Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 3 juli 2020 – Commerzbank AG / E.O.

(Zaak C-296/20)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Commerzbank AG

Verwerende partij: E.O.

Prejudiciële vragen

Moet artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-verdrag1 aldus worden uitgelegd dat het „ontplooien” van commerciële of beroepsactiviteiten in de door dit verdrag gebonden staat waar de consument woonplaats heeft, vereist dat reeds bij de voorbereiding en de sluiting van de overeenkomst sprake is van grensoverschrijdende activiteiten van de contractpartner van de consument, of moet de bepaling tevens worden toegepast, teneinde het voor een vordering bevoegde gerecht te bepalen, wanneer de contractpartijen bij de sluiting van de overeenkomst hun woonplaats in de zin van de artikelen 59 en 60 van het Lugano II-verdrag in dezelfde door het verdrag gebonden staat hadden en de rechtsverhouding pas naderhand een internationaal aspect heeft gekregen doordat de consument later naar een andere door het verdrag gebonden staat is verhuisd?

Voor zover een grensoverschrijdende activiteit op het tijdstip van de sluiting van de overeenkomst niet noodzakelijk is:

Sluit artikel 15, lid 1, onder c), van het Lugano II-verdrag juncto artikel 16, lid 2, van het Lugano II-verdrag algemeen uit dat volgens artikel 5, punt 1, van het Lugano II-verdrag wordt bepaald welk gerecht bevoegd is, wanneer de consument tussen de sluiting van de overeenkomst en het instellen van de vordering naar een andere door het verdrag gebonden staat is verhuisd, of is daarenboven vereist dat de contractpartner van de consument zijn commerciële of beroepsactiviteiten ook in de staat van de nieuwe woonplaats ontplooit of deze daarop richt en de overeenkomst onder die activiteiten valt?

____________

1 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2007, L 339, blz.  3).