Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 18 december 2019 – FMS en FNZ / Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság y Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság

(Zaak C-924/19)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: FMS en FNZ

Verwerende partijen: Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság en Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság

Prejudiciële vragen

[nieuwe grond voor niet-ontvankelijkheid]

Kunnen de bepalingen van artikel 33 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming1 (herschikking) (hierna ook: „procedurerichtlijn”), betreffende niet-ontvankelijke verzoeken, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat volgens welke een asielverzoek niet-ontvankelijk is wanneer de verzoeker is aangekomen via een land waar hij niet blootgesteld is geweest aan vervolging of aan een gevaar voor ernstige schade, of waar een toereikend beschermingsniveau wordt gewaarborgd?

[voortzetting van de asielprocedure]

a)    Dienen de artikelen 6 en 38, lid 4, van de procedurerichtlijn, alsook overweging 34 daarvan, die de verplichting opleggen om verzoeken om internationale bescherming te onderzoeken, gelezen in samenhang met artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), aldus te worden uitgelegd dat de asielautoriteit van een lidstaat moet waarborgen dat de verzoeker de mogelijkheid heeft om de asielprocedure in te leiden in een geval waarin het asielverzoek van de verzoeker onder aanvoering van de in de eerste vraag genoemde niet-ontvankelijkheidsgrond niet ten gronde is onderzocht en voorts is besloten de verzoeker te verwijderen naar een derde land, dat hem echter niet terugneemt?

b)    Indien het antwoord op vraag 2.a) bevestigend luidt, wat houdt deze verplichting dan precies in? Houdt zij de verplichting in om de mogelijkheid van indiening van een nieuw asielverzoek te waarborgen, en aldus de negatieve gevolgen van volgende verzoeken, in de zin van artikel 33, lid 2, onder d), juncto artikel 40 van de procedurerichtlijn, uit te sluiten, of impliceert zij de ambtshalve inleiding of voortzetting van de asielprocedure?

c)    Indien het antwoord op vraag 2.a) bevestigend luidt, kan de lidstaat dan, mede gelet op artikel 38, lid 4, van de procedurerichtlijn, indien de feitelijke situatie niet is gewijzigd, in het kader van deze nieuwe procedure de niet-ontvankelijkheid van het verzoek wederom onderzoeken (met andere woorden: kan de lidstaat om het even welke procedure van hoofdstuk III van de procedurerichtlijn toepassen, bijvoorbeeld door een nieuwe niet-ontvankelijkheidsgrond op te werpen), of moet het asielverzoek ten gronde worden onderzocht in relatie tot het land van herkomst?

d)    Volgt uit artikel 33, lid 1 en lid 2, onder b) en c) en artikelen 35 en 38 van de procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 18 van het Handvest, dat een van de cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van een niet-ontvankelijkheidsgrond, en daarmee voor het nemen van de daarop gebaseerde beslissing, bestaat in de terugname door het betrokken derde land van de verzoeker, of is het voldoende om na te gaan of aan deze eis is voldaan bij het nemen van een dergelijke beslissing?

[de transitzone als plaats van bewaring in verband met asiel]

De volgende vragen zijn relevant indien overeenkomstig het antwoord op de tweede vraag de asielprocedure moet worden voortgezet.

a)    Dient artikel 43 van de procedurerichtlijn aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die het mogelijk maakt dat de verzoeker langer dan vier weken in de transitzone wordt vastgehouden?

b)    Dient artikel 2, onder h), van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) (hierna ook: „opvangrichtlijn”)2 , dat van toepassing is krachtens artikel 26 van de procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 52, lid 3, van het Handvest, aldus te worden uitgelegd dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding (waarin het op rechtmatige wijze vrijwillig verlaten van de transitzone in welke richting dan ook onmogelijk is) de plaatsing in die zone die langer duurt dan de in artikel 43 van de procedurerichtlijn bedoelde termijn van vier weken, als bewaring moet worden aangemerkt?

c)    Is het verenigbaar met artikel 8 van de opvangrichtlijn, dat van toepassing is krachtens artikel 26 van de procedurerichtlijn, dat de bewaring van de verzoeker de in artikel 43 van de procedurerichtlijn bedoelde termijn van vier weken overschrijdt enkel omdat hij door gebrek aan materiële middelen niet in zijn behoeften (onderdak en voedsel) kan voorzien?

