Arrêt de la Cour

ARREST VAN HET HOF (voltallige zitting )
19 oktober 2004 (1)

„Verblijfsrecht – Kind met nationaliteit van lidstaat, maar verblijvend in andere lidstaat – Ouders onderdaan van derde staat – Verblijfsrecht moeder in de andere lidstaat”

In zaak C-200/02,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG,

ingediend door de Immigration Appellate Authority (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 27 mei 2002, ingekomen bij het Hof op 30 mei 2002, in de procedure

Kunquian Catherine Zhu,

Man Lavette Chen

tegen

Secretary of State for the Home Department,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting ),



samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, R. Silva de Lapuerta en K. Lenaerts, kamerpresidenten, C. Gulmann, R. Schintgen, N. Colneric, S. von Bahr en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 november 2003,

gelet op de opmerkingen van:

M. L. Chen, vertegenwoordigd door R. de Mello en A. Berry, barristers, bijgestaan door M. Barry, solicitor,

de Ierse regering, vertegenwoordigd door D. J. O'Hagan als gemachtigde, bijgestaan door P. Callagher, SC, en P. McGarry, BL,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, R. Plender, QC, en R. Caudwell als gemachtigden,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. O'Reilly als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 2004,

het navolgende



Arrest



1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten (PB L 172, blz. 14), richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PB L 180, blz. 26) en artikel 18 EG.

2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat door Kunqian Catherine Zhu (hierna: „Catherine”), die de Ierse nationaliteit bezit, en haar moeder, Man Lavette Chen (hierna: „Chen”), Chinees onderdaan, is ingesteld tegen de Secretary of State for the Home Department, betreffende diens afwijzing van de verzoeken van Catherine en Chen strekkende tot het verkrijgen van een vergunning voor langdurig verblijf in het Verenigd Koninkrijk.


Rechtskader

Gemeenschapswetgeving

3
Artikel 1 van richtlijn 73/148 bepaalt:

„1.    De lidstaten heffen, onder de in deze richtlijn omschreven voorwaarden, de beperkingen op van de verplaatsing en het verblijf van:

a)
onderdanen van een lidstaat die zijn gevestigd of zich willen vestigen in een andere lidstaat teneinde daar een werkzaamheid, anders dan in loondienst, uit te oefenen of die er een dienst willen verrichten;

b)
onderdanen van lidstaten die zich naar een andere lidstaat willen begeven in de hoedanigheid van personen te wier behoeve een dienst wordt verricht;

c)
de echtgenoot en de kinderen beneden de 21 jaar van bovengenoemde onderdanen, ongeacht hun nationaliteit;

d)
de verwanten in opgaande of neergaande lijn van deze onderdanen en van hun echtgenoot, die te hunnen laste komen, ongeacht hun nationaliteit.

2.      De lidstaten begunstigen de toelating van ieder ander familielid van de in lid 1, sub a en b, bedoelde onderdanen of hun echtgenoot dat te hunnen laste komt of in het land van herkomst bij hen inwoont.”

4
Artikel 4, lid 2, van dezelfde richtlijn luidt:

„Voor de personen die diensten verrichten en degenen te wier behoeve de dienst wordt verricht, komt het verblijfsrecht overeen met de duur van de dienstverrichting.

Indien deze duur meer dan drie maanden bedraagt, geeft de lidstaat waar de dienstverrichting plaatsheeft, ten bewijze van dit recht een verblijfsvergunning af.

Indien deze duur drie maanden of minder bedraagt, geldt de identiteitskaart of het paspoort, waarmee de betrokkene het grondgebied heeft betreden, als verblijfsvergunning. De lidstaat kan evenwel de betrokkene de verplichting opleggen kennis te geven van zijn aanwezigheid op het grondgebied.”

5
Artikel 1 van richtlijn 90/364 bepaalt:

„1.    De lidstaten kennen het verblijfsrecht toe aan onderdanen van de lidstaten die dit recht niet bezitten op grond van andere bepalingen van het gemeenschapsrecht alsmede aan hun familieleden, als omschreven in lid 2, mits zij voor zichzelf en hun familieleden een ziektekostenverzekering hebben die alle risico’s in het gastland dekt en over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland komen.

