BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Eerste kamer)

4 november 2008

Zaak F‑87/07

Luigi Marcuccio

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Beweerdelijk onrechtmatig gedrag van medische dienst van Commissie – Niet-ontvankelijkheid – Niet-inachtneming van redelijke termijn voor indiening van schadevordering”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, en met name strekkende tot toekenning van een vergoeding voor de schade die verzoeker zou hebben geleden door het onrechtmatig gedrag van de medische dienst van de Commissie bij de behandeling van drie medische attesten die hij in de zomer van 2001 heeft overgelegd.

Beslissing: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker wordt verwezen in de kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beroep – Termijnen – Bij instelling ingediend verzoek om schadevergoeding – Inachtneming van redelijke termijn

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 46; Ambtenarenstatuut, art. 90)

2.      Ambtenaren – Beroep – Beroep tot schadevergoeding – Doel – Verklaring voor recht – Kennelijke niet-ontvankelijkheid

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

1.      De ambtenaren of functionarissen dienen binnen een redelijke termijn, en wel vanaf het moment waarop zij kennis hebben gekregen van de situatie waartegen zij opkomen, bij de instelling elk verzoek in te dienen waarmee zij van de Gemeenschap vergoeding beogen te krijgen voor de schade die aan laatstgenoemde toerekenbaar zou zijn. De redelijkheid van de termijn moet worden beoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen.

De vijfjarige verjaringstermijn waarin artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie voorziet voor vorderingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, vormt in dit verband een in aanmerking te nemen vergelijkingspunt. De termijn van vijf jaar kan evenwel geen onverbiddelijke en invariabele grens zijn waaronder elke vordering ontvankelijk is, ongeacht de tijd die de verzoeker heeft genomen om zijn verzoek bij de administratie in te dienen en de omstandigheden van het geval.

(cf. punten 27‑30)

Referentie:

Hof: 22 oktober 1975, Meyer-Burckhardt/Commissie, 9/75, Jurispr. blz. 1171, punten 7, 10 en 11

Gerecht van eerste aanleg: 5 oktober 2004, Eagle e.a./Commissie, T‑144/02, Jurispr. blz. II‑3381, punten 65, 66 en 71

Gerecht voor ambtenarenzaken: 1 februari 2007, Tsarnavas/Commissie, F‑125/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 71, 76 en 77

2.      In het kader van een door een ambtenaar ingesteld beroep tot schadevergoeding is een vordering die in feite strekt tot erkenning door de gemeenschapsrechter van de gegrondheid van bepaalde, ter onderbouwing van de schadevordering aangevoerde argumenten, kennelijk niet-ontvankelijk, aangezien het niet de taak van de rechter is om verklaringen van recht te geven. Dit is het geval met een vordering tot vaststelling door de gemeenschapsrechter van het bestaan van aan de orde zijnde handelingen, feiten en gedragingen alsmede van de onrechtmatigheid ervan.

(cf. punt 36)

Referentie:

Hof: 13 juli 1989, Jaenicke Cendoya/Commissie, 108/88, Jurispr. blz. 2711, punten 8 en 9