Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. SHARPSTON

van 28 mei 2020(1)

Zaak C238/19

EZ

tegen

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge

[verzoek van het Verwaltungsgericht Hannover (bestuursrechter in eerste aanleg Hannover, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid – Asielbeleid – Voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus – Richtlijn 2011/95/EU – Uitlegging van artikel 9, lid 3 – Gronden van vervolging – Artikel 10, lid 1, onder e) – Begrip ‚politieke overtuiging’ – Weigering militaire dienst te vervullen – Gewetensbezwaren”






1.        In de zaak Shepherd(2) heeft het Hof onderzocht of aan een soldaat die was gedeserteerd omdat hij weigerde nog langer te dienen bij de krijgsmacht van de Verenigde Staten van Amerika tijdens de oorlog in Irak, asiel moest worden toegekend.(3) Het Verwaltungsgericht Hannover (bestuursrechter in eerste aanleg Hannover, Duitsland) verzoekt het Hof thans om die beslissing verder te verduidelijken. Anders dan Shepherd is verzoeker in het hoofdgeding zijn land ontvlucht om de dienstplicht in het leger te ontlopen. In de onderhavige zaak gaat het specifiek om militaire dienst in het Syrische leger in het kader van de Syrische burgeroorlog. Sommige van de door de verwijzende rechter aan de orde gestelde kwesties verschillen dan ook van die welke in de zaak Shepherd zijn onderzocht. Het Hof heeft mij gevraagd mij in deze conclusie toe te spitsen op de uitlegging van de thans toepasselijke tekst, en meer in het bijzonder van artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 (hierna: „erkenningsrichtlijn”). Ik zal met name onderzoeken of er sprake dient te zijn van een oorzakelijk verband tussen de „gronden van vervolging” en de „daden van vervolging” (of afwezigheid van bescherming tegen dergelijke daden) in de zin van die richtlijn.

 Internationaal recht

 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen

2.        Overeenkomstig artikel 1 A, lid 2, van het Verdrag van Genève(4) valt elke persoon die „uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen”, onder de omschrijving van het begrip „vluchteling”.

3.        Artikel 1 F, onder a), bepaalt dat het Verdrag van Genève niet van toepassing is op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij „een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale instrumenten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen”(5).

 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

4.        Artikel 9, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(6) waarborgt het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, met inbegrip van de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen.

 Recht van de Europese Unie

 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

5.        Artikel 10, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) komt overeen met artikel 9, lid 1, EVRM. Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van het Handvest is het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren erkend volgens de nationale wetten die dit recht beheersen. Artikel 52, lid 3, ervan bepaalt dat de in het Handvest verankerde rechten in overeenstemming met de door het EVRM gewaarborgde corresponderende rechten moeten worden uitgelegd.

 Erkenningsrichtlijn

6.        In de overwegingen van de erkenningsrichtlijn zijn de volgende verklaringen opgenomen. De erkenningsrichtlijn is onderdeel van de maatregelen die het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (hierna: „GEAS”) uitmaken; het GEAS stoelt op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève en het Protocol, die tezamen de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen vormen.(7) Het hoofddoel van die richtlijn is te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk internationale bescherming behoeven en ervoor te zorgen dat bepaalde minimumvoordelen op gelijke wijze beschikbaar zijn.(8) De richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die erkend zijn in het Handvest.(9) Met betrekking tot de behandeling van personen die onder de werkingssfeer van de erkenningsrichtlijn vallen, zijn de lidstaten gebonden aan hun verplichtingen uit hoofde van internationaal recht.(10) „Overleg met de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) kan voor de lidstaten waardevol advies opleveren bij het vaststellen van de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 1 van het Verdrag van Genève.[(11)] Er dienen normen voor de omschrijving en de inhoud van de vluchtelingenstatus te worden vastgesteld om de bevoegde nationale instanties van de lidstaten bij de toepassing van het Verdrag van Genève voor te lichten.[(12)] Het is nodig gemeenschappelijke begrippen in te voeren van de criteria op grond waarvan asielzoekers als vluchtelingen in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève worden aangemerkt.[(13)]” Ten slotte is „[e]en van de voorwaarden om te worden erkend als vluchteling in de zin van [artikel 1 A], van het Verdrag van Genève [...] het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de redenen voor vervolging, namelijk ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep en de daden van vervolging of de afwezigheid van bescherming tegen dergelijke daden”(14).

7.        Overeenkomstig artikel 1 bestaat het doel van de erkenningsrichtlijn erin normen vast te stellen voor onder meer de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten.

8.        In artikel 2, onder d), wordt het begrip „vluchteling” omschreven als „een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is”(15). In artikel 2, onder g), wordt „subsidiairebeschermingsstatus” omschreven als „de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt”.

9.        Hoofdstuk II heeft als opschrift „Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming”. In dat hoofdstuk bepaalt artikel 4, lid 1, dat de lidstaten tot taak hebben om de relevante elementen van verzoeken om internationale bescherming in samenwerking met de verzoeker te beoordelen. Overeenkomstig artikel 4, lid 3, moet die beoordeling plaatsvinden op individuele basis en rekening houden met de in artikel 4, lid 3, onder a) tot en met e), opgenomen factoren. Die factoren omvatten:

„a)      alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;

[...]

c)      de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;

[...]”

Artikel 4, lid 5, bepaalt dat „[w]anneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, [...] de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig [wordt] geacht en [...] hem het voordeel van de twijfel [wordt] gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:

a)      de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b)      alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c)      de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;

d)      de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en

e)      vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.”

10.      Overeenkomstig artikel 6, onder a), kan onder meer de staat een actor van vervolging of ernstige schade zijn.

11.      De artikelen 9 tot en met 12 vormen hoofdstuk III, met als opschrift „Voorwaarden voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus”. Artikel 9 („Daden van vervolging”) luidt als volgt:

„1.      Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van [artikel 1 A], van het Verdrag van Genève moet de daad:

a)      zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, [EVRM][(16)]; of

b) een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).

2.      Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:

a)      daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;

b)      wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;

c)      onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;

d)      ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;

e)      vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder het toepassingsgebied van de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, vallen[(17)];

f)      daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.

3.      Overeenkomstig artikel 2, onder d), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.”

12.      In artikel 10, lid 1, worden vijf „elementen” opgesomd waarmee de lidstaten rekening moeten houden bij de beoordeling van de „gronden van vervolging”, namelijk ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep en politieke overtuiging [artikel 10, lid 1, onder a) tot en met e)]. Met betrekking tot dat laatste element bepaalt artikel 10, lid 1, onder e):

„[H]et begrip ‚politieke overtuiging’ houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.”

Artikel 10, lid 2, bepaalt dat „[b]ij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, [...] het niet ter zake [doet] of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven”.

13.      Artikel 12 somt de omstandigheden op waarin een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus op grond van de erkenningsrichtlijn. Een dergelijke omstandigheid doet zich onder meer voor wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat „hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven” [artikel 12, lid 2, onder a)].(18)

14.      Overeenkomstig artikel 13 moeten de lidstaten de vluchtelingenstatus verlenen aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III van de erkenningsrichtlijn als vluchteling wordt erkend.

 Procedurerichtlijn

15.      Richtlijn 2013/32/EU(19) beoogt de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming uit hoofde van de erkenningsrichtlijn. Zij is van toepassing op alle verzoeken om internationale bescherming die op het grondgebied van de Europese Unie worden gedaan.(20) De vereisten voor de behandeling van verzoeken worden uiteengezet in artikel 10. De lidstaten moeten erop toezien dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over asielverzoeken zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek.(21)

 Nationaal recht

16.      De omschrijving van het begrip „vluchteling” in § 3, lid 1, van het Asylgesetz (asielwet; hierna: „AsylG”) stemt overeen met die in artikel 2, onder d), van de erkenningsrichtlijn. De omschrijving van „daden van vervolging” in § 3a AsylG komt overeen met die van artikel 9 van de erkenningsrichtlijn – § 3a, lid 2, punt 5, neemt artikel 9, lid 2, onder e), van de richtlijn over, dat betrekking heeft op vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst [betrokkenheid bij het plegen van oorlogsmisdrijven inhoudt]. In § 3b AsylG worden de elementen van de „gronden van vervolging” op dezelfde manier uiteengezet als in artikel 10 van de erkenningsrichtlijn – § 3b, lid 1, punt 5, neemt artikel 10, lid 1, onder e), van de richtlijn over, dat betrekking heeft op het begrip „politieke overtuiging”. § 3a, lid 3, AsylG, ten slotte, vereist – evenals artikel 9, lid 3, van de erkenningsrichtlijn – een verband(22) tussen de daden van vervolging en de gronden van vervolging.

