ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

16 juli 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Migrerende werknemers – Sociale zekerheid – Toepasselijke wetgeving – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikel 14, punt 2, onder a) – Begrip ,degene die behoort tot het rijdend personeel van een onderneming’ – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 13, lid 1, onder b) – Begrip ,werkgever’ – Vrachtwagenchauffeurs die in twee of meer lidstaten of staten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) werkzaamheden in loondienst plegen te verrichten – Vrachtwagenchauffeurs die een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met een onderneming maar onder het feitelijke gezag staan van een andere onderneming die is gevestigd in de lidstaat waar zij wonen – Vaststelling van de onderneming die de hoedanigheid van ,werkgever’ heeft”

In zaak C‑610/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) bij beslissing van 20 september 2018, ingekomen bij het Hof op 25 september 2018, in de procedure

AFMB Ltd e.a.

tegen

Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

wijst


HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, E. Regan (rapporteur), P. G. Xuereb, L. S. Rossi en I. Jarukaitis, kamerpresidenten, E. Juhász, M. Ilešič, J. Malenovský, T. von Danwitz, C. Toader, C. Lycourgos en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: M.‑A. Gaudissart, adjunct-griffier,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 september 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        AFMB Ltd e.a., vertegenwoordigd door M. van Dam, advocaat,

–        de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door H. van der Most en M. Wickenhagen als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, P. Huurnink en J. Hoogveld als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en J. Pavliš als gemachtigden,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, A. Daly en R. Coesme als gemachtigden,

–        de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door N. Ioannou en D. Kalli als gemachtigden,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, M. Tátrai en V. Kiss als gemachtigden,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll en G. Hesse als gemachtigden,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door Z. Lavery als gemachtigde, bijgestaan door K. Apps, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en M. van Beek als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van – ten eerste – artikel 14, punt 1, onder a), en punt 2, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 (PB 2004, L 100, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”), alsook van – ten tweede – artikel 12 en artikel 13, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB 2012, L 149, blz. 4) (hierna: „verordening nr. 883/2004”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AFMB Ltd – een in Cyprus gevestigde vennootschap – en internationaal vrachtwagenchauffeurs, enerzijds, en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Nederland) (hierna: „SVB”), anderzijds, over besluiten waarbij de SVB de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing heeft verklaard op die vrachtwagenchauffeurs.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 1408/71

3        Titel II van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Vaststelling van de toe te passen wetgeving”, bevat de artikelen 13 tot en met 17 van die verordening.

4        Artikel 13 van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Algemene regels”, bepaalt:

„1.      Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.

2.      Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

a)      is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat;

[...]”

5        In artikel 14 van die verordening staat te lezen:

„Ten aanzien van de toepassing van de in artikel 13, lid 2, onder a), neergelegde regel gelden de volgende uitzonderingen en bijzonderheden:

1)      a)      Op degene die op grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst verricht voor een onderneming waaraan hij normaal verbonden is, en door deze onderneming gedetacheerd wordt op het grondgebied van een andere lidstaat teneinde aldaar voor haar rekening arbeid te verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat van toepassing, mits de te verwachten duur van die arbeid niet meer dan twaalf maanden bedraagt en hij niet wordt uitgezonden ter vervanging van een andere persoon wiens detachering beëindigd is.

[...]

2)      Op degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen, wordt de toepasselijke wetgeving als volgt vastgesteld:

a)      op degene die behoort tot het rijdend, varend of vliegend personeel van een onderneming welke voor rekening van anderen of voor eigen rekening internationaal vervoer van personen of goederen per spoor, over de weg, door de lucht of over de binnenwateren verricht en op het grondgebied van een lidstaat haar zetel heeft, is de wetgeving van laatstbedoelde staat van toepassing. Niettemin:

[...]

ii)      is op degene die in hoofdzaak werkzaam is op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont, de wetgeving van die staat van toepassing, zelfs indien de onderneming waarbij hij werkzaam is, noch haar zetel, noch een filiaal, noch een vaste vertegenwoordiging op dit grondgebied heeft;

[...]”

6        Krachtens artikel 84 bis van verordening nr. 1408/71 zijn de organen en de personen die onder deze verordening vallen, gehouden tot wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking teneinde de goede toepassing van deze verordening te verzekeren.

 Verordening nr. 574/72

7        Artikel 12 bis van – de bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB 2005, L 117, blz. 1) gewijzigde – verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, in de bij verordening nr. 118/97 gewijzigde en bijgewerkte versie (hierna: „verordening nr. 574/72”), bevat onder meer de regels inzake de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde nationale autoriteiten voor de toepassing van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1408/71.

 Verordening nr. 883/2004

8        In de overwegingen 1, 4, 18 bis en 45 van verordening nr. 883/2004 staat te lezen:

„(1)      De voorschriften ter coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels behoren tot de regelingen betreffende het vrije verkeer van personen en moeten bijdragen aan de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden.

[...]

(4)      Het is noodzakelijk dat de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen worden gerespecteerd en er enkel een coördinatiemethode wordt uitgewerkt.

[...]

(18 bis) Het beginsel van eenheid van het toepasselijke recht is zeer belangrijk en dient te worden versterkt. [...]

[...]

(45)      Aangezien de doelstelling van het voorgenomen optreden, namelijk coördinerende maatregelen om te waarborgen dat het recht van vrij verkeer van personen daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van dit optreden, beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen treffen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. [...]”