De in de eerste alinea bedoelde bestaansmiddelen zijn toereikend wanneer zij meer bedragen dan het niveau van de middelen waaronder door het gastland aan zijn onderdanen bijstand kan worden verleend, rekening houdend met de persoonlijke situatie van de aanvrager en in voorkomend geval met die van de krachtens lid 2 toegelaten personen.

Wanneer de tweede alinea niet kan worden toegepast, worden de bestaansmiddelen van de aanvrager toereikend geacht wanneer zij meer bedragen dan het niveau van het minimumpensioen in het kader van de sociale zekerheid dat door het gastland wordt uitgekeerd.

2.      Met de houder van het verblijfsrecht mogen zich, ongeacht hun nationaliteit, in een andere lidstaat vestigen:

a)
zijn echtgenoot en hun ten laste komende bloedverwanten in neergaande lijn;

b)      de bloedverwanten in opgaande lijn van de houder van het verblijfsrecht en van zijn echtgenoot, die te zijnen laste zijn.”

Wetgeving van het Verenigd Koninkrijk

6
Regulation 5 van de Immigration (European Economic Area) Regulations 2000 (verordening van 2000 inzake immigratie vanuit de Europese Economische Ruimte; hierna: „EEA-verordening”) bepaalt:

„1.    In deze verordening wordt onder ‚persoon die in aanmerking komt voor verblijf in het Verenigd Koninkrijk’ verstaan: een persoon die EER-onderdaan is en in het Verenigd Koninkrijk is als a) werknemer, b) zelfstandige, c) dienstverrichter, d) ontvanger van een dienst, e) persoon die in zijn levensbehoeften voorziet, f) gepensioneerde, g) student, of h) zelfstandige die zijn werkzaamheden heeft gestaakt, of een persoon waarop lid 4 van toepassing is.

[…]”


Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

7
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Chen en haar echtgenoot, die de Chinese nationaliteit bezit, werken voor een Chinese onderneming die in China is gevestigd. De echtgenoot van Chen is een van de directeuren van deze onderneming en heeft daarin een meerderheidsbelang. In het kader van zijn beroepsbezigheden reist hij veelvuldig naar diverse lidstaten, met name naar het Verenigd Koninkrijk.

8
Het eerste kind van het echtpaar is in 1998 in China geboren. Chen, die een tweede kind ter wereld wilde brengen, is in mei 2000 het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk binnengekomen terwijl zij ongeveer zes maanden zwanger was. In juli van datzelfde jaar reisde zij naar Belfast, waar Catherine op 16 september daaraanvolgend is geboren. Thans wonen moeder en dochter te Cardiff, Wales (Verenigd Koninkrijk).

9
Ingevolge section 6(1) van de Irish Nationality and Citizenship Act 1956 (wet van 1956 betreffende de Ierse nationaliteit en het Ierse burgerschap), zoals die in de loop van 2001 is gewijzigd en met terugwerkende kracht van toepassing is met ingang van 2 december 1999, kan eenieder die in Ierland is geboren de Ierse nationaliteit verkrijgen. Ingevolge section 6(3) is een in Ierland geboren persoon Iers onderdaan vanaf de geboorte als hij geen recht heeft op de nationaliteit van een ander land.

10
Overeenkomstig deze regeling heeft Catherine in september 2000 een Iers paspoort gekregen. Daarentegen blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Catherine niet de Britse nationaliteit kan verkrijgen, daar het Verenigd Koninkrijk met de British Nationality Act 1981 van het ius-solibeginsel is afgestapt, zodat geboorte op het grondgebied van deze lidstaat niet langer automatisch de Britse nationaliteit verleent.

11
Vaststaat dat de bedoeling van het verblijf in Ierland was dat Catherine bij de geboorte de Ierse nationaliteit zou verkrijgen, waardoor Chen bijgevolg het recht kon verkrijgen om in voorkomend geval met haar kind op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk te blijven.

12
De verwijzende rechterlijke instantie merkt tevens op dat Ierland deel uitmaakt van de Common Travel Area (gemeenschappelijk reisgebied) in de zin van de Immigration Acts, zodat Catherine zich – aangezien Ierse onderdanen over het algemeen geen vergunning nodig hebben om het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk binnen te gaan of te verlaten – in tegenstelling tot Chen binnen het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en dat van Ierland vrijelijk kan verplaatsen. Afgezien van het tot deze twee lidstaten beperkte recht van Catherine op vrij verkeer, heeft volgens de verwijzende rechter geen van beide verzoeksters naar nationaal recht het recht om in het Verenigd Koninkrijk te verblijven.