 Feiten, procedure en prejudiciële vragen

17.      Verzoeker, EZ, is geboren op 27 januari 1989. Hij is Syrisch onderdaan. Hij heeft zijn land van herkomst verlaten via de zee en is na een reis door verschillende landen uiteindelijk op 5 september 2015 Duitsland binnengekomen. Op 28 januari 2016 heeft hij een formeel asielverzoek ingediend bij het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (federaal bureau voor migratie en vluchtelingen; hierna: „Bundesamt”).

18.      EZ heeft het Bundesamt meegedeeld dat hij toen hij nog in Syrië verbleef om uitstel van zijn militaire dienst had verzocht omdat hij vreesde aan de burgeroorlog te moeten deelnemen. De Syrische autoriteiten hadden hem uitstel toegekend tot februari 2015 zodat hij zijn opleiding aan de universiteit van Aleppo zou kunnen voltooien. EZ heeft zijn universitaire studie in april 2014 afgerond. Hij heeft Syrië verlaten in november 2014 omdat hij dreigde te worden opgeroepen voor militaire dienst in februari 2015.

19.      Bij besluit van 11 april 2017 heeft het Bundesamt verzoeker de subsidiairebeschermingsstatus toegekend(23), maar zijn asielverzoek afgewezen op grond dat hij in Syrië niet werd vervolgd, zodat hij zijn land van herkomst niet had hoeven te ontvluchten. Het Bundesamt was van mening dat er in zijn geval geen oorzakelijk verband bestond tussen de daad van vervolging en een grond van vervolging. Op 1 mei 2017 heeft EZ tegen dat besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

20.      De verwijzende rechter heeft in zijn verwijzingsbeslissing het volgende verklaard.

21.      Syrië is sinds 2011 het toneel van een binnenlands gewapend conflict. Alle bij dat conflict betrokken partijen hebben zich schuldig gemaakt – en maken zich nog steeds schuldig – aan ernstige en stelselmatige schendingen van het internationale humanitaire recht.(24)

22.      Mannelijke Syrische onderdanen van 18 jaar en ouder zijn onderworpen aan een militaire dienstplicht van twee jaar. Het Syrische recht erkent geen recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren.(25) De Syrische militaire administratie blijft op grote schaal rekruteren. Van de dienstplichtigen wordt over het algemeen verwacht dat zij zich zodra hun militaire dienstplicht begint (bijvoorbeeld omdat een periode van uitstel voor studiedoeleinden afloopt), zelf bij de militaire administratie melden. Dienstplichtigen die zich niet aldus melden, worden in de regel na zes maanden op een lijst van dienstplichtontduikers geplaatst. Die lijst wordt doorgegeven aan controleposten en andere overheidsdiensten. Dienstplichtontduikers die vervolgens worden aangehouden, worden in oorlogstijd onder het Syrische recht zwaar bestraft. De vorm van de bestraffing is willekeurig en varieert van wettelijk vastgelegde gevangenisstraffen, die kunnen oplopen tot vijf jaar, tot (feitelijke) executie doordat deze rekruten gedurende frontoperaties worden ingezet bij gevaarlijke opdrachten zonder voorafgaand enige militaire training te hebben ontvangen.

23.      De verwijzende rechter is van mening dat EZ zijn algemene dienstplicht in het Syrische leger niet wil vervullen omdat hij dan waarschijnlijk betrokken zou raken bij het begaan van oorlogsmisdrijven.(26) Enkel en alleen al door Syrië te ontvluchten en een verzoek om internationale bescherming in te dienen, loopt EZ in zijn land van herkomst het risico op vervolging en bestraffing.

24.      Tegen die achtergrond verzoekt de verwijzende rechter om aanwijzingen met betrekking tot een aantal kwesties. Hij vraagt het Hof met name artikel 9, lid 3, van de erkenningsrichtlijn te onderzoeken en te verduidelijken of er een oorzakelijk verband moet worden aangetoond tussen de in artikel 9, lid 2, vermelde „daden van vervolging” en een van de in artikel 10, lid 1, opgenomen „gronden van vervolging”. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen of van een dergelijk verband krachtens die richtlijn automatisch sprake is, wanneer een asielverzoek is gebaseerd op artikel 9, lid 2, onder e).(27) Dienovereenkomstig heeft de verwijzende rechter het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Dient artikel 9, lid 2, onder e), van [de erkenningsrichtlijn] aldus te worden uitgelegd dat een ‚weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict’ niet vereist dat de betrokkene de militaire dienst in het kader van een geformaliseerde procedure heeft geweigerd, indien het recht van het land van herkomst niet voorziet in een recht om militaire dienst te weigeren?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord:

Ziet de uit hoofde van artikel 9, lid 2, onder e), van [de erkenningsrichtlijn] verleende bescherming wegens ‚de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict’ ook op personen die zich na afloop van de periode van uitstel van de militaire dienst niet ter beschikking stellen van de militaire administratie van het land van herkomst en zich aan de verplichte rekrutering onttrekken door te vluchten?

3)      Indien de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord:

Dient artikel 9, lid 2, onder e), van [de erkenningsrichtlijn] aldus te worden uitgelegd dat voor een dienstplichtige die niet weet hoe en waar hij als militair zal worden ingezet, de militaire dienst direct of indirect ‚strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder het toepassingsgebied van de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, vallen’ louter op grond van het feit dat de strijdkrachten van zijn land van herkomst keer op keer en stelselmatig met inzet van dienstplichtigen dergelijke strafbare feiten of handelingen begaan?

4)      Dient artikel 9, lid 3, van [de erkenningsrichtlijn] aldus te worden uitgelegd dat ook in het geval van vervolging in de zin van artikel 9, lid 2, onder e), van [de erkenningsrichtlijn] overeenkomstig artikel 2, onder d), van [de erkenningsrichtlijn] een verband moet bestaan tussen de in artikel 10 van [de erkenningsrichtlijn] genoemde gronden van vervolging en de in artikel 9, leden 1 en 2, van [de erkenningsrichtlijn] genoemde daden van vervolging dan wel het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden?

5)      Indien de vierde vraag bevestigend moet worden beantwoord: is er reeds dan sprake van een verband tussen de vervolging in de vorm van vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen en de grond van vervolging in de zin van artikel 9, lid 3, juncto artikel 2, onder d), van [de erkenningsrichtlijn] wanneer de vervolging of bestraffing voortvloeit uit de weigering?”

25.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door EZ en de Europese Commissie. Deze twee partijen, alsook het Bundesamt en Duitsland, hebben mondelinge opmerkingen gemaakt ter terechtzitting van 5 maart 2020.

 Beoordeling

 Algemene opmerkingen

26.      In de considerans van de erkenningsrichtlijn wordt het kader vastgesteld waarbinnen de bepalingen van die richtlijn moeten worden uitgelegd. Binnen dit kader vormen het Verdrag van Genève en het Protocol de basis voor de toepassing van die richtlijn, die eveneens ten volle rekening houdt met de in het Handvest verankerde beginselen en de verplichtingen van de lidstaten onder het internationale recht.(28)

27.      De erkenningsrichtlijn dient dan ook te worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene opzet en de doelstelling van die richtlijn, met inachtneming van het Verdrag van Genève en de andere relevante verdragen als bedoeld in artikel 78, lid 1, VWEU en met eerbiediging van de rechten die zijn erkend in het Handvest.(29) Verklaringen van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) leveren waardevol advies op bij de uitlegging van de erkenningsrichtlijn.(30)

28.      De algemene opzet van de erkenningsrichtlijn is als volgt. Het begrip „vluchteling” verwijst met name naar een onderdaan van een derde land die zich buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit „wegens een gegronde vrees voor vervolging” om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, en die de „bescherming” van dat land niet kan of, „wegens deze vrees”, niet wil inroepen. De betrokken persoon dient derhalve op grond van bestaande omstandigheden in zijn land van herkomst een gegronde vrees te hebben om persoonlijk te worden vervolgd wegens minstens een van de vijf gronden die zijn opgenomen in artikel 2, onder d), en artikel 10, lid 1, van die richtlijn, alsook in artikel 1 A, lid 2, van het Verdrag van Genève.