9        Artikel 2 van deze verordening, met als opschrift „Personele werkingssfeer”, bepaalt in lid 1:

„Deze verordening is van toepassing op onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in een van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden.”

10      Titel II van die verordening draagt als opschrift „Vaststelling van de toepasselijke wetgeving” en omvat de artikelen 11 tot en met 16.

11      In artikel 11 van diezelfde verordening, met als opschrift „Algemene regels”, staat te lezen:

„1.      Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.

[...]

3.       Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:

a)      geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;

[...]”

12      Artikel 12 van verordening nr. 883/2004, met als opschrift „Bijzondere regels”, luidt:

„1.      Degene die werkzaamheden in loondienst verricht in een lidstaat voor rekening van een werkgever die daar zijn werkzaamheden normaliter verricht, en die door deze werkgever wordt gedetacheerd om voor zijn rekening werkzaamheden in een andere lidstaat te verrichten, blijft onderworpen aan de wetgeving van de eerstbedoelde lidstaat, mits de te verwachten duur van die werkzaamheden niet meer dan 24 maanden bedraagt en de betrokkene niet wordt uitgezonden om een andere gedetacheerde persoon te vervangen.

2.      Op degene die in een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten en werkzaamheden van gelijke aard in een andere lidstaat gaat verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde lidstaat van toepassing, mits de te verwachten duur van die werkzaamheden niet meer dan vierentwintig maanden bedraagt.”

13      In artikel 13, lid 1, van deze verordening staat te lezen:

„Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

a)      de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of

b)      indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:

i)      de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, indien hij in dienst is van één onderneming of werkgever, of

[...].”

14      Titel V („Diverse bepalingen”) van die verordening voorziet in artikel 76 – dat als opschrift „Samenwerking” heeft – met name in verschillende mogelijkheden en wederzijdse verplichtingen inzake informatieverstrekking en samenwerking voor de organen en de personen die onder die verordening vallen.

15      Titel VI („Overgangs- en slotbepalingen”) van diezelfde verordening omvat de artikelen 87 tot en met 91.

16      Artikel 90 van verordening nr. 883/2004, met als opschrift „Intrekkingen”, bepaalt in lid 1:

„Verordening [nr. 1408/71] wordt met ingang van de toepassingsdatum van deze verordening ingetrokken.

Verordening [nr. 1408/71] blijft evenwel van kracht en de rechtsgevolgen ervan worden gehandhaafd voor:

[...]

c)      de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte [van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3)], de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen[, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de overeenkomst inzake Wetenschappelijke en Technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 6),] alsmede andere overeenkomsten die een verwijzing bevatten naar verordening [nr. 1408/71], zulks zolang genoemde overeenkomsten niet worden gewijzigd als gevolg van deze verordening.”

 Verordening nr. 987/2009

17      Artikel 16 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 883/2004 (PB 2009, L 284, blz. 1) voorziet – zoals blijkt uit de titel ervan – in een procedure voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 883/2004.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18      AFMB, een vennootschap die op 10 mei 2011 is opgericht in Cyprus, heeft met in Nederland gevestigde vervoersondernemingen fleetmanagementovereenkomsten gesloten waarbij zij zich ertoe verbond om tegen betaling van een commissie te zorgen voor het beheer van de vrachtwagens die door die ondernemingen voor hun rekening en risico in het kader van hun activiteiten werden geëxploiteerd. Tevens heeft AFMB voor wisselende perioden tussen 1 oktober 2011 en 26 mei 2015 arbeidsovereenkomsten gesloten met internationaal vrachtwagenchauffeurs die in Nederland wonen. In die overeenkomsten was AFMB aangewezen als werkgever van die werknemers en was het Cypriotische arbeidsrecht van toepassing verklaard.

19      Volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter hadden de betrokken internationaal vrachtwagenchauffeurs vóór de sluiting van die arbeidsovereenkomsten nooit in Cyprus gewoond of gewerkt. Tijdens de uitvoering van genoemde overeenkomsten bleven zij in Nederland wonen en hebben zij voor rekening van de vervoersondernemingen in kwestie hun werkzaamheden verricht in twee of meer lidstaten. Sommigen van die chauffeurs hebben hun werkzaamheden zelfs ook verricht in één of meer staten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA). Tevens blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat die vrachtwagenchauffeurs tijdens vorenbedoelde periode geen substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland verrichtten. Bovendien waren sommigen voorheen in dienst bij diezelfde ondernemingen.

20      Overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 987/2009 heeft AFMB de SVB verzocht om te bevestigen dat op grond van artikel 13 van verordening nr. 883/2004 over diezelfde periode de Nederlandse socialezekerheidswetgeving niet van toepassing was op de internationaal vrachtwagenchauffeurs waarmee zij die arbeidsovereenkomsten had gesloten. AFMB heeft in dit verband met name opgemerkt dat het bevoegde Cypriotische orgaan geen A 1-verklaringen ten behoeve van die vrachtwagenchauffeurs kon afgeven zolang de SVB niet had bevestigd dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving niet op hen van toepassing was.

21      Bij besluiten van oktober 2013 heeft de SVB de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op de betrokken vrachtwagenchauffeurs van toepassing verklaard en overeenkomstige A 1-verklaringen afgegeven.