13
Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Catherine zowel emotioneel als financieel afhankelijk is van haar moeder, dat deze haar voornaamste verzorger is, dat Catherine in het Verenigd Koninkrijk tegen betaling particuliere medische diensten en diensten op het gebied van kinderverzorging ontvangt, dat zij het recht op verkrijging van de Chinese nationaliteit door haar geboorte in Noord-Ierland en de daaropvolgende verwerving van de Ierse nationaliteit heeft verloren, waardoor zij het Chinese grondgebied enkel met een visum met een maximumduur van 30 dagen per verblijf kan binnenkomen, dat de twee verzoeksters in het hoofdgeding in hun bestaansbehoeften voorzien uit hoofde van de beroepsbezigheden van Chen, dat verzoeksters in het Verenigd Koninkrijk niet afhankelijk zijn van overheidsgeld en dat er geen reële mogelijkheid bestaat dat zij daarvan afhankelijk zouden worden en, ten slotte, dat de betrokkenen tegen ziektekosten zijn verzekerd.

14
De Secretary of State for the Home Department heeft zijn weigering om aan beide verzoeksters in het hoofdgeding een vergunning voor langdurig verblijf te verlenen, gemotiveerd met de overweging dat Catherine, een kind van acht maanden, geen uit het EG-Verdrag voortvloeiende rechten zoals die voorzien in Regulation 5(1) van de EER Regulations uitoefende en dat Chen aan die Regulations geen recht op verblijf in het Verenigd Koninkrijk ontleende.

15
Tegen deze weigering is beroep ingesteld bij de Immigration Appellate Authority, die heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1) Verleent artikel 1 van richtlijn 73/148/EEG van de Raad of, subsidiair, artikel 1 van richtlijn 90/364/EEG van de Raad, gelet op de feiten van de onderhavige zaak:

a)
aan eerste verzoekster, die minderjarige en burger van de Unie is, het recht de lidstaat van ontvangst binnen te komen en er te verblijven?

b)
en, zo ja, bijgevolg aan tweede verzoekster, onderdaan van een derde staat en moeder en voornaamste verzorger van eerste verzoekster, het recht samen met eerste verzoekster verblijf te houden i) als haar verwante ten laste, of ii) omdat zij in haar land van herkomst samen met eerste verzoekster heeft geleefd, of iii) om enige andere bijzondere reden?

2)      Indien en voorzover eerste verzoekster geen ‚onderdaan van een lidstaat’ is voor de uitoefening van communautaire rechten overeenkomstig richtlijn 73/148/EEG van de Raad of artikel 1 van richtlijn 90/364/EEG van de Raad, welke zijn dan de relevante criteria om te bepalen of een kind dat burger van de Unie is voor de uitoefening van communautaire rechten als een onderdaan van een lidstaat moet worden beschouwd?

3)      Zijn in de omstandigheden van de onderhavige zaak de door eerste verzoekster ontvangen van diensten op het gebied van kinderverzorging diensten zoals bedoeld in richtlijn 73/148/EEG van de Raad?

4)      Is het, in de omstandigheden van de onderhavige zaak en overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 90/364/EEG van de Raad, voor eerste verzoekster uitgesloten in de lidstaat van ontvangst te verblijven omdat uitsluitend in haar behoeften wordt voorzien door de haar begeleidende ouder, die onderdaan van een derde staat is?

5)      Verleent artikel 18, lid 1, EG, gelet op de bijzondere feiten van de onderhavige zaak, aan eerste verzoekster het recht de lidstaat van ontvangst binnen te komen en er te verblijven, ook indien zij op grond van geen andere bepaling van gemeenschapsrecht een recht van verblijf in de lidstaat van ontvangst heeft?

6)      Zo ja, heeft tweede verzoekster dan het recht gedurende die periode samen met eerste verzoekster in de lidstaat van ontvangst te verblijven?

7)      Welke werking heeft in dit verband, mede gelet op het feit dat eerste verzoekster niet in China kan wonen met tweede verzoekster, haar vader en haar broer, het beginsel van eerbiediging, in het gemeenschapsrecht, van de fundamentele rechten van de mens, in het bijzonder aangezien verzoeksters zich beroepen op artikel 8, juncto artikel 14, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, volgens hetwelk iedereen recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven en zijn woning?”