29.      Overeenkomstig artikel 4, lid 3, onder a), b) en c), van de erkenningsrichtlijn dient bij de individuele beoordeling van een verzoek om internationale bescherming rekening te worden gehouden met het volgende: (i) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het asielverzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast; (ii) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, en (iii) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker.(31)

30.      De Syrische Staat en zijn militaire administratie vallen onder de omschrijving van „actoren van vervolging of ernstige schade”, zoals opgenomen in artikel 6, onder a), van de erkenningsrichtlijn.

31.      Artikel 12, lid 2, van de erkenningsrichtlijn is afgeleid van artikel 1 F van het Verdrag van Genève. Enkel artikel 12, lid 2, onder a), is in de onderhavige omstandigheden van belang.(32) De in die bepaling en in artikel 1 F, onder a), van het Verdrag van Genève vermelde handelingen die leiden tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus, zijn identiek. Van dergelijke uitsluiting is sprake wanneer er „ernstige redenen” zijn om aan te nemen dat de betrokken persoon misdrijven tegen de vrede, oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven.

32.      Het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal(33) definieert „misdrijf tegen de vrede” als het maken van plannen voor, het voorbereiden van, het nemen van initiatief tot of het voeren van een aanvalsoorlog of een oorlog in strijd met internationale verdragen of andere overeenkomsten. Een dergelijk misdrijf kan naar zijn aard slechts worden gepleegd door een hooggeplaatste leidinggevende die een staat of een op een staat gelijkende entiteit vertegenwoordigt.(34) In de verwijzingsbeslissing wordt aangegeven dat EZ een jongeman is die zich aan militaire dienstplicht in Syrië heeft onttrokken door het land te ontvluchten. Mijns inziens kan gerust worden uitgesloten dat deze jongeman, als hij in dienst van het leger zou zijn getreden, (binnen twee jaar) een voldoende hooggeplaatste militair zou zijn geworden om een misdrijf tegen de vrede te kunnen plegen.

33.      Het verslag van de achtergrondfeiten en de verklaringen van de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing duiden er echter wel op dat EZ, indien hij in militaire dienst zou zijn getreden, het risico had kunnen lopen betrokken te raken bij oorlogsmisdrijven en/of misdrijven tegen de menselijkheid.(35) Het begrip „oorlogsmisdrijven” wordt in een aantal internationale instrumenten omschreven. Tot die misdrijven behoren onder meer ernstige schendingen van regels van het internationale humanitaire recht die erop zijn gericht personen die niet of niet langer rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden te beschermen, en de middelen en methoden van oorlogvoering te beperken. Het opzettelijk doden en folteren van burgers valt onder het begrip „oorlogsmisdrijf”.(36) Onder misdrijven tegen de menselijkheid vallen handelingen zoals genocide, moord, verkrachting en foltering als onderdeel van een wijdverbreide of systematische aanval die is gericht tegen de burgerbevolking.(37)

34.      Het hoofddoel van de erkenningsrichtlijn, zoals bepaald in artikel 1 ervan, is te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk internationale bescherming in de Europese Unie behoeven.(38) Die richtlijn heeft in wezen een humanitaire achtergrond.

35.      Het is eveneens van belang eraan te herinneren dat de erkenningsrichtlijn geharmoniseerde minimumnormen voor het vaststellen van de vluchtelingenstatus heeft ingevoerd.(39) Het is daarom des te belangrijker ervoor te zorgen dat die regels in de lidstaten consequent en uniform worden toegepast.

36.      Artikel 9, lid 2, onder e), en lid 3, en artikel 10 moeten in het licht van deze overwegingen worden uitgelegd.

 Vierde en vijfde vraag

37.      Met zijn vierde en vijfde vraag verzoekt de verwijzende rechter om aanwijzingen voor de uitlegging van artikel 9, lid 3, van de erkenningsrichtlijn.(40) Hij wenst met name te vernemen hoe die bepaling in samenhang met artikel 9, lid 2, onder e), en artikel 10, lid 1, onder e), dient te worden uitgelegd.

38.      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het in artikel 9, lid 3, opgenomen vereiste dat er een „verband” moet bestaan met een in artikel 10 genoemde grond van vervolging ook geldt indien de „daad van vervolging” bestaat in vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst oorlogsmisdrijven en/of misdrijven tegen de menselijkheid inhoudt [artikel 9, lid 2, onder e)].

39.      Het Bundesamt, Duitsland en de Commissie zijn het erover eens dat er steeds een oorzakelijk verband dient te zijn tussen de daden van vervolging en de gronden van vervolging. EZ betwist dat standpunt.

40.      Mijns inziens is de door het Bundesamt, Duitsland en de Commissie verdedigde uitlegging van artikel 9, lid 3, van de erkenningsrichtlijn juist.

41.      Ten eerste strookt de tegenovergestelde uitlegging niet met de omschrijving van vluchteling in artikel 2, onder d), van de erkenningsrichtlijn (een persoon met „een gegronde vrees voor vervolging” om minstens een van de vijf daarin opgenomen redenen die „de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen”).(41)

42.      Ten tweede zou een dergelijke uitlegging eveneens in strijd zijn met de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 9, lid 3, zelf, waarin wordt bepaald dat er „een verband [moet] zijn”(42) tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden gekenmerkt in de zin van artikel 9, lid 1, of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.(43)

43.      Hierbij is het nuttig om nader in te gaan op artikel 9, dat de factoren omschrijft op grond waarvan daden als daden van vervolging kunnen worden beschouwd.(44)

44.      Artikel 9, lid 1, onder a), bepaalt dat de betrokken daden „zo ernstig” van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een „ernstige schending [vormen] van de grondrechten van de mens”, met name de in artikel 15, lid 2, EVRM bedoelde onvervreemdbare rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is. Artikel 9, lid 1, onder b), bepaalt dat een samenstel van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die „voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen” als omschreven onder artikel 9, lid 1, onder a), eveneens wordt geacht vervolging in te houden. Alle gestelde daden van vervolging moeten aan de minimumvereisten van artikel 9, lid 1, voldoen om een asielzoeker binnen de werkingssfeer van de erkenningsrichtlijn te doen vallen.

45.      Artikel 9, lid 2, bevat een heterogene lijst van mogelijke daden van vervolging. Die lijst is louter illustratief. De eerste vier vermeldingen in de lijst betreffen handelingen die door actoren van vervolging of ernstige schade kunnen worden gesteld tegen een persoon. De vijfde en zesde vermelding zijn afhankelijk van een of andere voorafgaande handeling of hoedanigheid van de persoon als gevolg waarvan deze aan de betrokken behandeling wordt blootgesteld. Aangezien de lijst van artikel 9, lid 2, illustratief is („[...] kunnen onder meer de vorm aannemen van: [...]”), kunnen andere, niet genoemde daden voor de toepassing van artikel 9, lid 1, onder a), toch als daden van vervolging worden aangemerkt.(45) Het is in elk geval duidelijk dat het in artikel 9, lid 2, genoemde soort (of type) daad niettemin de in artikel 9, lid 1, aangegeven graad van ernst moet bereiken alvorens als „daad van vervolging” te kunnen worden aangemerkt.

