Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de cour du travail de Liège (België) op 10 februari 2020 – Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil) / C.

(Zaak C-68/20)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour du travail de Liège

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil)

Verwerende partij: C.

Prejudiciële vragen

Vormt een beroep waarin het nationale recht voorziet ten behoeve van een asielzoeker die is aangemaand om zijn verzoek om internationale bescherming in een andere lidstaat te laten behandelen en dat geen enkele opschortende werking heeft en die werking slechts kan verkrijgen in geval van vrijheidsbeneming met het oog op een imminente overdracht, een „daadwerkelijk rechtsmiddel” in de zin van artikel 27 van de Dublin III-verordening1 ?

Moet het daadwerkelijk rechtsmiddel waarvan artikel 27 van de Dublin III-verordening gewaagt, aldus worden opgevat dat het zich enkel verzet tegen de uitvoering van een maatregel inzake gedwongen overdracht tijdens de behandeling van het tegen dat overdrachtsbesluit ingestelde beroep, dan wel dat het zich verzet tegen élke maatregel ter voorbereiding van een verwijdering, zoals de overbrenging naar een centrum dat moet zorgen voor de organisatie van een wijze van terugkeer van asielzoekers die werden aangemaand hun asielaanvraag in een ander Europees land te laten behandelen?

____________

1 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).