22      Nadat AFMB bezwaar had gemaakt, zijn deze besluiten bevestigd bij besluiten van de SVB van juli 2014.

23      AFMB en een aantal vrachtwagenchauffeurs die arbeidsovereenkomsten met haar hadden gesloten, hebben bij de rechtbank Amsterdam (Nederland) beroep ingesteld tegen die besluiten van de SVB van juli 2014. Die rechter heeft dat beroep bij uitspraak van 25 maart 2016 verworpen.

24      AFMB en een aantal van die vrachtwagenchauffeurs hebben hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

25      Nadat dat beroep was ingesteld, is de dialoog- en bemiddelingsprocedure opgeschort die het bevoegde Cypriotische orgaan met betrekking tot de door de SVB afgegeven A 1-verklaringen had ingeleid overeenkomstig besluit nr. A 1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van verordening nr. 883/2004 (PB 2010, C 106, blz. 1).

26      In het kader van het hoofdgeding vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs moeten worden geacht te „[behoren] tot het [...] personeel” – in de zin van artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 – van AFMB dan wel van de vervoersondernemingen, en of AFMB dan wel de vervoersondernemingen hun „werkgever” is of zijn in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004. Hij wenst dus vast te stellen welke onderneming of ondernemingen voor de toepassing van die bepalingen moeten worden aangemerkt als werkgever van die chauffeurs, alsook welke criteria daarbij in aanmerking dienen te worden genomen. Hij is van oordeel dat het antwoord op die vraag bepalend is voor het hoofdgeding, omdat volgens hem op basis van dat antwoord de nationale socialezekerheidswetgeving kan worden aangewezen die van toepassing is op de chauffeurs in kwestie.

27      In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat het begrip „werkgever” niet wordt gedefinieerd in verordening nr. 1408/71 of verordening nr. 883/2004, en dat in deze verordeningen daarvoor evenmin wordt verwezen naar de nationale wetgevingen.

28      Die rechter is evenwel van oordeel dat er veel voor te zeggen valt om het Unierecht aldus uit te leggen dat de vervoersondernemingen in een zaak als die van het hoofdgeding moeten worden aangemerkt als werkgever van de vrachtwagenchauffeurs, maar hij wijst erop dat aan een dergelijke uitlegging ook nadelen zijn verbonden die betrekking hebben op de aanwijzing van de toepasselijke nationale socialezekerheidswetgeving.

29      In de tweede plaats stelt de verwijzende rechter zich – voor het geval dat het Hof zou oordelen dat een onderneming die zoals AFMB arbeidsovereenkomsten heeft gesloten met de vrachtwagenchauffeurs moet worden beschouwd als hun werkgever – de vraag of de specifieke vereisten van de in verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 883/2004 neergelegde detacheringsregeling eventueel naar analogie kunnen worden toegepast op de onderhavige situatie.

30      In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich – met het oog op de in het vorige punt bedoelde hypothese en voor het geval dat de tweede vraag ontkennend zou worden beantwoord – af of omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, misbruik van recht opleveren. Dienaangaande merkt hij op dat het Unierecht weliswaar de vrijheid van vestiging erkent, maar dat in casu de in het hoofdgeding betrokken vervoersondernemingen en AFMB onmiskenbaar allebei als wezenlijke doelstelling nastreefden de Nederlandse wet- en regelgeving te omzeilen door op kunstmatige wijze de voorwaarden te scheppen waaronder voordeel kon worden getrokken van het Unierecht. Voor het geval dat zou worden vastgesteld dat er aldus sprake is van misbruik, vraagt de verwijzende rechter zich af welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden voor de beslechting van het hoofdgeding.

31      In deze omstandigheden heeft de Centrale Raad van Beroep (Nederland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1A)            Moet artikel 14, tweede lid, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van [het hoofdgeding] de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt als behorend tot het rijdend personeel van:

a)      de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan de betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel

b)       de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;

c)      zowel de onderneming onder a als de onderneming onder b?

1B)      Moet artikel 13, eerste lid, sub b, van verordening (EG) nr. 883/2004 zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van [het hoofdgeding] als werkgever van de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt:

a)      de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan de betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel

b)      de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;

c)      zowel de onderneming onder a als de onderneming onder b?

2)      Voor het geval in omstandigheden als die van [het hoofdgeding] als werkgever wordt beschouwd de onderneming bedoeld in vraag 1A, onder b, en in vraag 1B, onder b:

Gelden de specifieke vereisten waaronder werkgevers, zoals uitzendbureaus en andere intermediairs, een beroep kunnen doen op de in artikel 14, eerste lid, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 12 van verordening (EG) nr. 883/2004 opgenomen uitzonderingen op het werklandbeginsel, in [het hoofdgeding] naar analogie ook geheel of gedeeltelijk voor de toepassing van artikel 14, tweede lid, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 13, eerste lid, sub b, van verordening (EG) nr. 883/2004?

3)      Voor het geval in omstandigheden als die van [het hoofdgeding] als werkgever wordt beschouwd de onderneming bedoeld in vraag 1A, onder b, en in vraag 1B, onder b, en vraag 2 ontkennend wordt beantwoord:

Is er bij de in dit verzoek weergegeven feiten en omstandigheden sprake van een situatie die is te duiden als misbruik van het recht van de EU en/of misbruik van het recht van de EVA? Zo ja, wat is hiervan het gevolg?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Opmerkingen vooraf

32      De Tsjechische, de Cypriotische en de Oostenrijkse regering alsook de regering van het Verenigd Koninkrijk trekken in twijfel dat verordening nr. 1408/71 ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding, omdat de betreffende tijdvakken van arbeid alle dateren van na de datum waarop die verordening is vervangen door verordening nr. 883/2004. Bovengenoemde regeringen zijn van mening dat het Hof dus enkel op de gestelde vragen behoort te antwoorden voor zover deze betrekking hebben op verordening nr. 883/2004.