46.      Artikel 9, lid 3, verwijst naar artikel 9, lid 1 („daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel”), maar bevat geen verwijzing naar de in artikel 9, lid 2, opgenomen illustratieve lijst van dergelijke daden. Dit verzuim kan een nalatigheid van de wetgever zijn geweest, doch de wetgever kan ook opzettelijk niet naar die lijst hebben verwezen. In de erkenningsrichtlijn zelf is niet terug te vinden waarom die verwijzing ontbreekt. Mogelijk wordt in artikel 9, lid 3, eenvoudigweg niet naar artikel 9, lid 2, verwezen omdat dit lid 2 niet uitputtend bepaalt wat onder daden van vervolging moet worden verstaan (dat is de functie en het doel van artikel 9, lid 1).(46) De wetgever heeft mogelijk geoordeeld dat de in artikel 9, lid 2, opgenomen illustratieve lijst van wat kan vallen onder daden die voldoende ernstig zijn voor de toepassing van artikel 9, lid 1, impliciet mede onder dit lid 1 valt.

47.      Wat ook de juiste verklaring mag zijn, het lijkt mij echter niet aannemelijk dat er niet bij elk van de in artikel 9, lid 2, bedoelde vormen van daden van vervolging een oorzakelijk verband met de gronden van vervolging moet worden vastgesteld.

48.      Ten derde zou een dergelijke uitlegging in tegenspraak zijn met de bewoordingen van artikel 1 A, lid 2, van het Verdrag van Genève, die verwijzen naar een persoon die een gegronde vrees heeft voor vervolging „wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging”. Die omschrijving komt uiteraard overeen met die in artikel 2, onder d), van de erkenningsrichtlijn (zoals ik heb aangegeven in punt 41 hierboven), dat in overeenstemming met het verdrag van Genève dient te worden uitgelegd.(47) Ik wens er eveneens de aandacht op te vestigen dat in de toelichting bij de erkenningsrichtlijn staat vermeld dat de wetgever hetgeen thans in artikel 9, lid 3, is aangeduid als het „oorzakelijk verband” in de herschikte versie van die richtlijn wenste te verduidelijken.(48)

49.      Ten vierde heeft het Hof steeds gewezen op de noodzaak om een oorzakelijk verband aan te tonen tussen de vrees voor daden van vervolging en de gronden van vervolging in artikel 10, lid 1. De uitspraken van het Hof in zaken met betrekking tot asielverzoeken op grond van godsdienst of seksuele gerichtheid zijn voorbeelden die gemakkelijk naar analogie kunnen worden toegepast op de onderhavige kwestie.(49)

50.      Ten vijfde zou het ontkennen van de noodzaak om een oorzakelijk verband tussen de gronden van vervolging en de daden van vervolging of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden aan te tonen, indruisen tegen het doel van de erkenningsrichtlijn.(50)

51.      Ik kom derhalve tot de slotsom dat artikel 9, lid 3, van de erkenningsrichtlijn aldus dient te worden uitgelegd dat er steeds een oorzakelijk verband moet zijn tussen de in artikel 10, lid 1, genoemde gronden van vervolging en de in artikel 9, lid 1, omschreven daden van vervolging, met inbegrip van gevallen waarin een aanvrager van internationale bescherming een beroep doet op artikel 9, lid 2, onder e), van die richtlijn.

52.      Aangezien ik voorstel om op de vierde vraag bevestigend te antwoorden, dient de vijfde vraag te worden beantwoord. Met die vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of er van het door artikel 9, lid 3, vereiste oorzakelijk verband automatisch sprake is in gevallen waarin een asielzoeker een beroep doet op artikel 9, lid 2, onder e), van de erkenningsrichtlijn. In die vraag liggen kwesties inzake de procedure voor het beoordelen van dergelijke verzoeken op grond van artikel 4 besloten.

53.      EZ voert aan dat wanneer een verzoeker gewetensbezwaren tegen het vervullen van militaire dienst inroept, moet worden aangenomen dat hij met die bezwaren blijk geeft van een politieke overtuiging en in zijn land van herkomst zal worden vervolgd aangezien het zich onttrekken aan militaire dienst er wordt bestraft.

54.      Het Bundesamt stelt dat niet kan worden aangenomen dat alle personen die weigeren hun militaire dienst te vervullen zich op artikel 10, lid 1, onder e), van de erkenningsrichtlijn kunnen beroepen. Ten bewijze van het noodzakelijke oorzakelijk verband moet het voor de Syrische Staat duidelijk zijn dat de betrokken persoon zich aan zijn militaire dienst heeft onttrokken op grond van gewetensbezwaren, hetgeen dient te blijken uit het feit dat hij met die standpunten naar buiten is getreden.

55.      Duitsland voert aan dat daaruit niet volgt dat er in elk geval waarin verzoekers artikel 9, lid 2, onder e), van de erkenningsrichtlijn inroepen, van het bestaan van een oorzakelijk verband moet worden uitgegaan. Verzoekers moeten de gronden van vervolging aantonen en de bevoegde nationale autoriteiten moeten hun verhaal kunnen verifiëren. In het kader van die verificatieprocedure kan onder meer worden verwezen naar externe bronnen waar de verzoeker zijn politieke overtuigingen te kennen heeft gegeven, door bijvoorbeeld boodschappen te plaatsen op publieke fora via het internet.

56.      De Commissie betoogt dat elk verzoek om internationale bescherming uiteraard individueel dient te worden onderzocht. Alle feiten moeten worden beoordeeld overeenkomstig artikel 4 van de erkenningsrichtlijn. Dienstweigering die is ingegeven om niet het risico te lopen bij oorlogsmisdrijven betrokken te raken, kan geacht worden de uitdrukking van een politieke overtuiging als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e), van de erkenningsrichtlijn te vormen.

57.      Het Hof beschikt niet over informatie waaruit blijkt op welke van de vijf in artikel 10, lid 1, van de erkenningsrichtlijn genoemde gronden van vervolging EZ zich heeft beroepen. In de verwijzingsbeslissing wordt vermeld dat EZ aanvoert dat hij „ongeacht zijn persoonlijke redenen alleen al vanwege zijn vlucht uit Syrië en zijn asielverzoek in Duitsland het gevaar loopt om in Syrië te worden vervolgd”. De verwijzende rechter gaat uit van de veronderstelling dat artikel 10, lid 1, onder e), (politieke overtuiging) de toepasselijke grond van vervolging is in het geval van EZ. Die veronderstelling kan weliswaar kloppen, maar dat betekent evenwel nog niet automatisch dat dit de enig mogelijke toepasselijke grond is.(51)

58.      Overeenkomstig de omschrijving van het begrip „vluchteling” in artikel 2, onder d), van de erkenningsrichtlijn dienen de bevoegde autoriteiten zich ervan te vergewissen dat de verzoeker wordt vervolgd of het gevaar loopt te worden vervolgd. Uit artikel 9 juncto artikel 10 volgt dat het begrip „vervolging” zowel de „daad van vervolging” als de „gronden van vervolging” omvat.(52)

59.      Wanneer een aanvrager van internationale bescherming aanvoert dat er sprake is van de in artikel 9, lid 2, onder e), bedoelde „daad van vervolging” en kan aantonen dat hij voldoet aan de twee in die bepaling opgenomen cumulatieve voorwaarden (namelijk dat hij het gevaar loopt om te worden vervolgd of bestraft vanwege de weigering om zijn militaire dienst te vervullen en dat een eventuele indiensttreding bij het leger wellicht handelingen zou inhouden die onder artikel 12, lid 2, vallen)(53), dient hij dan nog te bewijzen dat hij een politieke overtuiging heeft, om aan te tonen dat er een „grond van vervolging” in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), bestaat?

60.      De redenering achter de vijfde vraag van de verwijzende rechter lijkt te zijn dat indien aan de voorwaarden van artikel 9, lid 2, onder e), is voldaan, de verzoeker de noodzakelijke bestanddelen van het begrip „politieke overtuiging” reeds heeft aangetoond. Dat is het geval omdat hij zich verzet tegen de ideologie van zijn land van herkomst om een oorlog te voeren op een manier die oorlogsmisdrijven en/of schendingen van het internationale humanitaire recht behelst.

