Beroep ingesteld op 20 februari 2006 - Semeraro tegen Commissie

(Zaak F-19/06)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekster: Maria Magdalena Semeraro (Brussel, België) (vertegenwoordiger: L. Vogel, advocaat)

Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies van verzoekster

nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) van 8 november 2005, waarbij de klacht is afgewezen die verzoekster op 12 augustus 2005 had ingediend tegen het loopbaanontwikkelingrapport dat voor het jaar 2004 over haar is uitgebracht;

voorzover nodig, nietigverklaring van dit rapport;

verwijzing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster, ambtenaar van de Commissie die op 30 november 2004 tot de rang C*6 is bevorderd, heeft in het kader van het beoordelingsjaar 2004 ten opzichte van eerdere jaren een zeer gering aantal punten voor verdiensten gekregen.

Nadat de door haar hiertegen ingediende klacht was afgewezen, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld, waarin zij drie middelen aanvoert.

Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 25 van het Statuut en van artikel 9, lid 7, van de Algemene bepalingen ter uitvoering van artikel 43 van het Statuut. Meer bepaald stelt zij dat de beoordelaar in beroep het loopbaanontwikkelingrapport zonder wijziging heeft gehandhaafd, zonder concreet en afzonderlijk in te gaan op de bezwaren en opmerkingen van het paritair beoordelingscomité.

Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 43 van het Statuut, van artikel 1, lid 2, van voormelde uitvoeringsbepalingen, van het evenredigheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel alsmede aan een kennelijk onjuiste beoordeling. Het geringere aantal punten voor verdiensten voor het jaar 2004 valt niet te rijmen met het feit dat de gegeven analytische beoordelingen dezelfde zijn als die welke voor de eerdere jaren zijn gegeven. De door de administratie aangevoerde rechtvaardiging dat het geringere aantal punten is toe te schrijven aan het feit dat verzoekster eind 2004 was bevorderd, is volkomen irrelevant.

Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 25 van het Statuut, artikel 10, lid 3, van bijlage XIII bij het Statuut en artikel 9, lid 7, van voormelde uitvoeringsbepalingen alsmede aan een kennelijk onjuiste beoordeling. Meer bepaald stelt verzoekster dat noch de beoordelaar noch de tweede beoordelaar of de beoordelaar in beroep een toereikende motivering heeft gegeven voor het ontkennende antwoord op de vraag of verzoekster geschikt was om functies van de categorie B* te vervullen.

____________