ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Eerste kamer)

30 november 2009

Zaak F‑86/08

Dietrich Voslamber

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Ambtenaren – Sociale zekerheid – Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering – Echtgenoot van voormalig ambtenaar – Gebonden bevoegdheid – Artikel 13 van regeling inzake ziektekostenverzekering”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarmee Voslamber met name de nietigverklaring vordert van het besluit van de Commissie van 9 juli 2008 tot afwijzing van zijn klacht tegen het besluit van 17 januari 2008 waarbij werd geweigerd zijn echtgenote de primaire dekking te geven van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering voor de instellingen van de Europese Gemeenschappen.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. De krachtens artikel 94, sub a, van het Reglement voor de procesvoering ingediende vorderingen van de Commissie worden afgewezen. De Commissie draagt, naast haar eigen kosten, twee derde van verzoekers kosten. Verzoeker draagt een derde van zijn eigen kosten.

Samenvatting

1.      Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Niet in verzoekschrift uiteengezette rechtsmiddelen – Verwijzing naar geheel van bijlagen – Niet-ontvankelijkheid

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 35, lid 1, sub e)

2.      Ambtenaren – Interne richtlijn van instelling – Rechtsgevolgen – Grenzen

(Regeling inzake de ziektekostenverzekering, art. 13)

3.      Ambtenaren – Sociale zekerheid – Ziektekostenverzekering – Primaire verzekeringsdekking van echtgenoot van ambtenaar door gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering – Voorwaarden

(Ambtenarenstatuut, art. 72; regeling inzake de ziektekostenverzekering, art. 13)

1.      Krachtens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, dient het verzoekschrift de aangevoerde middelen en argumenten, zowel feitelijk als rechtens, te bevatten. Die middelen en argumenten moeten zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht, in voorkomend geval zonder nadere informatie, op het beroep uitspraak kan doen. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke elementen feitelijk en rechtens waarop het beroep berust althans summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Ofschoon het verzoekschrift op specifieke punten kan worden vervolledigd en aangevuld met verwijzingen naar passages in bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere geschriften, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, in dat verband geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële elementen van het betoog rechtens, die volgens voornoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten staan. Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten op te sporen en te identificeren die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts als bewijsmiddel en documentatie dienen.

(cf. punt 37)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 8 december 2005, Just/Commissie, T‑91/04, JurAmbt. blz. I‑A‑395 en II‑1801, punt 35

2.      De door de gemeenschapsinstellingen vastgestelde interne richtlijnen kunnen rechtens hoe dan ook geen regels stellen die afwijken van hiërarchisch hogere bepalingen, zoals de bepalingen van het Statuut en de uitvoeringsregeling hiervan, of de algemene rechtsbeginselen. Derhalve mag de uitlegging van het begrip inkomen uit een beroepsbezigheid „als bedoeld in de Mededelingen van de administratie” niet afwijken van de uitlegging van datzelfde begrip in artikel 13 van de regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren.

(cf. punt 53)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 25 oktober 2005, Fardoom en Reinard/Commissie, T‑43/04, JurAmbt. blz. I‑A‑329 en II‑1465, punten 35 en 36

3.      Paragraaf 3 van de Mededelingen van de administratie van 2007 inzake de toepassing van de gemeenschappelijke regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, waarin de toepassingsvoorwaarden van voornoemd artikel 13 zijn neergelegd, stelt, bij wijze van uitzondering, de primaire dekking van de echtgenoot van een ambtenaar door het Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de instellingen van de Europese Gemeenschappen afhankelijk van een van de twee voorwaarden die daarin worden genoemd: de eerste voorwaarde vereist dat die echtgenoot geen wettelijke ziektekostenverzekering kan afsluiten; de tweede voorwaarde vereist dat het bedrag van de premies voor het afsluiten van een ziektekostenverzekering meer bedraagt dan 20 % van het belastbare inkomen uit een beroepsbezigheid van de betrokkene.

Een instelling die, in het kader van het verzoek van een ambtenaar om zijn echtgenote onder de primaire dekking van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering te brengen, het ouderdomspensioen van de echtgenote van de ambtenaar niet als inkomen uit een beroepsbezigheid aanmerkt, terwijl artikel 13 van de regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen uitdrukkelijk bepaalt dat het ouderdomspensioen inkomen uit een beroepsbezigheid vormt, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Desalniettemin kan een ambtenaar zich niet met succes op een middel beroepen ter verkrijging van de nietigverklaring van een besluit, wanneer de administratie niet over een beoordelingsmarge beschikt en verplicht is om te handelen zoals zij heeft gedaan. Derhalve is de Commissie ingevolge artikel 13 van de gemeenschappelijke regeling gehouden om het verzoek van een ambtenaar om zijn echtgenote onder de primaire dekking van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering te brengen, af te wijzen wanneer de echtgenote van de ambtenaar aan geen van de twee in paragraaf 3 van voornoemde Mededelingen van de administratie gestelde voorwaarden voldoet, en dit ongeacht hoe de tweede van die voorwaarden wordt uitgelegd.

(cf. punten 52, 54, 55, 60, 75 en 76)

Referentie:

Hof: 20 mei 1987, Souna/Commissie, 432/85, Jurispr. blz. 2229, punt 20

Gerecht voor ambtenarenzaken: 17 juni 2008, De Fays/Commissie, F‑97/07, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II‑A‑1‑0000, punten 70 en 71