61.      Gelet op de algemene opzet van de erkenningsrichtlijn kan er mijns inziens geen sprake zijn van automatisme bij de beoordeling van een verzoek om als vluchteling te worden erkend. In gevallen waarin een verzoeker aanvoert dat er sprake is van de in artikel 9, lid 2, onder e), bedoelde „daad van vervolging”, dienen de bevoegde autoriteiten derhalve nog steeds overeenkomstig artikel 10, lid 1, te beoordelen of er gronden van vervolging bestaan.

62.      Artikel 10, lid 1, onder e), bepaalt dat het begrip „politieke overtuiging” met name inhoudt dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

63.      Dat is een ruime omschrijving. Zowel personen met politieke overtuigingen die eenvoudigweg verschillen van die van de regering in hun land van herkomst, als personen die reeds geboekt staan als politieke tegenstanders (of staatsvijanden) en die vrezen hun vrijheid of zelfs hun leven te verliezen in hun land van herkomst, kunnen onder die omschrijving vallen.

64.      Uit de laatste woorden van artikel 10, lid 1, onder e), „ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden”, blijkt voorts duidelijk dat de betrokken persoon niet dient aan te tonen dat hij, vóór zijn vertrek in zijn land van herkomst dan wel later in het land waar hij om asiel verzoekt, met zijn overtuiging naar buiten is getreden. De redenen hiervoor liggen voor de hand. Onder een repressief regime kan een persoon die moedig of onbezonnen genoeg is om zijn stem te verheffen, in hechtenis worden genomen en worden onderdrukt alvorens het land te kunnen ontvluchten en elders om asiel te verzoeken.

65.      Ik wijs dan ook de argumenten van het Bundesamt en de Duitse regering van de hand, voor zover zij aanvoeren dat een verzoeker met zijn politieke overtuiging naar buiten moet zijn getreden om artikel 10, lid 1, onder e), te kunnen inroepen. Die verklaring is niet in overeenstemming met de bewoordingen van de erkenningsrichtlijn en druist in tegen de in artikel 4 ervan opgenomen gedetailleerde verplichtingen in het kader van de beoordeling.(54)

66.      Artikel 10, lid 2, bepaalt dat „[b]ij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, [...] het niet ter zake [doet] of de verzoeker in werkelijkheid de [...] politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven” (eigen cursivering). Daarom dienen de bevoegde autoriteiten bij de beoordeling van een asielverzoek vast te stellen ofwel dat de betrokken persoon in werkelijkheid de desbetreffende politieke overtuiging heeft ofwel dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een dergelijke overtuiging hem door de actor van vervolging (in dit geval de Syrische Staat) zal worden toegeschreven.(55)

67.      Indien er geen gegronde vrees voor vervolging is, zal een persoon niet binnen de omschrijving van het begrip „vluchteling” vallen.(56) Vrees in abstracto voor vervolging en bestraffing wegens het ontlopen van de dienstplicht vormt dus geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de erkenningsrichtlijn. Een persoon wiens bezwaren tegen de dienstplicht louter zijn ingegeven door opportuniteitsoverwegingen („ik wil verdergaan met mijn carrière en geen tijd verliezen in het leger”) dan wel door de behoefte de ontberingen en mogelijke risico’s van de militaire dienst te ontlopen, zal evenmin onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen.(57)

68.      De noodzakelijke vaststellingen zijn pas mogelijk na een grondige beoordeling in overeenstemming met artikel 4 van de erkenningsrichtlijn.

69.      Ik wens hierbij op te merken dat het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend in het internationale recht, ofschoon er geen alomvattende omschrijving van een dergelijk recht bestaat.(58) Het belang van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst is ook door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) beklemtoond. Zij wordt beschouwd als een van grondvesten waarop een democratische samenleving berust.(59) De bescherming van artikel 9 EVRM (die wordt weerspiegeld in artikel 10 van het Handvest) reikt veel verder dan enkel de bescherming van de uitdrukking van geloofsovertuigingen. Zij is van toepassing op alle persoonlijke, politieke, filosofische en morele overtuigingen. Het EHRM heeft geoordeeld dat bezwaar tegen militaire dienst een overtuiging kan inhouden van voldoende samenhang, ernst en belang om onder de bescherming van artikel 9, lid 1, EVRM te vallen.(60) Het EHRM heeft eveneens verklaard dat het gerechtvaardigd is dat de bevoegde nationale autoriteiten de betrokken persoon verhoren teneinde de ernst van zijn overtuigingen in te schatten en pogingen om de waarborgen van artikel 9 EVRM te misbruiken te verijdelen.(61) Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest dienen de met de rechten van artikel 9 EVRM corresponderende rechten van artikel 10, lid 1, van het Handvest aldus te worden opgevat dat zij dienstweigering op grond van gewetensbezwaren omvatten.

70.      In de context van de erkenningsrichtlijn mogen de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de verzoeker verlangen dat hij „[...] alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient [...]”. Die bepaling voorziet echter ook in de positieve taak van de lidstaat om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen. De beoordeling moet plaatsvinden op individuele basis en onder meer rekening houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker. Dienaangaande wordt in artikel 4, lid 5, van de erkenningsrichtlijn onderkend dat een verzoeker zijn verzoek mogelijk niet altijd met bewijsmateriaal zal kunnen staven. Indien aan de cumulatieve voorwaarden van die bepaling is voldaan, is dergelijk bewijsmateriaal niet vereist.(62)

71.      Het is vaste rechtspraak dat de verklaring van de verzoeker slechts het uitgangspunt vormt voor de beoordeling door de bevoegde autoriteiten.(63) Met een dergelijke beoordeling wordt beoogd ervoor te zorgen dat aan de doelstellingen van het GEAS wordt voldaan, namelijk de erkenning als vluchteling te beperken tot personen die het gevaar lopen dat hun meest wezenlijke rechten hun worden ontzegd of dat die rechten systematisch worden geschonden, en wier leven in hun land van herkomst dan ook ondraaglijk is geworden.(64) De omstandigheden in het hoofdgeding verschillen van die in de zaak Shepherd(65) (die betrekking had op een soldaat die reeds in militaire dienst was, en niet op iemand die is gevlucht om aan zijn dienstplicht te ontsnappen). Die zaak vormt evenwel een nuttig uitgangspunt. Het Hof heeft daarin verklaard dat de hoedanigheid van militair een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde is om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 9, lid 2, onder e), van de erkenningsrichtlijn. Die bepaling ziet uitsluitend op een conflictsituatie waarin „de militaire dienst op zich het begaan van oorlogsmisdrijven moet inhouden” (de individuele verzoeker dient niet aan te tonen dat hij ertoe zou worden gebracht persoonlijk dergelijke misdrijven te begaan). Veeleer heeft „[d]e Uniewetgever [...] gewild dat op objectieve wijze rekening wordt gehouden met de algemene context waarin de dienst wordt vervuld”. Bescherming kan enkel worden uitgebreid naar andere personen wier taken hen „op voldoende directe wijze en met redelijke aannemelijkheid” kunnen brengen tot deelname aan dergelijke daden. Aangezien artikel 9, lid 2, onder e), evenwel bescherming beoogt te verlenen aan de verzoeker die zich tegen militaire dienst verzet omdat hij zich niet wil blootstellen aan het risico om in de toekomst betrokken te raken bij daden als die waarop wordt gedoeld in artikel 12, lid 2, kan die persoon „zich bijgevolg enkel baseren op de aannemelijkheid” dat dergelijke daden zullen worden begaan. De door de nationale autoriteiten te verrichten beoordeling krachtens artikel 4, lid 3, kan enkel berusten op „een reeks aanwijzingen, wat de enige manier is om, gelet op alle omstandigheden van het geval, aan te tonen dat de situatie van die dienst het aannemelijk maakt dat dergelijke daden zullen worden begaan” (cursivering van mij).(66)

72.      De toepasselijke procedureregels voor die beoordeling zijn opgenomen in de procedurerichtlijn en niet in de erkenningsrichtlijn.(67) Mijns inziens zullen in gevallen waarin de verzoeker zich beroept op artikel 9, lid 2, onder e), de beoordeling of er sprake is van een „daad van vervolging” in de zin van die bepaling en de beoordeling of de verzoeker een „grond van vervolging” heeft aangetoond onder artikel 10, elkaar ongetwijfeld in grote mate overlappen. Het zou zowel gekunsteld als onnodig belastend zijn om van de verzoeker te verlangen dat hij de in het arrest Shepherd(68) aangegeven elementen aantoont ten bewijze dat aan de voorwaarden van artikel 9, lid 2, onder e), is voldaan en vervolgens dat hij al die elementen nogmaals bewijst om aan te tonen dat de regering van zijn land van herkomst een ideologie aanhangt die oorlogsmisdrijven door haar leger onderschrijft, waarvan het aannemelijk is dat hij zich daartegen verzet.