33      Dienaangaande zij opgemerkt dat – zoals blijkt uit punt 18 van dit arrest – de tijdvakken waarin de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs door een arbeidsovereenkomst met AFMB waren verbonden, alle dateren van na 1 mei 2010, de datum waarop verordening nr. 1408/71 werd ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 883/2004.

34      Hieruit volgt dat verordening nr. 883/2004 van toepassing is op de situatie van de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs die hun beroepswerkzaamheden verrichtten in twee of meer lidstaten.

35      Wat betreft de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs die hun beroepswerkzaamheden zowel in één of meer lidstaten als in één of meer EVA-staten verrichtten, dient in herinnering te worden gebracht dat, op grond van artikel 90 van verordening nr. 883/2004, verordening nr. 1408/71 van kracht is gebleven en de rechtsgevolgen ervan zijn gehandhaafd voor onder meer de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, zolang deze overeenkomsten niet werden gewijzigd als gevolg van verordening nr. 883/2004. Laatstgenoemde verordening is na dergelijke wijzigingen pas op 1 april 2012 van toepassing geworden op de Zwitserse Bondsstaat en op 1 juni 2012 op IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

36      Hieruit volgt dat verordening nr. 1408/71 in die EVA-staten nog van kracht was tijdens een gedeelte van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tijdvakken, alsmede dat die verordening van toepassing was indien en voor zover vrachtwagenchauffeurs hun werkzaamheden hebben verricht op het grondgebied van één van die staten tijdens tijdvakken die voorafgaan aan één van voornoemde datums, wat de verwijzende rechter dient na te gaan.

37      Teneinde de verwijzende rechter bij de beantwoording van zijn vragen alle nuttige gegevens te verstrekken, moet in de context van de onderhavige zaak dan ook zowel verordening nr. 1408/71 als verordening nr. 883/2004 in aanmerking worden genomen.

 Eerste prejudiciële vraag

38      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 en artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat de werkgever – in de zin van deze bepalingen – van een internationaal vrachtwagenchauffeur de vervoersonderneming is die deze chauffeur in dienst heeft genomen, die feitelijk volledig de beschikking over hem heeft, die het feitelijke gezag over hem uitoefent en die feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt, dan wel de onderneming waarmee diezelfde chauffeur een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die hem volgens afspraak met de vervoersonderneming zijn loon betaalt.

39      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze vraag haar oorsprong vindt in een geschil tussen partijen in het hoofdgeding over de nationale socialezekerheidswetgeving die van toepassing is op de internationaal vrachtwagenchauffeurs die een arbeidsovereenkomst hebben met AFMB maar hun werkzaamheden verrichten voor rekening van de vervoersondernemingen die in het hoofdgeding zijn betrokken. De SVB is namelijk van mening dat enkel deze vervoersondernemingen, die in Nederland gevestigd zijn, moeten worden aangemerkt als werkgevers van die chauffeurs, zodat de Nederlandse wetgeving op hen van toepassing zou zijn, terwijl AFMB en die vrachtwagenchauffeurs van mening zijn dat AFMB als hun werkgever moet worden aangemerkt en dat de Cypriotische wetgeving op hen van toepassing is aangezien de zetel van AFMB zich in Cyprus bevindt.

40      In dit verband zij eraan herinnerd dat de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71 – waartoe artikel 14, punt 2, onder a), van deze verordening behoort – en de bepalingen van titel II van verordening nr. 883/2004 – waartoe artikel 13, lid 1, onder b), van deze verordening behoort – volledige en eenvormige stelsels van conflictregels vormen. Deze bepalingen hebben namelijk niet alleen tot doel de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijkerwijs daaruit voortvloeiende complicaties te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van een van die verordeningen vallende personen geen socialezekerheidsbescherming genieten bij gebreke van een wettelijke regeling die op hen van toepassing is (zie in die zin arresten van 1 februari 2017, Tolley, C‑430/15, EU:C:2017:74, punt 58, en 25 oktober 2018, Walltopia, C‑451/17, EU:C:2018:861, punt 41).

41      Zodra een persoon binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 of verordening nr. 883/2004 valt, zoals die wordt gedefinieerd in artikel 2 van elk van deze verordeningen, geldt dan ook in beginsel de in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 respectievelijk artikel 11, lid 1, van verordening nr. 883/2004 neergelegde regel van eenheid volgens welke slechts één wetgeving toepassing vindt, en wordt de toepasselijke nationale wetgeving vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van titel II van één van die verordeningen (zie in die zin arresten van 1 februari 2017, Tolley, C‑430/15, EU:C:2017:74, punt 59, en 25 oktober 2018, Walltopia, C‑451/17, EU:C:2018:861, punt 42).

42      Daartoe is in artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 en artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 het beginsel neergelegd dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst verricht, de wetgeving van die staat van toepassing is.