d)    Is het verenigbaar met de artikelen 8 en 9 van de opvangrichtlijn, die van toepassing zijn krachtens artikel 26 van de procedurerichtlijn, dat over de plaatsing die de facto een bewaring vormt die langer duurt dan de in artikel 43 van de procedurerichtlijn bedoelde termijn van vier weken, geen formeel bewaringsbesluit is genomen, dat tegen het besluit om de betrokkene in bewaring te nemen en te houden geen rechtsmiddel wordt gewaarborgd met betrekking tot de rechtmatigheid ervan, dat de de facto bewaring plaatsvindt zonder onderzoek naar de noodzaak en de evenredigheid ervan, of naar mogelijke alternatieven daarvoor, en dat de exacte duur van de bewaring, met inbegrip van de einddatum ervan, niet is bepaald?

e)    Kan artikel 47 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat wanneer een gerecht van een lidstaat wordt geconfronteerd met een kennelijk onrechtmatige bewaring, het de autoriteit bij wijze van voorlopige maatregel en in afwachting van de voltooiing van de administratieve procedure kan verplichten om ten gunste van de onderdaan van een derde land een verblijfplaats buiten de transitzone aan te wijzen die geen plaats van bewaring is?

[de transitzone als plaats van vreemdelingenbewaring]

De volgende vragen zijn relevant indien overeenkomstig het antwoord op de tweede prejudiciële vraag niet de asielprocedure maar de vreemdelingenrechtelijke procedure moet worden voortgezet.

a)    Dienen de overwegingen 17 en 24 alsmede artikel 16 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna ook: „terugkeerrichtlijn)3 , gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 52, lid 3, van het Handvest, aldus te worden uitgelegd dat, in omstandigheden als die van het hoofdgeding (waarin het op rechtmatige wijze vrijwillig verlaten van de transitzone in welke richting dan ook onmogelijk is), plaatsing in de transitzone vrijheidsontneming vormt in de zin van de genoemde bepalingen?

b)    Is het verenigbaar met overweging 16 en artikel 15, lid 1, van de terugkeerrichtlijn, in samenhang met de artikelen 6 en 52, lid 3, van het Handvest, dar een onderdaan van een derde land wordt vastgehouden enkel omdat hij door gebrek aan materiële middelen niet in zijn behoeften (onderdak en voedsel) kan voorzien?

c)    Is het verenigbaar met overweging 16 en artikel 15, lid 2, van de terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 6, 47 en 52, lid 3, van het Handvest, dat over de plaatsing van de betrokkene, die als een de facto bewaring kan worden aangemerkt, geen formeel bewaringsbesluit is genomen, dat tegen het besluit de betrokkene in bewaring te nemen en te houden geen rechtsmiddel wordt gewaarborgd met betrekking tot de rechtmatigheid ervan, en dat de de facto bewaring plaatsvindt zonder onderzoek naar de noodzaak en de evenredigheid ervan of naar mogelijke alternatieven daarvoor?

d)    Kunnen artikel 15, leden 1 en 4 tot en met 6 en overweging 16 van de terugkeerrichtlijn, in samenhang met de artikelen 1, 4, 6 en 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de bewaring plaatsvindt zonder dat de exacte duur ervan, met inbegrip van de einddatum van de bewaring, is bepaald?

e)    Kan het Unierecht aldus worden uitgelegd dat wanneer een gerecht van een lidstaat wordt geconfronteerd met een kennelijk onrechtmatige bewaring, het de autoriteit bij wijze van voorlopige maatregel en in afwachting van de voltooiing van de administratieve procedure kan verplichten om ten gunste van de onderdaan van een derde land een verblijfplaats buiten de transitzone aan te wijzen die geen plaats van bewaring is?

[doeltreffende voorziening in rechte tegen het besluit waarbij het land van terugkeer is gewijzigd]

Dient artikel 13 van de terugkeerrichtlijn, op grond waarvan aan de onderdaan van een derde land een doeltreffend recht van beroep of bezwaar moet worden verleend tegen „besluiten in het kader van terugkeer”, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus te worden uitgelegd dat wanneer het rechtsmiddel waarin het nationale recht voorziet niet doeltreffend is, het beroep dat is aangewend tegen het besluit waarbij het land waarnaar de betrokkene moet terugkeren is gewijzigd, ten minste één keer door een rechterlijke instantie moet worden getoetst?

____________

1 PB 2013, L 180, blz. 60.

2 PB 2013, L 180, blz. 96.

3 PB 2008, L 348, blz. 98.