73.      Wat de gronden van vervolging onder artikel 10, lid 1, betreft, wordt in de verwijzingsbeslissing niet vermeld of EZ stelt gewetensbezwaarde te zijn omdat hij pacifist is en zich verzet tegen elk gebruik van militair geweld dan wel of zijn bezwaren op meer beperkte gronden zijn gebaseerd. Van het gegeven dat de oorlog in Syrië een burgeroorlog is en dat de bij het voeren van die oorlog door de Syrische Staat toegepaste methoden oorlogsmisdrijven inhouden en het internationale humanitaire recht schenden, kan worden aangenomen dat het een van die gronden kan uitmaken.(69) Het is gerechtvaardigd voor de bevoegde autoriteiten om te trachten de aard van zijn bezwaren na te gaan.

74.      Bij die beoordeling kunnen de bevoegde autoriteiten rekening houden met de hiernavolgende aspecten.

75.      Het kan niet anders dan dat bezwaar tegen militaire dienst in zekere mate een waardenconflict inhoudt tussen de autoriteiten en de persoon die bezwaar heeft. Een opvatting, gedachte of mening hebben die blijk geeft van verzet tegen die activiteiten van de Syrische Staat kan een politieke overtuiging inhouden voor de toepassing van artikel 10, lid 1, onder e), van de erkenningsrichtlijn.

76.      Als wordt vastgesteld dat de verzoeker zich verzet tegen het vervullen van militaire dienst op grond van gewetensbezwaren, moet als volgende stap in de beoordeling worden nagegaan of er objectieve en subjectieve elementen zijn waaruit blijkt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging om reden van zijn politieke overtuiging of mening.

77.      Wat de objectieve elementen betreft, vormt het feit dat militairen door middel van de dienstplicht worden aangeworven een objectief element dat erop lijkt te wijzen dat een persoon die zich tegen een dergelijke dienstplicht verzet, waarschijnlijk in conflict zal komen met de overheidsinstanties in zijn land van herkomst.

78.      Indien het land van herkomst van de verzoeker actief deelneemt aan een oorlog en er – zoals in dit geval – bewijs uit betrouwbare bronnen voorligt dat de oorlog wordt gevoerd in strijd met het internationale humanitaire recht, waarbij keer op keer en stelselmatig oorlogsmisdrijven worden begaan, vormt dat krachtig, objectief materiaal ter onderbouwing van een verzoek om als vluchteling te worden erkend op grond van artikel 10, lid 1, onder e).(70)

79.      Het feit dat de betrokken persoon al dan niet over een reële en haalbare mogelijkheid beschikt om vervangende dienstplicht te vervullen en zo aan zijn verplichte oproeping te voldoen, moet in aanmerking worden genomen. Het ontbreken in het land van herkomst van een procedure voor het verkrijgen van de hoedanigheid van, of de erkenning als, gewetensbezwaarde is eveneens relevant. Wanneer het nationale recht en/of de nationale praktijk in het land van herkomst niet voorziet in de mogelijkheid om zich op een legitieme manier tegen militaire dienst te verzetten, is het zeer wel denkbaar dat het zich onttrekken aan militaire dienst op zich door de staat als de uitdrukking van een politieke mening wordt beschouwd.(71)

80.      Relevant is de aard en de ernst van de straffen en de manier waarop personen die weigeren militaire dienst in Syrië te vervullen, worden behandeld, net zoals de vraag of de bestraffing voor het zich onttrekken aan militaire dienst onevenredig of streng is.(72)

81.      De nationale autoriteiten dienen er bij hun boordeling eveneens rekening mee te houden dat de wetten op de dienstplicht doorgaans op relatief jonge volwassenen van toepassing zijn. Een dergelijke asielzoeker zal misschien minder doordachte argumenten aanvoeren dan in dit soort omstandigheden van een oudere persoon kan worden verwacht.(73)

82.      Gelet op het overvloedige materiaal met betrekking tot de dienstplichtregeling en de strenge aanpak van dienstplichtontduikers in Syrië, zou het volstrekt onredelijk zijn van verzoekers te verwachten dat zij aantonen de Syrische militaire autoriteiten vóór hun vlucht uit Syrië van hun bezwaren tegen militaire dienst in kennis te hebben gesteld.(74) Evenmin zie ik goede redenen om van asielzoekers het bewijs te verlangen dat zij op sociale media boodschappen hebben geplaatst waarbij zij de oorlog in Syrië publiek veroordelen (nadat zij veilig en wel het land hebben verlaten, neem ik aan). Een dergelijk vereiste zou een uiterst gekunstelde toepassing van de richtlijn inhouden.(75)

83.      Voor de goede orde voeg ik daaraan toe dat EZ zich mogelijk wenst te beroepen op andere in artikel 10, lid 1, genoemde gronden, zoals het behoren tot een bepaalde sociale groep [artikel 10, lid 1, onder d)](76) of een geloofsovertuiging [artikel 10, lid 1, onder b)]. Ongeacht welke grond of gronden van vervolging hij wenst in te roepen, moeten de bevoegde autoriteiten een beoordeling uitvoeren overeenkomstig artikel 4 van de erkenningsrichtlijn.(77)

84.      Wat betekent dat voor de zaak van EZ in het hoofdgeding?

85.      Overeenkomstig artikel 13 van de erkenningsrichtlijn moet aan EZ de vluchtelingenstatus worden verleend indien hij op grond van de hoofdstukken II en III van die richtlijn als vluchteling wordt erkend. Die beoordeling is uiteraard een zaak van de bevoegde nationale autoriteiten en is onderworpen aan toezicht door de nationale rechters. Het is volgens mij nuttig om de aandacht te vestigen op de volgende elementen.

86.      EZ was op het moment van het voltooien van zijn universitaire opleiding 25 jaar oud. Op dat moment had hij nog uitstel van zijn militaire dienst. Hij was 26 jaar oud op het moment van zijn aankomst in Duitsland en 27 jaar tegen de tijd dat hij zijn asielverzoek had ingediend. EZ behoorde tot de groep van personen die volgens Syrisch recht in aanmerking kwamen om te worden opgeroepen. Het Syrisch recht erkent geen recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren.(78) Niets wijst erop dat de militaire autoriteiten zijn gestopt met het rekruteren van personeel. Klaarblijkelijk is er geen geloofwaardig alternatief voor militaire dienst voor hen die weigeren in het leger te dienen. Het feit dat dienstweigeraars streng worden bestraft, is goed gedocumenteerd. Door in zijn verwijzingsbeslissing op te nemen dat oorlogsmisdrijven, in de zin van artikel 12, lid 2, van die richtlijn, in de Syrische burgeroorlog wijdverbreid zijn en dat er sprake is van vele gedocumenteerde gevallen van schending van het internationale humanitaire recht, herhaalt de verwijzende rechter de bevindingen van talrijke internationale instanties. Het gaat hierbij steeds om objectieve elementen die de conclusie aannemelijk maken dat een persoon als EZ als gewetensbezwaarde een politieke overtuiging heeft als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e), van de erkenningsrichtlijn.

87.      Onder de erkenningsrichtlijn zijn de bevoegde autoriteiten verplicht de geloofwaardigheid van de door EZ verstrekte informatie te verifiëren. Denken zij dat hij eerlijk is? Is zijn informatie aannemelijk?

