Beroep ingesteld op 22 oktober 2007 - Strack / Commissie

(Zaak F-118/07)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Guido Strack (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

verweerster te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding van 1 000 EUR wegens de immateriële gezondheids- en morele schade die hij in de periode 8.9.2006 tot en met 7.10.2006 heeft geleden doordat de Commissie tot dat tijdstip geen rechtmatige beschikking had gegeven op zijn verzoek van 7.3.2005 om aanmerking van zijn ziekte als beroepsziekte, en de andersluidende beschikkingen van de Commissie van 12 januari 2007, 26 februari 2007 en 20 juli 2007 op dit punt nietig te verklaren;

verweerster te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding van ten minste 10 000 EUR wegens de materiële schade, alsook de immateriële gezondheids- en morele schade die hij in de periode 1.11.2006 tot en met 31.12.2006 heeft geleden door onrechtmatige handelingen van de Commissie, en de andersluidende beschikkingen van de Commissie van 12 januari 2007, 26 februari 2007 en 20 juli 2007 op dit punt nietig te verklaren;

verweerster te veroordelen tot betaling van een vertragingsrente over de uit hoofde van vorenstaande vorderingen te betalen bedragen, ter hoogte van 2 % over de rentevoet die in het betrokken tijdvak door de Europese Centrale Bank op haar belangrijkste herfinancieringsoperaties werd toegepast, van 26 februari 2007 tot aan de feitelijke betaling;

de Europese Commissie te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn schadevorderingen stelt verzoeker dat de Commissie en het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) jegens hem in de jaren 2000 tot en met 2006 een groot aantal ambtelijke fouten en onrechtmatige handelingen hebben begaan. Dit betreft met name zijn werkomgeving en de mobbing op zijn werkplek, de wijze waarop is omgegaan met zijn "whistleblowing", de afhandeling van beoordelings- en bevorderingsprocedures, het onrechtmatig doorgeven van persoonlijke gegevens, de belemmering van zijn pogingen om informatie over en bewijs van deze inbreuken op het recht te verkrijgen, en de omstandigheden van de onrechtmatige en vertraagde behandeling van zijn verzoeken op grond van de artikelen 73 en 78 van het Statuut van de Europese Ambtenaren (Ambtenarenstatuut).

Verzoeker stelt dat verweerster daarbij in strijd heeft gehandeld met onder meer de regelingen inzake de bescherming van de gezondheid, artikel 255 EG-Verdrag, de artikelen 1, 3, 8 en 41 en volgende van het Handvest voor de grondrechten, de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, verordeningen nrs. 1049/2001 en 45/2001, de artikelen 11bis, 12, 22bis, 22ter, 24, 25, 26, 26bis, 43, 45, 73 en 78 van het Ambtenarenstatuut, en de aan de oprichting van het OLAF ten grondslag liggende rechtshandelingen, maar vooral met de in het ambtenarenrecht te betrachten zorgvuldigheid en het verbod van willekeur.

Hierdoor heeft verweerster de gestelde materiële en immateriële schade causaal veroorzaakt, daar verzoeker, zoals inmiddels ook door verweerster in de procedure krachtens de artikelen 73 en 78 van het Ambtenarenstatuut heeft erkend, vanwege deze ambtelijke fouten ziek en uiteindelijk arbeidsongeschikt is geworden. De onrechtmatige en vertraagde afhandeling van deze erkenningsprocedure heeft nog verdere immateriële schade veroorzaakt.

____________