Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (Polen) op 24 maart 2020 – A / O

(Zaak C-143/20)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: A

Verwerende partij: O

Prejudiciële vragen

Moeten artikel 185, lid 3, onder i), van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)1 en artikel 36, lid 1, van richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering2 , gelezen in samenhang met bijlage III, onder A, punt a.12 daarbij, aldus worden uitgelegd dat bij de afsluiting van een unit-linked levensverzekering (beleggingsverzekering) waarbij de onderliggende activa derivaten zijn (of gestructureerde financiële instrumenten waarin derivaten zijn verwerkt), de verzekeraar respectievelijk de verzekeringnemer (die een dergelijke verzekering aanbiedt, het verzekeringsproduct op de markt brengt of de verzekering „verkoopt”) verplicht is de verzekerde consument gegevens te verstrekken over de aard, het specifieke type of de kenmerken (Engels: „indication of the nature”, Duits: „Angabe der Art”, Frans: „indications sur la nature”) van het onderliggende instrument (het derivaat of het gestructureerde financiële instrument waarin een derivaat is verwerkt), of dat het volstaat alleen het type van de onderliggende activa aan te geven, zonder de kenmerken van dat instrument te vermelden?

Indien het antwoord op de eerste vraag luidt dat de verzekeraar respectievelijk de verzekeringnemer [die een dergelijke verzekering aanbiedt, het verzekeringsproduct op de markt brengt of de unit-linked verzekering (beleggingsverzekering) „verkoopt”] verplicht is de consument gegevens te verstrekken over de aard, het specifieke type of de kenmerken van het onderliggende instrument (het derivaat of het gestructureerde financiële instrument waarin een derivaat is verwerkt), moeten artikel 185, lid 3, onder i), van richtlijn 2009/138/EG en artikel 36, lid 1, van richtlijn 2002/83/EG, gelezen in samenhang met bijlage III, onder A., punt a.12. daarbij, dan aldus worden uitgelegd dat de aan de verzekerde consument verstrekte gegevens over de aard, het specifieke type of de kenmerken van het onderliggende instrument (het derivaat of het gestructureerde financiële instrument waarin een derivaat is verwerkt) dezelfde informatie moeten bevatten als die welke vereist is krachtens artikel 19, lid 3, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad3 en artikel 24, lid 4, van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU4 , dat wil zeggen passende informatie over de derivaten en voorgestelde beleggingsstrategieën, waaronder passende toelichting en waarschuwingen over de risico’s die zijn verbonden aan beleggingen in deze instrumenten of aan bepaalde beleggingsstrategieën, met name informatie over de door de verzekeraar of berekeningsagent gehanteerde methode voor de waardering van het onderliggende instrument gedurende de looptijd van de verzekeringsdekking en informatie over het risico in verband met het derivaat en de emittent ervan, met inbegrip van informatie over de mogelijke toekomstige verandering in waarde van het derivaat, de specifieke factoren die bepalend zijn voor dergelijke veranderingen en de mate waarin deze van invloed zijn op de waarde?

Moet artikel 185, lid 4, van richtlijn 2009/138/EG aldus worden uitgelegd dat, in het geval van een unit-linked levensverzekering of een unit-linked verzekering bij leven (beleggingsverzekering) waarbij het onderliggende activum een derivaat is (of een gestructureerd financieel instrument waarin een derivaat is verwerkt), de verzekeraar respectievelijk de verzekeringnemer (die een dergelijke verzekering aanbiedt, het verzekeringsproduct op de markt brengt of de verzekering „verkoopt”) verplicht is de verzekerde consument dezelfde informatie te verstrekken als die welke vereist is krachtens artikel 19, lid 3, van richtlijn 2004/39/EG en artikel 24, lid 4, van richtlijn 2014/65/EU, dat wil zeggen passende informatie over de derivaten en voorgestelde beleggingsstrategieën, waaronder passende toelichting en waarschuwingen over de risico’s die zijn verbonden aan beleggingen in deze instrumenten of aan bepaalde beleggingsstrategieën, met name informatie over de door de verzekeraar of berekeningsagent gehanteerde methode voor de waardering van het onderliggende instrument gedurende de looptijd van de verzekeringsdekking en informatie over het risico waarmee het derivaat gepaard gaat en dat verband houdt met de emittent ervan, met inbegrip van informatie over de mogelijke toekomstige verandering in waarde van het derivaat, de specifieke factoren die bepalend zijn voor dergelijke veranderingen en de mate waarin deze van invloed zijn op de waarde?

Is er in het geval dat de tweede of de derde vraag (of beide vragen) bevestigend worden beantwoord en in het geval dat een verzekeraar of verzekeringnemer die aan een consument een unit-linked levensverzekering (beleggingsverzekering) aanbiedt, verzuimt deze consument de vereiste informatie (als bedoeld in de tweede en de derde vraag) te verstrekken, sprake van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)5 of vormt een dergelijk verzuim een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 7 van deze richtlijn?

Is er, in het geval dat zowel de tweede als de derde vraag ontkennend worden beantwoord, sprake van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken wanneer de verzekeraar respectievelijk de verzekeringnemer (die een dergelijke verzekering aanbiedt, het verzekeringsproduct op de markt brengt of de unit-linked levensverzekering (beleggingsverzekering) „verkoopt”), verzuimt de consument duidelijk in kennis te stellen van het feit dat de geldmiddelen van het beleggingsfonds (beleggingsverzekering) worden belegd in derivaten (of gestructureerde producten waarin derivaten zijn verwerkt), of vormt een dergelijk verzuim een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 7 van deze richtlijn?

Is er, in het geval dat zowel de tweede als de derde vraag ontkennend worden beantwoord, sprake van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken wanneer een verzekeraar respectievelijk een verzekeringnemer die een unit-linked levensverzekering (beleggingsverzekering) aanbiedt, verzuimt de consument een gedetailleerde toelichting te geven over de precieze kenmerken van het instrument waarin de geldmiddelen van het beleggingsfonds (beleggingsverzekering) worden belegd, met inbegrip van informatie over de beginselen van de werking van een dergelijk instrument, indien dit een derivaat is (of een gestructureerd financieel instrument waarin een derivaat is verwerkt), of vormt een dergelijk verzuim een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 7 van deze richtlijn?

____________

1     PB 2009, L 335, blz. 1.

2     PB 2002, L 345, blz. 1.

3     PB 2004, L 145, blz. 1.

4     PB 2014, L 173, blz. 349.

5     PB 2005, L 149, blz. 22.