Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg (Luxemburg) op 9 maart 2020 – XI / Caisse pour l’avenir des enfants

(Zaak C-129/20)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour de cassation du Grand-Duché de Luxembourg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: XI

Verwerende partij: Caisse pour l’avenir des enfants

Prejudiciële vraag

Moeten de clausules 1.1., 1.2. en 2.1., 2.3.b) van de op 14 december 1995 door de algemene branchorganisaties UNICE, CEEP, en EVV gesloten raamovereenkomst, tenuitvoergelegd bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof1 , aldus worden uitgelegd dat ze zich verzetten tegen de toepassing van een nationaalrechtelijke bepaling zoals artikel 29 bis van de gewijzigde wet van 16 april 1979 tot vaststelling van het algemeen statuut van de ambtenaren, in de versie die voortvloeit uit de wet van 22 december 2006 (Mémorial, A, 2006, nr. 242, blz. 4838), die de toekenning van ouderschapsverlof onderwerpt aan de dubbele voorwaarde dat de werknemer rechtmatig is tewerkgesteld en in die hoedanigheid is aangesloten bij de sociale verzekering, ten eerste, ononderbroken gedurende ten minste twaalf opeenvolgende maanden onmiddellijk voorafgaand aan het begin van het ouderschapsverlof en, ten tweede, op het moment van de geboorte of de opname van het (of de) te adopteren kind(eren), waarbij deze tweede voorwaarde zelfs moet zijn vervuld wanneer de geboorte of de opname meer dan twaalf maanden voor het begin van het ouderschapsverlof heeft plaatsgevonden?

____________

1 PB 1996, L 145, blz. 4.