Beantwoording van de prejudiciële vragen

16
Met deze vragen wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of richtlijn 73/148, richtlijn 90/364 of artikel 18 EG, in voorkomend geval junctis de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in omstandigheden als die in het hoofdgeding aan een minderjarige van jonge leeftijd, die onderdaan is van een lidstaat en ten laste komt van een ouder die zelf onderdaan is van een derde staat, het recht verleent om te verblijven in een andere lidstaat, waarin deze minderjarige ontvanger is van diensten op gebied van kinderverzorging. Bij een bevestigend antwoord op deze vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of deze zelfde bepalingen bijgevolg een verblijfsrecht aan de betrokken ouder verlenen.

17
Derhalve dienen de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake het recht van verblijf te worden onderzocht met betrekking tot respectievelijk de situatie van een minderjarige onderdaan zoals Catherine, en die van de ouder, onderdaan van een derde staat, van het kind ten laste.

Het verblijfsrecht van een persoon in de situatie van Catherine

Voorafgaande opmerkingen

18
Van meet af aan dient de stelling van de Ierse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk te worden verworpen dat een persoon die zich in de situatie van Catherine bevindt, geen beroep kan doen op de bepalingen van het gemeenschapsrecht inzake het vrije verkeer en het verblijf van personen, op de enkele grond dat die persoon zich nooit van de ene lidstaat naar een andere lidstaat heeft verplaatst.

19
De situatie van een onderdaan van een lidstaat die in de lidstaat van ontvangst is geboren en geen gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer, kan op grond van dit enkele feit niet worden gelijkgesteld met een zuiver interne situatie waardoor deze onderdaan in de lidstaat van ontvangst geen beroep zou kunnen doen op de gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake de vrijheid van verkeer en van verblijf van personen (zie in die zin met name arrest van 2 oktober 2003, Garcia Avello, C-148/02, Jurispr. blz. I-11613, punten 13 en 27).

20
Overigens kan een kind van jonge leeftijd zich, anders dan de Ierse regering stelt, beroepen op de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde rechten van vrij verkeer en verblijf. Of een onderdaan van een lidstaat houder kan zijn van de rechten die het Verdrag en het afgeleide recht waarborgen op het gebied van het vrije verkeer van personen, mag niet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene de leeftijd heeft bereikt waarop hij juridisch bekwaam is om deze rechten zelf uit te oefenen [zie in die zin onder meer, in de context van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), arresten van 15 maart 1989, Echternach en Moritz, 389/87 en 390/87, Jurispr. blz. I-723, punt 21, en 17 september 2002, Baumbast en R, C-413/99, Jurispr. blz. I-7091, punten 52-63, en, met betrekking tot artikel 17 EG, arrest Garcia Avello, reeds aangehaald, punt 21]. Bovendien blijkt, zoals de advocaat-generaal in de punten 47 tot en met 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, noch uit de bewoordingen noch uit het doel van de artikelen 18 EG en 49 EG en van de richtlijnen 73/148 en 90/364, dat het genot van de in deze bepalingen vervatte rechten afhankelijk is gesteld van een voorwaarde inzake een minimumleeftijd.

Richtlijn 73/148

21
De verwijzende rechterlijke instantie wenst te vernemen of een persoon die zich in de situatie van Catherine bevindt, een beroep kan doen op de bepalingen van richtlijn 73/148 teneinde duurzaam in het Verenigd Koninkrijk te verblijven als ontvanger van diensten op het gebied van kinderverzorging tegen betaling.

22
Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof zijn de bepalingen inzake het vrije verkeer van diensten niet van toepassing op de situatie van een onderdaan van een lidstaat die zijn hoofdverblijf op het grondgebied van een andere lidstaat vestigt teneinde er voor onbepaalde tijd diensten te ontvangen (zie in die zin arrest van 15 oktober 1988, Steymann, C-196/87, Jurispr. blz. I-6159). Dit is in het hoofdgeding nu juist het geval met de door de verwijzende rechterlijke instantie genoemde diensten op het gebied van kinderverzorging.

