Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom (Verenigd Koninkrijk) op 6 april 2020 – Zipvit Ltd / Commissioners for Her Majesty's Revenue & Customs

(Zaak C-156/20)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Supreme Court of the United Kingdom

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Zipvit Ltd

Verwerende partij: Commissioners for Her Majesty's Revenue & Customs

Prejudiciële vragen

Indien (i) een belastingautoriteit, de leverancier of dienstverrichter en de belastingplichtige handelaar Europese btw-wetgeving onjuist interpreteren en een tegen het normale tarief belastbare prestatie als vrijgesteld van btw beschouwen, (ii) de overeenkomst tussen de leverancier of dienstverrichter en de handelaar bepaalt dat de opgegeven prijs voor de prestatie exclusief btw is en dat indien btw verschuldigd is, de handelaar de kosten daarvan moet dragen, (iii) de leverancier of dienstverrichter de verschuldigde extra btw nooit heeft gevorderd en niet meer kan vorderen van de handelaar, en (iv) de belastingdienst de btw die voldaan had moeten zijn, niet heeft gevorderd of (wegens verjaring) niet meer kan vorderen van de leverancier of dienstverrichter, heeft de richtlijn1 dan tot gevolg dat de werkelijk betaalde prijs bestaat uit een verschuldigd nettobedrag en de btw over dit bedrag, zodat de handelaar op grond van artikel 168, onder a), van de btw-richtlijn gerechtigd is om de btw als voorbelasting in aftrek te brengen?

Subsidiair, is de handelaar, in deze omstandigheden, op grond van artikel 168, onder a), van de btw-richtlijn gerechtigd om de over die prestatie „verschuldigde” btw als voorbelasting in aftrek te brengen?

Indien een belastingautoriteit, de leverancier of dienstverrichter en de belastingplichtige handelaar Europese btw-wetgeving onjuist interpreteren en een tegen het normale tarief belastbare prestatie als vrijgesteld van btw beschouwen en de handelaar dientengevolge voor de ten behoeve van hem verrichte prestatie geen btw-factuur aan de belastingautoriteit kan overleggen die aan de voorwaarden van artikel 226, leden 9 en 10, van de btw-richtlijn voldoet, kan de handelaar dan aanspraak maken op aftrek van voorbelasting op grond van artikel 168, onder a), van de btw-richtlijn?

Is het voor de beantwoording van vragen 1) tot en met (3) relevant:

om te onderzoeken of de dienstverrichter of leverancier, op grond van de nationale wetgeving of het Unierecht, enig verweer, al dan niet gebaseerd op gewettigd vertrouwen, zou kunnen voeren tegen pogingen van de belastingautoriteit om een aanslag vast te stellen waarbij hij wordt gelast een bedrag af te dragen dat overeenkomt met de btw over de prestatie?

dat de handelaar op hetzelfde tijdstip als de belastingautoriteit en de leverancier of de dienstverrichter wist dat de prestatie eigenlijk niet was vrijgesteld, of over dezelfde kennis als zij     beschikte en had kunnen voorstellen om de over de prestatie verschuldigde btw (berekend op basis van de handelsprijs voor de prestatie) te voldoen, zodat de btw kon worden afgedragen aan de belastingautoriteit, maar zulks verzuimd heeft?

____________

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).