Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) op 24 december 2019 – Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf GmbH & Co. KG/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-938/19)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Berlin

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf GmbH & Co. KG

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Prejudiciële vragen

Moet artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG1 aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling als bedoeld in § 2, lid 4, eerste volzin, van het Treibhausgas-Emissionshandelsgesetz (Duitse wet betreffende de handel in broeikasgasemissierechten; hierna: „TEHG 2011”) op grond waarvan een installatie, waarvoor krachtens het Bundesimmissionsschutzgesetz (Duitse wet ter bescherming tegen schadelijke milieueffecten) een vergunning is verleend, ook onder de regeling voor de handel in emissierechten valt, wanneer deze vergunning tevens geldt voor hulpinrichtingen die geen broeikasgassen uitstoten?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Volgt uit de criteria voor de berekening van het gecorrigeerde aandeel („corrected eligibility ratio”) van warmte die is geïmporteerd uit installaties die niet onder de regeling voor de emissiehandel vallen, welke criteria zijn vastgelegd in het door de Europese Commissie uitgewerkte template en bindend zijn voor de lidstaten, dat dit aandeel moet worden toegepast op de totale warmte die is opgewekt door de installatie die onder de regeling voor de emissiehandel valt, ook wanneer de geïmporteerde warmte eenduidig afkomstig is van één van meerdere identificeerbare en afzonderlijk bepaalde warmtestromen en/of het warmteverbruik binnen de installatie?

Moet artikel 6, lid 1, derde alinea, van besluit 2011/278/EU2 van de Commissie aldus worden uitgelegd dat het relevante warmteproces van de warmtebenchmark-subinstallatie in dienst staat van een bedrijfstak of deeltak die, zoals bepaald bij besluit 2010/2/EU3 van de Commissie, wordt geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico, wanneer deze warmte wordt gebruikt voor de productie van koeling en die koeling wordt verbruikt door een niet onder de regeling voor de emissiehandel vallende installatie in een bedrijfstak of deeltak die is blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico?

Is het voor de toepasbaarheid van artikel 6, lid 1, derde alinea, van besluit 2011/278/EU van de Commissie relevant of de koeling binnen de grenzen van de onder de regeling voor de emissiehandel vallende installatie wordt geproduceerd?

____________

1 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32).

2 Besluit van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 130, blz. 1).

3 Besluit van de Commissie van 24 december 2009 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO 2 -weglekrisico (PB 2010, L 1, blz. 10), dat is ingetrokken bij besluit 2014/746/EU van de Commissie (PB 2014, L 308, blz. 114).