ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Tweede kamer)

26 juni 2008

Zaak F‑54/07

Anne Joseph

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Te late instelling van beroep – Toeval – Aanwerving – Artikelen 3 bis, 3 ter en 85 RAP – Duur van overeenkomst – Besluit van Commissie van 28 april 2004 betreffende de maximumduur van gebruikmaking van niet-permanent personeel in de diensten van de Commissie – Artikel 12 van algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de procedures voor de aanstelling en het ambt van arbeidscontractanten bij de Commissie – Gelijke behandeling”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA en strekkende tot, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van het tot het sluiten van overeenkomsten bevoegd gezag waarbij de duur van verzoeksters overeenkomst als arbeidscontractant, die op 20 juli 2006 is ondertekend en op 16 oktober daaraanvolgend van kracht is geworden, is vastgesteld op vijftien maanden, in plaats van drie jaar, alsmede, voor zover nodig, nietigverklaring van het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht van 13 februari 2007.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elke partij zal haar eigen kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Arbeidscontractanten – Aanwerving

(Regeling andere personeelsleden, art. 3 bis en 85, lid 1)

2.      Ambtenaren – Arbeidscontractanten – Aanwerving

(Regeling andere personeelsleden, art. 3 bis, 82, lid 6, en 85, lid 1)

3.      Ambtenaren – Arbeidscontractanten – Gelijke behandeling

(Regeling andere personeelsleden, art. 3 bis, 82, leden 5 en 6, en 85, lid 1)

4.      Ambtenaren – Arbeidscontractanten – Indeling

(Regeling andere personeelsleden, art. 3 bis)

1.      Met het voorschrift in artikel 85, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden dat zowel de sluiting als de verlenging van overeenkomsten van arbeidscontractanten beperkt is tot maximaal vijf jaar, verbiedt de wetgever de instellingen echter niet, dit soort overeenkomsten krachtens artikel 3 bis van die regeling voor een kortere duur te sluiten, voor zover de minimumduur voorzien in artikel 85, lid 1, van die regeling in acht wordt genomen. De instelling kan echter niet zonder schending van die bepaling de maximumduur die voor de aanstelling van arbeidscontractanten mogelijk is en zoals deze door de wetgever zelf is vastgesteld, algemeen en objectief beperken, in casu door middel van algemene uitvoeringsbepalingen of een intern besluit met een algemene strekking.

(cf. punten 68, 69, 91 en 92)

2.      Door te voorzien in een totale maximumduur van drie jaar voor de sluiting of de verlenging van een overeenkomst van arbeidscontractant in de zin van artikel 3 bis van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, uitsluitend in het geval waarin dat personeelslid niet de selectietest heeft afgelegd bedoeld in artikel 5 van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de procedures voor de aanstelling en het ambt van arbeidscontractanten bij de Commissie, heeft de Commissie niet de in artikel 85, lid 1, van die regeling vastgelegde minimum‑ en maximumtijd miskend. Gebruikmakend van de bij artikel 82, lid 6, van die regeling aan de instellingen verleende bevoegdheid om door middel van uitvoeringsbepalingen de algemene bepalingen met betrekking tot de procedures voor de aanwerving van arbeidscontractanten vast te stellen, heeft de Commissie in de artikelen 11 en 12 van die algemene bepalingen immers de mogelijkheid opgenomen om gedurende een overgangsperiode die van 1 november 2004 tot 1 mei 2007 loopt, krachtens artikel 3 bis of artikel 3 ter van die regeling arbeidscontractanten aan te stellen die niet hebben deelgenomen aan de selectieprocedures voorzien in artikel 5 of 8 van die algemene bepalingen. De Commissie blijft binnen de grenzen van haar bevoegdheid uit hoofde van artikel 82, lid 6, wanneer zij rekening houdt met die overgangsregeling van korte duur, met name bij de vaststelling van de mogelijke maximumduur van overeenkomsten van arbeidscontractanten in de zin van artikel 3 bis van de regeling, welke worden gesloten op grond van artikel 12, lid 1, van de algemene uitvoeringsbepalingen.

(cf. punten 74, 75 en 94)

3.      Ofschoon volgens artikel 85, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden de overeenkomst van arbeidscontractanten bedoeld in artikel 3 bis van die regeling kan worden gesloten voor een bepaalde tijd, namelijk voor ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar, terwijl artikel 12, lid 1 bis, van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de procedures voor de aanstelling en het ambt van arbeidscontractanten bij de Commissie de toegestane duur van overeenkomsten van arbeidscontractanten die niet hebben deelgenomen aan de in de artikel 5 of 8 van die algemene bepalingen voorziene selectieprocedures beperkt, wordt dit verschil in behandeling gerechtvaardigd door het streven van de instelling om functionarissen die zij reeds heeft aangeworven, zonder aanvankelijk te zijn geconfronteerd met de „regel van zes jaar”, en wier overeenkomst wordt verlengd, in staat te stellen om deel te nemen aan de selectieprocedures georganiseerd door het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO), met dien verstand dat de totale duur van de oorspronkelijke overeenkomst en de verlengde overeenkomst in geen geval de drie jaar mag overschrijden. Arbeidscontractanten die een eerste overeenkomst krijgen aangeboden en zij wier overeenkomst wordt verlengd bevinden zich dus niet in vergelijkbare situaties, zodat zij wat de duur van de aanstellingsovereenkomsten betreft verschillend mogen worden behandeld.

De omstandigheid dat artikel 85, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden geen onderscheid maakt met betrekking tot de bepaling van de duur van de betrokken overeenkomsten, naargelang de betrokkene al dan niet met succes de selectietests heeft afgelegd die worden georganiseerd voor zijn aanwerving als arbeidscontractant, doet niet af aan de geldigheid van artikel 12, lid 1 bis, van die algemene uitvoeringsbepalingen. Daar artikel 82, lid 5, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden zelf de mogelijkheid voorziet om die selectieprocedures te organiseren, bevinden de personen die voor de selectietests zijn geslaagd zich niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van personen die niet aan die procedures hebben deelgenomen. Bovendien beschikt de Commissie overeenkomstig artikel 82, lid 6, van die regeling over een ruime beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van de algemene bepalingen met betrekking tot de procedures voor de aanwerving van arbeidscontractanten en, met name, voor de toepassing van artikel 85, lid 1, van de regeling betreffende de vaststelling van de duur van de overeenkomsten van arbeidscontractanten binnen de daarin aangegeven grenzen.

(cf. punten 79‑81)

4.      Volgens artikel 3 bis, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden wordt de arbeidscontractant bij een instelling aangesteld om „handenarbeid of administratieve ondersteunende diensten” te verrichten (sub a), terwijl laatstgenoemde beperking niet geldt voor de aanwerving van een personeelslid om „een ambt te vervullen bij een vertegenwoordiging of een delegatie van de Europese instellingen” (sub d). De toewijzing van essentiële taken aan een arbeidscontractant die is aangeworven uit hoofde van artikel 3 bis van die regeling en die werkzaamheden moet verrichten binnen een delegatie van een instelling, met name wanneer de betrokkene in de hoogste functiegroep is ingedeeld, zal dus minder uitzonderlijk zijn dan in het geval van een arbeidscontractant die binnen een instelling is aangesteld. De omstandigheid dat het betrokken personeelslid is ingedeeld in de functiegroep IV volstaat echter niet om te concluderen dat hij essentiële taken verricht. Bij gebreke van elke andere aanwijzing moet deze vraag concreet worden onderzocht.

(cf. punten 87 en 88)