88.      Dienaangaande kan het van belang zijn dat EZ op het moment van zijn vlucht uit Syrië op het punt stond om te worden opgeroepen (drie maanden vóór het uitstel zou aflopen). Op dat moment was het derhalve zeer waarschijnlijk dat hij als dienstplichtige soldaat betrokken zou raken bij de burgeroorlog. Die elementen zijn duidelijk relevant voor elke beoordeling op grond van de erkenningsrichtlijn.

89.      Kortom, ik ben van mening dat wanneer een asielzoeker aanvoert dat er sprake is van de in artikel 9, lid 2, onder e), van de erkenningsrichtlijn bedoelde „daad van vervolging”, dit niet automatisch tot de vaststelling leidt dat de betrokken persoon een gegronde vrees voor vervolging op grond van een politieke overtuiging in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), van die richtlijn heeft. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten, wier handelingen aan rechterlijk toezicht zijn onderworpen, om vast te stellen of er sprake is van een oorzakelijk verband als bedoeld in die richtlijn. Bij die beoordeling zijn de volgende elementen mogelijk relevant: de vraag of het land van herkomst van de verzoeker een oorlog voert; de aard van de door de militaire autoriteiten in een dergelijke oorlog gehanteerde methoden; de beschikbaarheid van landenrapporten waaruit onder meer blijkt of rekrutering voor militaire dienst plaatsvindt door oproeping; de vraag of erkenning van de status van gewetensbezwaarde naar nationaal recht mogelijk is en, zo ja, welke procedures tot die erkenning leiden; de behandeling van opgeroepen personen die weigeren hun militaire dienst te vervullen; het bestaan of het ontbreken van alternatieven voor militaire dienst, en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waaronder zijn leeftijd.

 Conclusie

90.      In het licht van de voorgaande, geef ik het Hof in overweging de door het Verwaltungsgericht Hannover voorgelegde vierde en vijfde vraag als volgt te beantwoorden:

„–      Artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, dient aldus te worden uitgelegd dat er steeds een oorzakelijk verband moet bestaan tussen de in artikel 10, lid 1, genoemde gronden van vervolging en de in artikel 9, lid 1, omschreven daden van vervolging, ook in gevallen waarin een aanvrager van internationale bescherming artikel 9, lid 2, onder e), van die richtlijn wenst in te roepen.

–      Wanneer een asielzoeker aanvoert dat er sprake is van de in artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 bedoelde „daad van vervolging”, leidt dit niet automatisch tot de vaststelling dat de betrokken persoon een gegronde vrees voor vervolging op grond van een politieke overtuiging in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), ervan heeft. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten, wier handelingen aan rechterlijk toezicht zijn onderworpen, om vast te stellen of er sprake is van een oorzakelijk verband als bedoeld in die richtlijn. Bij die beoordeling zijn de volgende elementen mogelijk relevant: de vraag of het land van herkomst van de verzoeker een oorlog voert; de aard van de door de militaire autoriteiten in een dergelijke oorlog gehanteerde methoden; de beschikbaarheid van landenrapporten waaruit onder meer blijkt of rekrutering voor militaire dienst plaatsvindt door oproeping; de vraag of erkenning van de status van gewetensbezwaarde naar nationaal recht mogelijk is en, zo ja, welke procedures tot die erkenning leiden; de behandeling van opgeroepen personen die weigeren hun militaire dienst te vervullen; het bestaan of het ontbreken van alternatieven voor militaire dienst, en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waaronder zijn leeftijd.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      Arrest van 26 februari 2015 (C‑472/13, EU:C:2015:117).


3      Shepherds zaak had betrekking op richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12). De onderhavige zaak heeft evenwel betrekking op richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9), die richtlijn 2004/83/EG heeft ingetrokken en vervangen.


4      Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en in werking getreden op 22 april 1954 (hierna: „Verdrag van Genève”), zoals aangevuld bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te New York op 31 januari 1967 en in werking getreden op 4 oktober 1967 (hierna: „Protocol”). Het Verdrag van Genève was oorspronkelijk beperkt tot personen die waren gevlucht wegens gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden vóór 1 januari 1951 en binnen Europa. Het Protocol heeft die beperkingen opgeheven en het Verdrag van Genève universele dekking gegeven.


5      Artikel 1 F, onder b) en c), van het Verdrag van Genève bepaalt dat het verdrag niet van toepassing is op een persoon die een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, respectievelijk op iemand die zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.


6      Ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM).


7      Overwegingen 3 en 4.


8      Overweging 12.


9      Overweging 16.


10      Overweging 17.


11      Overweging 22.


12      Overweging 23.


13      Overweging 24.


14      Overweging 29.


15      Zie punt 13 hieronder.


16      Artikel 15, lid 2, EVRM bevat een opsomming van rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is, zoals het recht op leven.


17      Zie punt 13 hieronder.


18      Een overeenkomstige bepaling [artikel 17, lid 1, onder a)] sluit een dergelijke persoon evenzeer uit van subsidiaire bescherming. Volledigheidshalve voeg ik daaraan toe dat de bewoordingen van artikel 12, lid 2, onder b) en c), en de overeenkomstige uitsluitingen van subsidiaire bescherming in artikel 17, lid 1, onder b) en c), vergelijkbaar zijn met artikel 1 F, onder b) en c), van het Verdrag van Genève; zie voetnoot 5 hierboven.


19      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60; hierna: „procedurerichtlijn”).


20      Artikel 3, lid 1.


21      Artikel 10, lid 3.


22      „Zwischen den in § 3 Absatz 1 Nummer 1 in Verbindung mit den in § 3b gennanten Verfolgungsgründen und den in Absätzen 1 und 2 als Verfolgung eingestuften Handlungen oder dem Fehlen von Schutz vor solchen Handlungen muss eine Verknüpfung bestehen” (er moet een verband bestaan tussen de in § 3, lid 1, punt 1, juncto § 3b genoemde gronden van vervolging en de handelingen die in de leden 1 en 2 als vervolging worden aangemerkt, of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke handelingen) (cursivering van mij).


23      Zie punt 8 hierboven.


24      In zijn verwijzingsbeslissing wordt deze feitelijke vaststelling uitgebreid gedocumenteerd.


25      De verwijzende rechter refereert in zijn verwijzingsbeslissing aan het „Rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie met betrekking tot de Arabische Republiek Syrië” van de VN-Mensenrechtenraad van 2 februari 2017 (A/HRC/34/64).


26      In zijn verwijzingsbeslissing refereert de verwijzende rechter aan resolutie A/71/L.48 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 19 december 2016, die als titel heeft „Internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd”.


27      De verwijzende rechter verklaart in zijn verwijzingsbeslissing dat de nationale rechtspraak verdeeld is over de vraag of een dergelijk oorzakelijk verband noodzakelijk is ingeval asielzoekers hun verzoek baseren op artikel 9, lid 2, onder e), van de erkenningsrichtlijn.


28      Overwegingen 3, 4, 16 en 17 van de erkenningsrichtlijn.


29      Arrest van 26 februari 2015, Shepherd (C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


30      Zie overweging 22 van de erkenningsrichtlijn. Het „Handboek met betrekking tot procedures en criteria voor de bepaling van de vluchtelingenstatus onder het Verdrag van 1951 en het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 1967”, recentelijk herzien in februari 2019 (hierna: „VN-handboek”), en de richtsnoeren inzake internationale bescherming, richtsnoer 10 „Verzoeken om vluchtelingenstatus in verband met militaire dienst in het kader van artikel 1 A, lid 2, van het Verdrag van 1951 en/of het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 1967” (hierna: „UNHCR-richtsnoer 10”), in de versie van 12 november 2014, zijn voor deze kwestie bijzonder relevant. Geen van beide documenten is weliswaar juridisch bindend, maar zij weerspiegelen gevestigde internationaalrechtelijke beginselen.


31      Arrest van 26 februari 2015, Shepherd (C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


32      De uitsluitingsgronden in artikel 12, lid 2, onder b) en c), zijn terug te vinden in artikel 1 F, onder b) en c), van het Verdrag van Genève en zijn dus niet relevant in het onderhavige geval (zie voetnoot 5 hierboven).