43      Niettemin geldt dit beginsel slechts „[o]nder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17” van verordening nr. 1408/71 respectievelijk „[b]ehoudens de artikelen 12 tot en met 16” van verordening nr. 883/2004. In een aantal bijzondere gevallen zou de strikte toepassing van dat beginsel immers tot gevolg kunnen hebben dat zowel voor de werknemer als voor de werkgever en de socialezekerheidsorganen administratieve complicaties niet worden vermeden maar juist in het leven worden geroepen, waardoor de onder die verordeningen vallende personen zouden kunnen worden belemmerd in de uitoefening van hun recht op vrij verkeer (zie in die zin arresten van 13 september 2017, X, C‑570/15, EU:C:2017:674, punt 16, en 6 februari 2018, Altun e.a., C‑359/16, EU:C:2018:63, punt 31).

44      Tot die bijzondere gevallen behoort het in artikel 14, punt 2, van verordening nr. 1408/71 respectievelijk artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004 bedoelde geval waarin iemand in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten.

45      Met name is in artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 bepaald dat op een persoon die behoort tot het rijdend personeel van een onderneming die voor rekening van anderen of voor eigen rekening internationaal vervoer van goederen over de weg verzorgt en op het grondgebied van een lidstaat haar zetel heeft, de wetgeving van deze staat van toepassing is indien die persoon – zoals de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs die onder die verordening vallen – niet in hoofdzaak werkzaam is op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont, in welk geval hij onderworpen zou zijn aan de wetgeving van laatstbedoelde lidstaat.

46      Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004 bepaalt op zijn beurt in punt b), i) dat degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten en die niet een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, onderworpen is aan de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt indien hij in dienst is van één onderneming of één werkgever. Het Hof heeft in dit verband verduidelijkt dat een persoon slechts binnen de werkingssfeer van artikel 13 van verordening nr. 883/2004 kan vallen indien hij gewoonlijk werkzaamheden van betekenis verricht op het grondgebied van twee of meer lidstaten (zie in die zin arrest van 13 september 2017, X, C‑570/15, EU:C:2017:674, punten 18 en 19). Zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, is in het geval van de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs aan die voorwaarde voldaan.

47      Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt dat alle in het hoofdgeding betrokken vervoersondernemingen hun zetel hebben in Nederland. Ten aanzien van AFMB benadrukt die rechter dat die vennootschap moet worden geacht haar zetel te hebben in Cyprus, zodat van deze premisse moet worden uitgegaan.

48      Derhalve is – zoals de verwijzende rechter in wezen heeft opgemerkt – de uitlegging van het begrip „degene die behoort tot het [...] personeel van een onderneming” in de zin van artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 en van het begrip „werkgever” in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004, waarmee het in diezelfde bepaling van verordening nr. 883/2004 gebezigde begrip „onderneming” in deze context moet worden gelijkgesteld, bepalend voor de vaststelling van de nationale socialezekerheidswetgeving die van toepassing is op de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs.

49      Dienaangaande zij opgemerkt dat in die verordeningen nergens ter bepaling van de betekenis van die begrippen naar de nationale wetgevingen of praktijken wordt verwezen.

50      Zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel vereist dat aan de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie een autonome en uniforme uitlegging moet worden gegeven waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met haar context en met de doelstelling van de regeling in kwestie (arrest van 19 maart 2020, Compañía de Tranvías de La Coruña, C‑45/19, EU:C:2020:224, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Aangezien de in punt 48 van het onderhavige arrest bedoelde begrippen een beslissende rol spelen bij de aanwijzing van de nationale socialezekerheidswetgeving die op grond van de in artikel 14 van verordening nr. 1408/71 respectievelijk artikel 13 van verordening nr. 883/2004 vastgestelde conflictregels van toepassing is, is het – zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in punt 39 van zijn conclusie – wegens de in punt 41 van dit arrest in herinnering gebrachte regel van eenheid volgens welke de wetgeving van één enkele lidstaat toepassing dient te vinden, des te belangrijker dat die begrippen autonoom worden uitgelegd.

52      Wat om te beginnen de gebezigde bewoordingen betreft, dient volgens vaste rechtspraak van het Hof de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan in aanmerking te worden genomen, omdat verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 883/2004 geen enkele definitie bevatten van de corresponderende begrippen „degene die behoort tot het [...] personeel van een onderneming” in de zin van artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 en „werkgever” in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004 (zie naar analogie arrest van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Wat de gebruikelijke betekenis van die uitdrukkingen betreft, zij opgemerkt dat de verhouding tussen een „werkgever” en zijn „personeel” in loondienst over het algemeen impliceert dat er tussen hen een band van ondergeschiktheid bestaat.

54      Wat vervolgens de context betreft waarvan de in punt 48 van het onderhavige arrest genoemde begrippen deel uitmaken, zij allereerst in herinnering gebracht dat de toepassing van het stelsel van conflictregels dat is ingevoerd bij de verordeningen waarin die begrippen voorkomen, enkel afhangt van de objectieve situatie waarin de betrokken werknemer zich bevindt (zie in die zin arrest van 4 juni 2015, Fischer-Lintjens, C‑543/13, EU:C:2015:359, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55      Bovendien heeft het Hof bij de uitlegging van de verordeningen inzake sociale zekerheid die voorafgingen aan verordening nr. 883/2004, met name bij de uitlegging van de bepalingen inzake de conflictregels die golden voor de detachering van werknemers, welke bepalingen waren vervat in artikel 13, onder a), van verordening nr. 3 van de Raad der EEG van 25 september 1958 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB 1958, 30, blz. 561) en vervolgens in artikel 14, punt 1, onder a), van verordening nr. 1408/71, in wezen geoordeeld dat de onderneming waarbij de werknemer „gewoonlijk werkzaam [is]” respectievelijk waaraan de werknemer „normaal verbonden is” in de zin van die bepalingen, de onderneming is onder het gezag waarvan hij staat, wat moet blijken uit alle omstandigheden van de tewerkstelling in kwestie (zie in die zin arresten van 5 december 1967, Van der Vecht, 19/67, EU:C:1967:49, blz. 443, en 10 februari 2000, FTS, C‑202/97, EU:C:2000:75, punt 24).

