Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Alicante (Spanje) op 22 januari 2020 – Bankia S.A. / SI

(Zaak C-31/20)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Audiencia Provincial de Alicante

Partijen in het hoofdgeding

Appellante: Bankia S.A.

Geïntimideerde: SI

Prejudiciële vragen

Is een jurisprudentiële uitlegging (volgens welke de teruggave van de bedragen die ten onrechte zijn betaald overeenkomstig het kostenbeding dat is opgenomen in een met een consument gesloten hypothecaire leningsovereenkomst, niet het gevolg is van de nietigverklaring, maar een onafhankelijke rechtsvordering uitmaakt waarvoor een verjaringstermijn geldt) waardoor de consument mogelijkerwijs definitief gebonden is aan het kostenbeding daar hij geen terugbetaling zal kunnen verkrijgen indien genoemde rechtsvordering is verjaard, verenigbaar met het beginsel van onverbindendheid [van oneerlijke bedingen] zoals neergelegd in artikel 6, lid 1, van de richtlijn1 ?

Is het verenigbaar met genoemd beginsel dat de rechtsfiguur van de verjaring van de vordering tot teruggave van het ten onrechte betaalde ingevolge de toepassing van het beding waarvan het oneerlijke karakter is vastgesteld, het verlies van het recht op teruggave zou kunnen betekenen, ondanks de nietigverklaring van het beding?

Zo ja, dient het door het Hof van Justitie van de Europese Unie geformuleerde begrip „redelijke verjaringstermijn” te worden uitgelegd naar uitsluitend nationale maatstaven of dient integendeel de redelijkheid aan enig vereiste te voldoen teneinde een minimum beschermingsniveau te bieden aan de consument-kredietnemer op het gehele grondgebied van de Europese Unie en zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de wezenlijke inhoud van het recht om niet gebonden te zijn aan een beding waarvan het oneerlijke karakter is vastgesteld?

Voor zover wordt geoordeeld dat voor de redelijkheid van de verjaringstermijn rekening dient te worden gehouden met een aantal minimumvereisten, kan de redelijkheid afhankelijk zijn van het moment waarop volgens de nationale wetgeving een vordering kan worden ingesteld? Is het redelijk dat de verjaringstermijn aanvangt op de datum waarop de overeenkomst is gesloten of vereist het beginsel van onverbindendheid van oneerlijke bedingen integendeel de voorafgaande of gelijktijdige nietigverklaring van het kostenbeding, teneinde de kredietnemer een redelijke termijn te bieden waarbinnen hij om teruggave van het ten onrechte betaalde kan verzoeken?

____________

1 Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).