Beroep ingesteld op 29 januari 2020 – Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-51/20)

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Bouchagiar en B. Stromsky)

Verwerende partij: Helleense Republiek

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Hof:

vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet alle maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 9 november 2017 in zaak C-481/16, Commissie/Griekenland, EU:C:2017:845, de krachtens dat arrest en artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,

de Helleense Republiek te veroordelen tot betaling aan de Commissie van een dwangsom van 26 697,89 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van het arrest van het Hof van 9 november 2017 in zaak C-481/16, voor de periode vanaf de dag waarop het arrest in de onderhavige zaak wordt gewezen tot de dag waarop het arrest van 9 november 2017 volledig is uitgevoerd,

de Helleense Republiek te veroordelen tot betaling aan de Commissie van een forfaitair bedrag, waarvan de hoogte wordt bepaald door de vermenigvuldiging van een dagelijks bedrag van 3 709,23 EUR met het aantal dagen dat is verstreken tussen de uitspraak van het arrest van 9 november 2017 en de dag van de uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak,

de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Overeenkomstig het besluit van de Europese Commissie van 27 maart 2014 in zaak SA.34572 had de Helleense Republiek de aan de onderneming Larco toegekende onverenigbare steun binnen vier maanden moeten terugvorderen en de Commissie rechtens genoegzaam moeten meedelen dat zij daartoe de nodige maatregelen had genomen. De betrokken steun bestond uit aan Larco verleende staatsgaranties voor 2008, 2010 en 2011 en uit een overheidsparticipatie in de kapitaalverhoging van de onderneming in 2009.

Op 2 september 2016 heeft de Commissie bij het Hof een beroep wegens schending van artikel 108, lid 2, VWEU ingesteld (zaak C-481/16). Op 9 november 2017 heeft het Hof geoordeeld dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen vast te stellen die nodig zijn om het besluit van de Commissie uit te voeren en door de Commissie niet in kennis te stellen van de ter uitvoering van dat besluit vastgestelde maatregelen, de krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van dat besluit en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Door geen maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van het Hof van 9 november 2017 is de Helleense Republiek de krachtens dat besluit en artikel 260, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

____________