewijziging, en die betreffende haar gedrag gedurende beoordelingsjaar 2014, en voert zij aan dat deze beoordelingen blijk geven van een onjuiste opvatting van het dossier.

Tot slot is in het bestreden arrest nagelaten om het gebrek aan zorgvuldigheid, in het bijzonder ten aanzien van een ambtenaar wiens geestelijke gezondheid is aangetast, te veroordelen en om artikel 59, lid 1, derde alinea, van het Statuut van de ambtenaren toe te passen.

____________