23
Met betrekking tot de medische zorg die tijdelijk aan Catherine wordt verleend, zij opgemerkt dat overeenkomstig artikel 4, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 73/148 het verblijfsrecht dat de ontvanger van diensten geniet uit hoofde van het vrij verrichten van diensten, overeenkomt met de duur van de betrokken dienstverrichting. Bijgevolg kan aan deze richtlijn in elk geval geen verblijfsrecht voor onbepaalde tijd als aan de orde in het hoofdgeding worden ontleend.

Artikel 18 EG en richtlijn 90/364

24
Aangezien Catherine aan richtlijn 73/148 geen recht kan ontlenen om in het Verenigd Koninkrijk duurzaam te verblijven, wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of zij zich voor een recht op duurzaam verblijf kan beroepen op artikel 18 EG en op richtlijn 90/364, die een dergelijk recht onder bepaalde voorwaarden waarborgt voor onderdanen die het niet bezitten op grond van andere bepalingen van het gemeenschapsrecht, alsmede voor hun familieleden.

25
Volgens artikel 17, lid 1, EG is burger van de Unie eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie dient de fundamentele status te zijn van onderdanen van de lidstaten (zie met name arrest Baumbast en R, reeds aangehaald, punt 82).

26
Wat het in artikel 18, lid 1, EG voorziene recht betreft om op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, zij opgemerkt dat dit recht rechtstreeks aan iedere burger van de Unie wordt toegekend door een duidelijke en nauwkeurige bepaling van het Verdrag. Louter op grond dat zij onderdaan van een lidstaat, en dus burger van de Unie is, kan Catherine zich op artikel 18, lid 1, EG beroepen. Dit recht van burgers van de Unie om op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, wordt toegekend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die in het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld (zie met name arrest Baumbast en R, reeds aangehaald, punten 84 en 85).

27
Met betrekking tot die beperkingen en voorwaarden bepaalt artikel 1, lid 1, van richtlijn 90/364 dat de lidstaten van de onderdanen van een lidstaat die op hun grondgebied willen verblijven, kunnen verlangen dat zij voor zichzelf en hun familieleden een ziektekostenverzekering hebben die alle risico’s in de ontvangende lidstaat dekt en dat zij over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van de lidstaat van ontvangst komen.

28
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Catherine een ziektekostenverzekering heeft en over toereikende – door haar moeder ter beschikking gestelde – bestaansmiddelen beschikt om niet ten laste van de bijstandsregeling van de ontvangende lidstaat te hoeven komen.

29
De tegenwerping van de Ierse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk dat de voorwaarde met betrekking tot toereikende bestaansmiddelen inhoudt dat de belanghebbende – anders dan voor Catherine het geval is – zelf over dergelijke bestaansmiddelen moet beschikken zonder zich daartoe te kunnen beroepen op de bestaansmiddelen van een familielid, zoals Chen, dat hem begeleidt, is ongegrond.

30
Volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van richtlijn 90/364 volstaat het dat onderdanen van lidstaten over toereikende bestaansmiddelen „beschikken”. Deze bepaling stelt niet het minste vereiste met betrekking tot de herkomst van deze middelen.

31
Deze uitlegging is te meer geboden daar bepalingen waarin een fundamenteel beginsel zoals het beginsel van het vrije verkeer van personen verankerd is, ruim moeten worden uitgelegd.

32
Bovendien berusten de in artikel 18 EG bedoelde en in richtlijn 90/364 vastlegde beperkingen en voorwaarden op de gedachte, dat de uitoefening van het verblijfsrecht van de burgers van de Unie ondergeschikt kan worden gemaakt aan de legitieme belangen van de lidstaten. Zo blijkt weliswaar uit de vierde overweging van de considerans van voormelde richtlijn dat degenen die het verblijfsrecht genieten geen „onredelijke” belasting voor de algemene middelen van de lidstaat van ontvangst mogen worden, maar volgens de rechtspraak van het Hof moeten deze beperkingen en voorwaarden worden toegepast met inachtneming van de grenzen die het gemeenschapsrecht stelt en overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel (zie met name arrest Baumbast en R, reeds aangehaald, punten 90 en 91).

33
De door de Ierse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk voorgestane uitlegging van de voorwaarde inzake toereikende bestaansmiddelen in de zin van richtlijn 90/364, zou aan die voorwaarde zoals zij in deze richtlijn is geformuleerd, een vereiste met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen toevoegen, hetgeen een onevenredige inmenging zou vormen in de uitoefening van het door artikel 18 EG gewaarborgde fundamentele recht van vrij verkeer en verblijf, aangezien deze niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het beoogde doel, te weten de bescherming van de overheidsfinanciën van de lidstaten.

