Beroep ingesteld op 22 oktober 2007 - Balieu-Steinmetz en Noworyta / Parlement

(Zaak F-115/07)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Marie-Thérèse Balieu-Steinmetz (Sanem, Luxemburg) en Lidia Noworyta (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

onrechtmatig te verklaren artikel 1 van de door het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) vastgestelde interne regels inzake de vaste toelage voor overwerk als bedoeld in artikel 3 van bijlage VI bij het Ambtenarenstatuut, die op 1 mei 2004 in werking zijn getreden, voor zover daarbij regelmatig overwerk als voorwaarde wordt gesteld;

nietig te verklaren het uitdrukkelijke besluit van het TABG tot afwijzing van het verzoek van mevrouw Noworyta van 6 juli 2006, alsmede het stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek van mevrouw Balieu-Steinmetz van 13 juli 2006;

de verwerende partij te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van hun vordering beroepen verzoeksters zich om te beginnen op schending van de grondrechten, de algemene beginselen en het Europees Sociaal Handvest, volgens welke voor elke werknemer billijke arbeidsvoorwaarden moeten gelden, met name in termen van arbeidstijd en compensatie of vergoeding voor verricht overwerk of wegens bijzondere arbeidsuren.

Meer bepaald stellen zij dat artikel 3 van bijlage VI bij het Ambtenarenstatuut de mogelijkheid om een vaste vergoeding toe te kennen voor overwerk dat onder bijzondere omstandigheden is verricht, in tegenstelling tot de artikelen 56 bis en 56 ter Ambtenarenstatuut, niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat dit op regelmatige basis geschiedt. Volgens verzoeksters heeft het TABG een beoordelingsfout gemaakt door deze voorwaarde op te nemen in de interne regels betreffende de vergoeding van overwerk.

Ook heeft het TABG een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te bepalen dat vanaf 1 mei 2004 aangeworven ambtenaren geen recht op die vergoeding hebben, ofschoon die mogelijkheid uitdrukkelijk is voorzien in artikel 1 van die interne regels.

Bovendien stellen verzoeksters dat het besluit om hun elke compensatie of vergoeding voor hun bijzondere arbeidsomstandigheden te weigeren in strijd is met de artikelen 56 bis en 56 ter Ambtenarenstatuut en met het beginsel van gelijke behandeling.

Ten slotte is volgens verzoeksters het standpunt van het Parlement niet coherent, aangezien de directeur-generaal van het directoraat-generaal presidium heeft gesteld dat geen enkele ambtenaar van de telefoondienst op regelmatige basis overwerk verricht, terwijl het TABG op zijn beurt heeft geconcludeerd dat er een onderzoek gaande was om de mogelijkheden te onderzoeken van harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden binnen de betrokken dienst, juist omdat er sprake was van afwijkende uren, buiten de algemene/normale arbeidsuren.

____________