56      Het Hof heeft met name geoordeeld dat een onderneming die een werknemer heeft gedetacheerd op het grondgebied van een andere lidstaat teneinde aldaar arbeid te verrichten bij een andere entiteit, moet worden aangemerkt als enige werkgever van die werknemer, in het bijzonder gelet op het voortduren van de band van ondergeschiktheid tussen beiden tijdens de gehele duur van het dienstverband, zodat de arbeid moet worden geacht te zijn verricht voor die onderneming in de zin van artikel 13, onder a), van verordening nr. 3. Het Hof heeft gepreciseerd dat die band van ondergeschiktheid met name voortvloeide uit het feit dat de onderneming in kwestie het loon van de betrokken werknemer betaalde en hem kon ontslaan wegens fouten die hij beging tijdens het verrichten van arbeid bij de entiteit die van zijn diensten gebruikmaakte (zie in die zin arrest van 17 december 1970, Manpower, 35/70, EU:C:1970:120, punten 17, 18 en 20).

57      Het Hof heeft tevens benadrukt dat bij de beoordeling of een werknemer valt onder het – thans in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004 opgenomen – begrip „degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen” in de zin van artikel 14, punt 2, van verordening nr. 1408/71, rekening moet worden gehouden met een eventueel verschil tussen de in de betreffende arbeidsovereenkomsten vervatte gegevens en de wijze waarop de verplichtingen in de praktijk in het kader van die overeenkomsten zijn nagekomen (zie in die zin arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C‑115/11, EU:C:2012:606, punt 41).

58      Met name heeft het Hof gepreciseerd dat het betreffende orgaan in voorkomend geval, behalve met de bewoordingen van de contractdocumenten, rekening kan houden met factoren zoals de wijze waarop de arbeidsovereenkomsten tussen de betrokken werkgever en de betrokken werknemer voorheen in de praktijk zijn uitgevoerd, de omstandigheden waarin die overeenkomsten zijn gesloten en – meer in het algemeen – de kenmerken en wijzen van uitvoering van de door de onderneming in kwestie verrichte werkzaamheden, voor zover deze factoren licht kunnen werpen op de werkelijke aard van de arbeid in kwestie (arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C‑115/11, EU:C:2012:606, punt 45).

59      Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat wanneer uit andere relevante factoren dan de contractdocumenten blijkt dat de situatie van een werknemer feitelijk verschilt van de in die documenten beschreven situatie, de verplichting om verordening nr. 1408/71 naar behoren toe te passen met zich meebrengt dat het betrokken orgaan zijn bevindingen – ongeacht de bewoordingen van de contractdocumenten in kwestie – moet baseren op de werkelijke situatie van de werknemer (zie in die zin arrest van 4 oktober 2012, Format Urządzenia i Montaże Przemysłowe, C‑115/11, EU:C:2012:606, punt 46).

60      Gelet op de in de punten 52 tot en met 59 van het onderhavige arrest vermelde factoren dient met betrekking tot de in punt 48 van dit arrest vermelde begrippen rekening te worden gehouden met de objectieve situatie waarin de betrokken werknemer zich bevindt, alsook met alle omstandigheden van zijn tewerkstelling.

61      In dit verband kan de sluiting van een arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en een onderneming weliswaar een aanwijzing zijn dat er een band van ondergeschiktheid bestaat tussen die werknemer en die onderneming, maar kan op basis van deze omstandigheid alleen niet sluitend worden geconcludeerd dat er sprake is van een dergelijke band. Daarvoor dient namelijk niet alleen rekening te worden gehouden met de formeel in de arbeidsovereenkomst vervatte informatie, maar ook met de wijze waarop de respectieve verplichtingen van de werknemer en de betrokken onderneming in de praktijk worden uitgevoerd in het kader van die overeenkomst. Derhalve dient – ongeacht de bewoordingen van de contractdocumenten – de entiteit te worden aangewezen die het feitelijke gezag over de werknemer uitoefent, feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt en feitelijk bevoegd is om die werknemer te ontslaan.

62      Opgemerkt dient te worden dat de in de punten 60 en 61 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging steun vindt in de doelstellingen die worden nagestreefd met de in punt 48 van dit arrest vermelde bepalingen en – meer in het algemeen – met verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 883/2004 in hun geheel.