34
Ten slotte stelt de regering van het Verenigd koninkrijk, dat verzoeksters in het hoofdgeding zich niet op de betrokken bepalingen van gemeenschapsrecht kunnen beroepen, omdat de verplaatsing van Chen naar Noord-Ierland met als doel dat haar kind de nationaliteit van een andere lidstaat zou verkrijgen, een poging vormt om misbruik te maken van bepalingen van gemeenschapsrecht. Volgens deze regering zou het met deze gemeenschapsrechtelijke bepalingen beoogde doel niet worden bereikt indien een onderdaan van een derde staat, die in een lidstaat wil verblijven zonder evenwel van de ene lidstaat naar de andere te reizen of te willen reizen, haar zaken zo organiseert dat zij haar kind ter wereld brengt op een deel van het grondgebied van de lidstaat van ontvangst waarop een andere lidstaat zijn op het ius-solibeginsel gebaseerde regels inzake de verkrijging van nationaliteit toepast. Volgens deze regering is het vaste rechtspraak dat de lidstaten maatregelen mogen nemen om te verhinderen dat particulieren ten onrechte voordeel trekken uit bepalingen van gemeenschapsrecht of van de door het Verdrag geschapen mogelijkheden profiteren om zich op onrechtmatige wijze aan de nationale wetgeving te onttrekken. Deze regel, die strookt met het beginsel dat van een recht geen misbruik mag worden gemaakt, is door het Hof bevestigd in zijn arrest van 9 maart 1999, Centros (C-212/97, Jurispr. blz. I-1459).

35
Deze redenering moet eveneens worden verworpen.

36
Het is juist dat Chen toegeeft dat haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk bedoeld was om de voorwaarden te scheppen waaronder haar ter wereld te brengen kind de nationaliteit van een andere lidstaat kon verkrijgen teneinde vervolgens voor het kind en voor haarzelf een recht van duurzaam verblijf in het Verenigd Koninkrijk te verkrijgen.

37
Volgens het volkenrecht behoort het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit evenwel tot de bevoegdheid van elke lidstaat, welke bevoegdheid met inachtneming van het gemeenschapsrecht moet worden uitgeoefend (zie onder meer arresten van 7 juli 1992, Micheletti e.a., C‑369/90, Jurispr. blz. I-4239, punt 10, en 20 februari 2001, Kaur, C-192/99, Jurispr. blz. I-1237, punt 19).

38
Geen van de betrokkenen die opmerkingen bij het Hof heeft ingediend heeft betwist dat Catherine de Ierse nationaliteit rechtmatig heeft verkregen, noch dat zij deze inderdaad heeft verkregen.

39
Bovendien staat het niet aan een lidstaat om de gevolgen van de toekenning van de nationaliteit van een andere lidstaat te beperken door voor de erkenning van die nationaliteit met het oog op de uitoefening van de in het Verdrag voorziene fundamentele vrijheden een aanvullende voorwaarde te stellen (zie met name reeds aangehaalde arresten Micheletti e.a., punt 10, en Garcia Avello, punt 28).

40
Hiervan zou echter juist sprake zijn indien het Verenigd Koninkrijk gerechtigd was om aan onderdanen van andere lidstaten zoals Catherine een door het gemeenschapsrecht gewaarborgde fundamentele vrijheid te ontzeggen op de enkele grond dat de verkrijging van de nationaliteit van een lidstaat in werkelijkheid bedoeld was om een onderdaan van een derde staat een verblijfsrecht uit hoofde van het gemeenschapsrecht te verschaffen.

41
In deze omstandigheden moet worden geantwoord dat artikel 18 EG en richtlijn 90/364, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een lidstaat, die is gedekt door een passende ziektekostenverzekering en ten laste komt van een ouder die zelf onderdaan is van een derde staat en wiens bestaansmiddelen toereikend zijn om te voorkomen dat genoemde minderjarige ten laste komt van de overheidsfinanciën van de lidstaat van ontvangst, een recht verlenen om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van deze laatste staat te verblijven.

