BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Eerste kamer)

26 april 2010

Zaak F‑7/08 DEP

Peter Schönberger

tegen

Europees Parlement

„Procedure — Begroting van kosten”

Betreft: Verzoek om begroting van de invorderbare kosten uit hoofde van artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering.

Beslissing: Het bedrag van de door verzoeker invorderbare kosten wordt vastgesteld op 12 750 EUR.

Samenvatting

1.      Procedure — Kosten — Begroting — Invorderbare kosten — Begrip — Door partijen gemaakte noodzakelijke kosten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 91, sub b)

2.      Procedure — Kosten — Begroting — In aanmerking te nemen factoren

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 91, sub b)

3.      Procedure — Invorderbare kosten — Kosten gemaakt in kader van procedure inzake begroting van kosten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 86 en 92)

1.      De invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten. Het staat overigens aan de verzoeker om de bewijzen over te leggen waaruit blijkt dat de kosten waarvan hij de terugbetaling vordert daadwerkelijk zijn gemaakt.

(cf. punt 23)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 8 juli 2004, De Nicola/EIB, T‑7/98 DEP, T‑208/98 DEP en T‑109/99 DEP, JurAmbt. blz. I‑A‑219 en II‑973, punt 42

Gerecht voor ambtenarenzaken: 10 november 2009, X/Parlement, F‑14/08 DEP, JurAmbt. blz. I-A-1-425 en II-A-1-2303, punt 21

2.      De rechter van de Unie kan niet de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vaststellen, maar wel bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bijgevolg hoeft de rechter van de Unie bij zijn beslissing op een verzoek om begroting van kosten geen rekening te houden met een nationaal tarief voor advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden. Aangezien een tariefregeling in het recht van de Unie ontbreekt, moet de rechter de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het voorwerp en de aard van het geding, het belang ervan vanuit het oogpunt van het recht van de Unie, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad en het economisch belang van het geding voor de partijen.

Wat de door de advocaten gemaakte reiskosten betreft, kunnen in beginsel alleen voor vergoeding in aanmerking komen, de reiskosten die de advocaat heeft gemaakt om zich van zijn praktijk naar de terechtzitting van het Gerecht te Luxemburg te begeven.

Het is echter niet uitgesloten dat de betrokken advocaat op het moment waarop het Gerecht de datum van de terechtzitting vaststelt reeds beroepsmatige verplichtingen heeft in een andere stad dan die waarin zijn praktijk is gevestigd. Het beroep van advocaat profiteert echter van het recht op vrije dienstverlening binnen de Unie. Om die reden kunnen de kosten om zich vanuit de stad waarin die beroepsmatige verplichting bestaat naar de terechtzitting in Luxemburg te begeven, eveneens worden aangemerkt als noodzakelijke kosten. In een dergelijk geval moet de advocaat echter bewijzen dat hij een beroepsmatige verplichting had in een andere stad dan die waarin zijn praktijk is gevestigd en dat de daardoor ontstane reiskosten naar Luxemburg daadwerkelijk zijn gemaakt.

(cf. punten 24, 25, 36 en 37)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: X/Parlement, reeds aangehaald, punten 22 en 23

3.      Artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken betreffende de procedure inzake het geschil over de kosten bepaalt in tegenstelling tot artikel 86 van dat Reglement niet dat ten aanzien van de proceskosten wordt beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding. Indien de rechter van de Unie, in het kader van een op basis van artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering ingesteld beroep uitspraak doende over het geschil over de kosten van een hoofdprocedure, uitspraak deed over de kosten die het voorwerp van het geschil vormen en, afzonderlijk, over de nieuwe kosten die in het kader van het geschil over de kosten zijn ontstaan, zou later immers eventueel een nieuw geschil over nieuwe kosten aanhangig kunnen worden gemaakt. Er behoeft dus niet afzonderlijk uitspraak te worden gedaan over de kosten en honoraria die voor de procedure inzake de begroting van kosten voor het Gerecht zijn gemaakt. Bij de vaststelling van de invorderbare kosten moet de rechter van de Unie echter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak tot het moment waarop de beschikking inzake de begroting van kosten wordt gegeven.

(cf. punten 45‑47)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: X/Parlement, reeds aangehaald, punt 40, en de aangehaalde rechtspraak