63      In dit verband zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1408/71 ertoe strekt om het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Europese Unie te waarborgen zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen (zie in die zin arrest van 9 maart 2006, Piatkowski, C‑493/04, EU:C:2006:167, punt 19). Evenzo heeft verordening nr. 883/2004 – zoals onder meer volgt uit de overwegingen 1 en 45 ervan – tot doel voor de coördinatie tussen de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten te zorgen opdat wordt gewaarborgd dat het recht op vrij verkeer van personen daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, en aldus bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden van personen die zich binnen de Unie verplaatsen (arrest van 13 juli 2017, Szoja, C‑89/16, EU:C:2017:538, punt 34). Bij verordening nr. 883/2004 zijn namelijk de in verordening nr. 1408/71 vervatte voorschriften gemoderniseerd en vereenvoudigd zonder dat de doelstelling van laatstgenoemde verordening is gewijzigd (arrest van 6 juni 2019, V, C‑33/18, EU:C:2019:470, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64      Zoals blijkt uit de punten 42 tot en met 44 van het onderhavige arrest strookt artikel 14, punt 2, van verordening nr. 1408/71 met dat doel, doordat bij die bepaling regels zijn vastgesteld die afwijken van de in artikel 13, lid 2, onder a), van deze verordening neergelegde regel van de werklidstaat, precies om de complicaties te voorkomen die anders zouden kunnen voortvloeien uit de toepassing van laatstbedoelde regel op situaties waarin werkzaamheden worden verricht in twee of meer lidstaten. Hetzelfde geldt voor artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004, dat de regels heeft vereenvoudigd die waren opgenomen in artikel 14, punt 2, van verordening nr. 1408/71 en dat – net zoals laatstgenoemde bepaling – tot doel heeft diezelfde complicaties te voorkomen.

65      Vanuit dit oogpunt hebben de afwijkende regels die zijn neergelegd in de in punt 48 van het onderhavige arrest vermelde bepalingen, tot doel te waarborgen dat werknemers die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verrichten – overeenkomstig de in punt 41 van dit arrest in herinnering gebrachte regel van eenheid – slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen zijn. Daartoe worden bij die afwijkende regels aanknopingscriteria vastgesteld die de objectieve situatie van die werknemers in aanmerking nemen om hun vrij verkeer te vergemakkelijken.

66      Werd bij de uitlegging van de in die bepalingen gebezigde begrippen geen rekening gehouden met de objectieve situatie van de werknemer doch uitsluitend uitgegaan van formele overwegingen – zoals de sluiting van een arbeidsovereenkomst – dan zouden ondernemingen de plaats die relevant moet worden geacht voor de vaststelling van de toepasselijke nationale socialezekerheidswetgeving, kunnen wijzigen zonder dat deze wijziging in werkelijkheid strookt met de doelstelling te waarborgen dat het recht op vrij verkeer van werknemers daadwerkelijk kan worden uitgeoefend.

67      Indien ondernemingen in staat werden gesteld om op de in het vorige punt uiteengezette wijze de plaats te wijzigen die relevant moet worden geacht voor de vaststelling van de toepasselijke nationale socialezekerheidswetgeving, zou bovendien worden voorbijgegaan aan het feit dat de met name in artikel 14, punt 2, van verordening nr. 1408/71 en in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 883/2004 neergelegde conflictregels – zoals volgt uit de in punt 54 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak – niet afhangen van de vrije keuze van de werknemer, de ondernemingen of de bevoegde nationale autoriteiten, maar wel van de objectieve situatie waarin die werknemer zich bevindt.

68      Het klopt dat het bij elk van die verordeningen ingevoerde stelsel uitsluitend een stelsel voor de coördinatie van de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten is en geen harmonisatie van deze wetgevingen bewerkstelligt. Het is inherent aan een dergelijk stelsel dat er verschillen blijven bestaan tussen de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten, met name wat betreft de hoogte van de sociale bijdragen die moeten worden betaald uit hoofde van de uitoefening van een bepaalde werkzaamheid (zie in die zin arresten van 15 januari 1986, Pinna, 41/84, EU:C:1986:1, punt 20, en 9 maart 2006, Piatkowski, C‑493/04, EU:C:2006:167, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69      De doelstelling van die verordeningen – zoals die in herinnering is gebracht in punt 63 van het onderhavige arrest – zou evenwel in gevaar kunnen worden gebracht indien de uitlegging van de in punt 48 van het onderhavige arrest vermelde begrippen erop neer zou komen dat het voor ondernemingen gemakkelijker wordt gemaakt om van louter kunstmatige constructies gebruik te maken teneinde de Unieregeling aan te wenden met als enig oogmerk voordeel te trekken van de verschillen tussen de nationale regelingen. Met name zou een dergelijk gebruik van de Unieregeling kunnen leiden tot een neerwaartse druk op de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten en mogelijkerwijs uiteindelijk op het door deze stelsels geboden niveau van bescherming.

70      Ten slotte wordt aan de voorgaande overwegingen niet afgedaan door het argument dat die begrippen uitsluitend zouden moeten berusten op het criterium dat er een arbeidsovereenkomst voorhanden is, omdat dit – eenvoudig te verifiëren – criterium voordelen op het gebied van rechtszekerheid zou bieden die erin bestaan dat een grotere voorspelbaarheid van de toepasselijke socialezekerheidsregeling kan worden gewaarborgd.

71      Zoals de Nederlandse regering terecht heeft gesteld, maakt een uitlegging van voornoemde begrippen aan de hand van criteria waarmee wordt beoogd de werkelijke situatie van de betrokken werknemer vast te stellen, het namelijk juist mogelijk om de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel te waarborgen.

72      Overigens voorzien zowel verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 574/72 als verordening nr. 883/2004 en verordening nr. 987/2009 in mechanismen voor samenwerking en informatieverstrekking teneinde de goede toepassing van de in punt 48 van dit arrest genoemde bepalingen te garanderen.

