Beschikking van het Hof (Derde kamer) van 21 januari 2020 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d'appel d’Aix-en-Provence - Frankrijk) – Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen MN

(Zaak C-813/19 PPU)1

(Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 6, lid 1 – Begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” – Daadwerkelijke rechtsbescherming)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour d’appel d’Aix-En-Provence

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: MN

In tegenwoordigheid van: RJA, RJO, FD, BG, PG, KL, LK, MJ, NI, OH

Dictum

Artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat de magistraten van het Franse openbaar ministerie, die krachtens de op hen toepasselijke statutaire en organisatorische voorschriften worden aangestuurd door en onder toezicht staan van hun hiërarchieke meerderen alsmede onder gezag staan van de minister van justitie, onder het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” vallen, wanneer hun status hun onafhankelijkheid, met name ten aanzien van de uitvoerende macht, waarborgt in het kader van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel.

Kaderbesluit 2002/584 moet aldus worden uitgelegd dat aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming – die moet toekomen aan een persoon ten aanzien van wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging – is voldaan wanneer volgens de wettelijke regeling van de uitvaardigende lidstaat de voorwaarden voor de uitvaardiging van dat bevel, en met name de evenredigheid ervan, in die lidstaat door de rechter worden getoetst.

____________

1 PB C 19 van 20.1.2020.