Het verblijfsrecht van een persoon in de situatie van Chen

42
Artikel 1, lid 2, sub b, van richtlijn 90/364, dat bloedverwanten in opgaande lijn van de houder van het verblijfsrecht die „te zijnen laste” zijn, ongeacht hun nationaliteit het recht verleent zich met die houder te vestigen, kan geen verblijfsrecht verlenen aan de onderdaan van een derde staat die zich in de situatie van Chen bevindt, noch op grond van de emotionele band tussen moeder en kind, noch op grond dat het recht om het Verenigd Koninkrijk binnen te komen en om er te verblijven zou afhangen van het verblijfsrecht van dat kind.

43
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers dat de hoedanigheid van familielid „ten laste” van de houder van een verblijfsrecht voortvloeit uit een feitelijke situatie, die wordt gekenmerkt door de omstandigheid dat het familielid materieel wordt gesteund door de houder van het verblijfsrecht (zie in die zin, met betrekking tot artikel 10 van verordening nr. 1612/68, arrest van 18 juni 1987, Lebon, 316/85, Jurispr. blz. I-2811, punten 20-22).

44
In een zaak als aan de orde in het hoofdgeding doet zich juist de tegenovergestelde situatie voor, omdat de houder van het verblijfsrecht ten laste komt van de onderdaan van een derde staat, die daadwerkelijk voor de houder zorgt en deze wenst te begeleiden. In deze omstandigheden kan Chen zich niet op de hoedanigheid van bloedverwant in opgaande lijn „ten laste” van Catherine in de zin van richtlijn 90/364 beroepen om een recht van verblijf in het Verenigd Koninkrijk te verkrijgen.

45
Indien daarentegen de ouder, onderdaan van een lidstaat of een derde staat, die daadwerkelijk zorgt voor een kind waaraan artikel 18 EG en richtlijn 90/364 een verblijfsrecht toekennen, niet werd toegestaan met dit kind in de lidstaat van ontvangst te verblijven, zou zulks het verblijfsrecht van het kind ieder nuttig effect ontnemen. Het is immers duidelijk dat het genot van het verblijfsrecht door een kind van jonge leeftijd noodzakelijkerwijs impliceert dat dit kind het recht heeft om te worden begeleid door de persoon die er daadwerkelijk voor zorgt, en dientengevolge dat deze persoon gedurende dat verblijf bij het kind in de lidstaat van ontvangst kan wonen (zie mutatis mutandis met betrekking tot artikel 12 van verordening nr. 1612/68, arrest Baumbast en R, reeds aangehaald, punten 71-75).

46
Om deze enkele reden moet worden geantwoord dat wanneer, zoals in het hoofdgeding, artikel 18 EG en richtlijn 90/364 een recht om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van de ontvangende lidstaat te verblijven verlenen aan de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een andere lidstaat, deze zelfde bepalingen de ouder die daadwerkelijk voor deze onderdaan zorgt, toestaan om met deze laatste in de lidstaat van ontvangst te verblijven.

47
Derhalve moet aan de verwijzende rechterlijke instantie worden geantwoord dat artikel 18 EG en richtlijn 90/364, in omstandigheden als die in het hoofdgeding, de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een lidstaat, die is gedekt door een passende ziektekostenverzekering en ten laste komt van een ouder, die zelf onderdaan is van een derde staat en wiens bestaansmiddelen toereikend zijn om te voorkomen dat genoemde minderjarige ten laste komt van de overheidsfinanciën van de lidstaat van ontvangst, een recht verlenen om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van deze laatste staat te verblijven. In dat geval geven deze zelfde bepalingen de ouder die daadwerkelijk voor die onderdaan zorgt het recht, met deze laatste in de lidstaat van ontvangst te verblijven.


Kosten

48
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.




Het Hof van Justitie (voltallige zitting) verklaart voor recht:

Artikel 18 EG en richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht, verlenen in omstandigheden als die in het hoofdgeding de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een lidstaat, die is gedekt door een passende ziektekostenverzekering en ten laste komt van een ouder die zelf onderdaan is van een derde staat en wiens bestaansmiddelen toereikend zijn om te voorkomen dat genoemde minderjarige ten laste komt van de overheidsfinanciën van de lidstaat van ontvangst, een recht om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van deze laatste staat te verblijven. In dat geval geven deze zelfde bepalingen de ouder die daadwerkelijk voor die onderdaan zorgt het recht, met deze laatste in de lidstaat van ontvangst te verblijven.


ondertekeningen


1
Procestaal: Engels.