73      Niet alleen verplicht artikel 84 bis van verordening nr. 1408/71 de onder deze verordening vallende organen en personen tot wederzijdse informatieverstrekking en samenwerking, maar tevens bevat artikel 12 bis van verordening nr. 574/72 onder meer regels inzake de uitwisseling van informatie voor de toepassing van artikel 14, lid 2, van eerstgenoemde verordening.

74      Daarnaast wordt met de in verordening nr. 883/2004 geregelde mogelijkheden voor en wederzijdse verplichtingen van de onder deze verordening vallende organen en personen om informatie te verstrekken en samen te werken – zoals de mogelijkheden en verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 76 van die verordening – alsook met de in artikel 16 van verordening nr. 987/2009 vastgestelde procedure voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 883/2004 beoogd om de betrokken organen en personen in staat te stellen om over de gegevens te beschikken die nodig zijn opdat de goede toepassing wordt gewaarborgd van het begrip „werkgever” in het kader van de vaststelling van de wetgeving die van toepassing is op grond van artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004.

75      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat een internationaal vrachtwagenchauffeur voor de toepassing van zowel artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 als artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004 niet moet worden geacht in dienst te zijn genomen door de onderneming waarmee hij formeel gesproken een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, maar wel door de vervoersonderneming die het feitelijke gezag over hem uitoefent, feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt en feitelijk bevoegd is om hem te ontslaan.

76      In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat de betrokken vrachtwagenchauffeurs tijdens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tijdvakken met AFMB waren verbonden door arbeidsovereenkomsten waarbij AFMB werd aangewezen als werkgever van die werknemers en waarbij het Cypriotische arbeidsrecht van toepassing werd verklaard.

77      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt evenwel dat die vrachtwagenchauffeurs – die tijdens die tijdvakken steeds in Nederland zijn blijven wonen – door de vervoersondernemingen zelf waren geselecteerd voordat de arbeidsovereenkomsten met AFMB werden gesloten, en dat zij na de sluiting van deze overeenkomsten hun beroepswerkzaamheden voor rekening en risico van de vervoersondernemingen hebben verricht. Bovendien werd het beheer van de vrachtwagens bij de tussen de vervoersondernemingen en AFMB gesloten fleetmanagementovereenkomsten weliswaar toevertrouwd aan AFMB en was deze vennootschap weliswaar belast met de loonadministratie, maar volgt uit de door de verwijzende rechter verstrekte aanwijzingen dat de loonkosten de facto, via de aan AFMB betaalde commissie, werden gedragen door de in het hoofdgeding betrokken vervoersondernemingen. Daarbij komt dat het besluit van een vervoersonderneming om niet langer een beroep te doen op een bepaalde vrachtwagenchauffeur in de regel leidde tot diens onverwijlde ontslag door AFMB, hetgeen – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – impliceert dat die vervoersonderneming feitelijk bevoegd was om de betrokken vrachtwagenchauffeur te ontslaan.

78      Ten slotte moet hieraan worden toegevoegd dat een deel van de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs reeds als werknemer in dienst van de vervoersondernemingen was voordat de betrokken chauffeurs met AFMB arbeidsovereenkomsten sloten, en dat er volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter „[v]oor wat betreft de dagelijkse gang van zaken [...] na de tussenkomst van AFMB niets of weinig [veranderde] in de relatie tussen [de vrachtwagenchauffeurs] en [de betrokken ondernemingen]” aangezien deze ondernemingen feitelijk volledig de beschikking over hen bleven hebben en feitelijk het gezag over hen bleven uitoefenen.

79      Uit de voorgaande aanwijzingen volgt dat de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs tijdens de aan de orde zijnde tijdvakken – ongeacht de Unieregeling die op hen van toepassing is, te weten verordening nr. 1408/71 dan wel verordening nr. 883/2004 – lijken te hebben behoord tot het personeel van de vervoersondernemingen en dat deze vervoersondernemingen hun werkgever waren in de zin van artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 respectievelijk artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004, zodat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hen van toepassing lijkt te zijn, wat niettemin door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.

80      Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 14, punt 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 en artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 883/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat de werkgever – in de zin van deze bepalingen – van een internationaal vrachtwagenchauffeur de onderneming is die het feitelijke gezag over hem uitoefent, die feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt en die feitelijk bevoegd is om hem te ontslaan, en niet de onderneming waarmee die vrachtwagenchauffeur een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die in deze overeenkomst formeel wordt aangewezen als zijn werkgever.

 Tweede en derde prejudiciële vraag

81      Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

82      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.



Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 14, punt 2, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, en artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 moeten aldus worden uitgelegd dat de werkgever – in de zin van deze bepalingen – van een internationaal vrachtwagenchauffeur de onderneming is die het feitelijke gezag over hem uitoefent, die feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt en die feitelijk bevoegd is om hem te ontslaan, en niet de onderneming waarmee die vrachtwagenchauffeur een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die in deze overeenkomst formeel wordt aangewezen als zijn werkgever.

Lenaerts

Silva de Lapuerta

Bonichot

Arabadjiev

Regan

Xuereb

Rossi

Jarukaitis

Juhász

Ilešič

Malenovský

von Danwitz

Toader

Lycourgos

Kumin

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 juli 2020.

De griffier

 

De president

A. Calot Escobar

 

K. Lenaerts


*      Procestaal: Nederlands.