Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State (België) op 17 januari 2020 – E. M. T./Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen

(Zaak C-20/20)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: E. M. T.

Verwerende partij: Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen

Prejudiciële vraag

Moeten artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)1 , dat bepaalt dat verzoekers moeten beschikken over een recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen beslissingen „inzake hun verzoek om internationale bescherming”, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met de artikelen 20 en 26 van richtlijn 2013/32/EU, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale procedureregel, zoals artikel 39/57 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, waarbij de termijn voor het instellen van beroep tegen een beslissing van niet-ontvankelijkheid van een volgend verzoek om internationale bescherming door een onderdaan van een derde land wordt vastgesteld op tien „kalenderdagen” na kennisgeving van de administratieve beslissing, „indien het beroep is ingediend door een vreemdeling die zich, op het ogenblik van de kennisgeving van de beslissing, bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 [van die wet] of die ter beschikking is gesteld van de regering”, in het bijzonder wanneer verzoeker na kennisgeving van de voornoemde administratieve beslissing stappen moet ondernemen om een nieuwe juridisch adviseur te zoeken onder de regeling van kosteloze rechtsbijstand teneinde de beroepsprocedure in te stellen?

____________

1 PB 2013, L 180, blz. 60.