ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Tweede kamer)

4 juni 2009

Zaak F‑52/08

Wolfgang Plasa

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Ambtenaren – Organisatie van diensten – Tewerkstelling van personeel – Delegatie van de Commissie in Algerije – Artikel 7, lid 1, van Statuut – Overplaatsing naar Brussel – Motivering – Dienstbelang

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA en strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Buitenlandse betrekkingen” van de Commissie van 8 mei 2008 om verzoeker per 1 augustus 2008 over te plaatsen naar het hoofdkantoor te Brussel, en tot toekenning van een schadevergoeding.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoeker zal alle kosten dragen.

Samenvatting

Ambtenaren – Organisatie van diensten – Tewerkstelling van personeel – Beoordelingsvrijheid van administratie

(Ambtenarenstatuut, art. 7, lid 1, 10 bis en bijlage X)

De instellingen genieten een ruime beoordelingsvrijheid om hun diensten te organiseren aan de hand van de taken die hun zijn toevertrouwd, en om voor de vervulling van die taken het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, met dien verstande evenwel dat bij deze tewerkstelling het belang van de dienst en de overeenstemming tussen rang en ambt moeten worden geëerbiedigd. Voor overplaatsing in het belang van de dienst is niet de instemming van de ambtenaar nodig. Een dergelijke voorwaarde zou de vrijheid van de instellingen bij de organisatie van hun diensten en bij de aanpassing van die organisatie aan de ontwikkeling van de behoeften, op onaanvaardbare wijze beperken.

Meer bepaald blijft artikel 7, lid 1, van het Statuut, betreffende de tewerkstelling van ambtenaren in het belang van de dienst, van toepassing op buiten de Europese Unie tewerkgestelde personeelsleden. Volgens artikel 101 bis van het Statuut zijn de bijzondere afwijkende bepalingen voor ambtenaren die zijn tewerkgesteld in een derde land, opgenomen in bijlage X bij het Statuut, waarvan de artikelen 2 en 3, betreffende de mobiliteitsprocedure, verwijzen naar de door het tot aanstelling bevoegd gezag vastgestelde modaliteiten, immers van toepassing onverminderd de overige bepalingen van het Statuut.

(cf. punten 75‑77 en 111)

Referentie:

Hof: 24 februari 1981, Carbognani en Coda Zabetta/Commissie, 161/80 en 162/80, Jurispr. blz. 543, punt 28; 23 maart 1988, Hecq/Commissie, 19/87, Jurispr. blz. 1681, punt 6; 12 november 1996, Ojha/Commissie, C‑294/95 P, Jurispr. blz. I‑5863, punt 40

Gerecht van eerste aanleg: 19 juni 1997, Forcat Icardo/Commissie, T‑73/96, JurAmbt. blz. I‑A‑159 en II‑485, punt 26; 22 januari 1998, Costacurta/Commissie, T‑98/96, JurAmbt. blz. I‑A‑21 en II‑49, punten 33, 36 en 40