33      Ondertekend te Londen op 8 augustus 1945.


34      Zie bijvoorbeeld punt 11 van de richtsnoeren voor de toepassing van de uitsluitingsbepalingen: artikel 1 F van het Verdrag van Genève (hierna: „UNHCR-richtsnoeren inzake de uitsluitingsbepalingen”).


35      Zie punten 21‑23 hierboven.


36      Zie mijn conclusie in de zaak Shepherd (C‑472/13, EU:C:2014:2360, punten 41‑43).


37      In dat verband haalt de verwijzende rechter een aantal rapporten en resoluties aan, zoals het verslag van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie inzake de Arabische Republiek Syrië van de VN-Mensenrechtenraad van 9 augustus 2018 (A/HRC/39/65); de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 2 juli 2018 betreffende „de mensenrechtensituatie in de Arabische Republiek Syrië” (A/HRC/38/L20); en een document van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie van de VN-Mensenrechtenraad van 10 maart 2017, „Mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationale humanitaire recht in de Arabische Republiek Syrië van 21 juli 2016 tot en met 28 februari 2017” (A/HRC/34/CRP.3).


38      Zie overweging 12 van de erkenningsrichtlijn.


39      Artikel 3 van de erkenningsrichtlijn.


40      Artikel 9, lid 3, verwijst naar artikel 9, lid 1, maar – en dat wekt misschien verbazing – maakt geen melding van de (niet-uitputtende) lijst van specifieke „daden van vervolging” die is opgenomen in artikel 9, lid 2. Zie verder, punt 45 hieronder.


41      Zie punt 28 hierboven.


42      Cursivering van mij.


43      Zie verder, punt 45 hieronder.


44      Arrest van 5 september 2012, Y en Z (C‑71/11 en C‑99/11, EU:C:2012:518, punt 53).


45      Zie punt 44 hierboven.


46      Zie punt 45 hierboven.


47      Zie overweging 24 van de erkenningsrichtlijn.


48      Zie het voorstel van de Commissie van 21 oktober 2009 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, en de inhoud van de verleende bescherming, COM(2009) 551 definitief, bladzijden 7 en 8: „Wanneer de vervolging uitgaat van niet-overheidsactoren, zoals milities, clans, criminele netwerken, lokale gemeenschappen of families, stoelt de vervolging zelf meestal niet op een van de gronden die in het verdrag van Genève worden genoemd, maar gaat het bijvoorbeeld om criminele motieven of persoonlijke wraak. In dergelijke gevallen is de staat echter vaak niet in staat of niet bereid om de betrokkene bescherming te bieden om redenen die verband houden met het Verdrag van Genève (zoals godsdienst, geslacht, etniciteit enz.). Om mogelijke lacunes in de bescherming op te vangen, wordt in het voorstel uitdrukkelijk bepaald dat aan de voorwaarde dat er een verband moet zijn tussen de vervolging zelf en de redenen voor de vervolging, ook is voldaan wanneer er een verband is tussen de vervolging zelf en het ontbreken van bescherming tegen dergelijke vervolging”. Cursivering zoals in de oorspronkelijke tekst.


49      Arresten van 5 september 2012, Y en Z (C‑71/11 en C‑99/11, EU:C:2012:518, punt 55, inzake godsdienst), en 2 december 2014, A e.a. (C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 60, inzake seksuele gerichtheid).


50      Zie overweging 29 van de erkenningsrichtlijn, waarin wordt benadrukt dat het bestaan van een dergelijk oorzakelijk verband „[e]en van de voorwaarden [is] om te worden erkend als vluchteling in de zin van [artikel 1 A], van het Verdrag van Genève”.


51      Zie verder, punt 83 hieronder.


52      Zie de conclusie van mijn overleden en gewaardeerde vriend en collega advocaat-generaal Bot in de gevoegde zaken  Y en Z (C‑71/11 en C‑99/11, EU:C:2012:224, punten 21 en 22).


53      Zie punten 31‑33 hierboven.


54      Zie ook naar analogie arrest van 25 januari 2018, F (C‑473/16, EU:C:2018:36, punten 31 en 32).


55      Zie UNHCR-richtsnoer 10, punt 51.


56      Zie VN-handboek, punten 80‑83. Zie ook het commentaar bij artikel 12, onder e), thans artikel 10, lid 1, onder e), van de erkenningsrichtlijn, in de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor richtlijn 2004/83, de eerste versie van de erkenningsrichtlijn [voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, COM(2001) 510 final].


57      Zie VN-handboek, punten 167 en 168.


58      Zowel artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt aldus dat eenieder het recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (die bepalingen worden aangehaald in de punten 8 en 9 van UNHCR-richtsnoer 10). In punt 3 van die dat richtsnoer worden gewetensbezwaren omschreven als bezwaren tegen militaire dienst die berusten op principes en gewetensgronden, waaronder diepe overtuigingen die voortkomen uit religieuze, morele, ethische, humanitaire of gelijksoortige drijfveren.


59      Arrest van 26 april 2016, Izzettin Doğan e.a. tegen Turkije (CE:ECHR:2016:0426JUD006264910, [Grote kamer], § 109). Inzake de ruime draagwijdte van artikel 9 EVRM, zie ook een oudere, maar welbekende uitspraak, rapport van de Commissie [voor de Mensenrechten] van 12 oktober 1978, DR 19, Arrowsmith tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 7050/75, betreffende de bescherming van zowel religieuze als niet-religieuze opvattingen en overtuigingen, met inbegrip van samenhangende en oprechte filosofische overtuigingen zoals pacifisme.


60      Arrest van 7 juli 2011, Bayatyan tegen Armenië (CE:ECHR:2011:0707JUD002345903, [Grote kamer], § 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


61      Arrest van 15 september 2016, Papavasilakis tegen Griekenland (CE:ECHR:2016:0915JUD006689914, § 54).


62      Zie punt 9 en voetnoot 19 hierboven; zie verder arrest van 2 december 2014, A e.a. (C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punten 50, 51 en 58).


63      Arrest van 25 januari 2018, F (C‑473/16, EU:C:2018:36, punt 28).


64      Zie bijvoorbeeld (met betrekking tot geloofsovertuigingen) conclusie van advocaat-generaal Bot in gevoegde zaken Y en Z (C‑71/11 en C‑99/11, EU:C:2012:224, punt 28).


65      Arrest van 26 februari 2015 (C‑472/13, EU:C:2015:117).


66      Arrest van 26 februari 2015, Shepherd (C‑472/13, EU:C:2015:117, punten 34‑40).


67      Zie punt 15 hierboven en arrest van 2 december 2014, A e.a. (C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


68      Arrest van 26 februari 2015, C‑472/13, EU:C:2015:117.


69      Zie bijvoorbeeld het rapport „Gewetensbezwaren tegen militaire dienst”, opgesteld op grond van resoluties 14 (XXXIV) en 1982/30 van de subcommissie voor de preventie van discriminatie en de bescherming van minderheden door Asbjern Eide en Chama Mubanga-Chipoya, punt 33 (hierna: „rapport ‚Gewetensbezwaren tegen militaire dienst’”).


70      Zie UNHCR-richtsnoer 10, punt 44.


71      Zie voetnoot 25 hierboven en UNHCR-richtsnoer 10, punt 52.


72      Zie het VN-handboek, punt 169.


73      Rapport „Gewetensbezwaren tegen militaire dienst”, punt 91.


74      Zie punt 22 hierboven.


75      Zie punt 65 supra.


76      Uit de in het arrest van het Hof van 26 februari 2015, Shepherd (C‑472/13, EU:C:2015:117), uiteengezette feiten blijkt dat Shepherd in zijn verzoek om als vluchteling te worden erkend de grond van het behoren tot een sociale groep heeft ingeroepen [artikel 10, lid 1, onder d), van de erkenningsrichtlijn].


77      VN-Handboek, punt 66.


78      Zie punt 22 hierboven.