ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Derde kamer)

13 april 2011 (*)

„Openbare dienst – Tijdelijk functionaris – Verlenging van overeenkomst voor bepaalde tijd – Herkwalificatie van overeenkomst voor bepaalde tijd als overeenkomst voor onbepaalde tijd – Artikel 8, eerste alinea, RAP”

In zaak F‑105/09,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, dat van toepassing is op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,

Séverine Scheefer, tijdelijk functionaris van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door R. Adam en P. Ketter, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Ignătescu en L. Chrétien, vervolgens door R. Ignătescu en S. Alves als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

samengesteld als volgt: P. Mahoney, president, H. Kreppel en S. Van Raepenbusch (rapporteur), rechters,

griffier: J. Tomac, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 november 2010,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 23 december 2009, vraagt S. Scheefer om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 12 februari 2009 houdende bevestiging dat haar overeenkomst van tijdelijk functionaris op 31 maart 2009 zou aflopen en van het besluit van 12 oktober 2009 tot afwijzing van haar klacht alsmede vergoeding van de schade die zij door de gedraging van het Parlement zou hebben geleden.

 Toepasselijke bepalingen

 Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie

2        Artikel 2 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) luidt:

„Als tijdelijk functionaris in de zin van deze regeling wordt aangemerkt:

a) het personeelslid, aangesteld om een ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op iedere instelling betrekking heeft en aan welk ambt de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend;

[...]”

3        Artikel 8, eerste alinea, RAP bepaalt:

„De tijdelijke functionaris in de zin van artikel 2, [sub] a, kan voor bepaalde of voor onbepaalde tijd worden aangesteld. De overeenkomst van een voor bepaalde tijd aangesteld functionaris kan slechts eenmaal voor bepaalde tijd worden verlengd. Daarna kan de overeenkomst alleen nog voor onbepaalde tijd worden verlengd.”

4        Artikel 7, leden 2 tot en met 4, van de interne regeling voor de aanwerving van ambtenaren en andere functionarissen, door het bureau van het Parlement vastgesteld op 3 mei 2004 (hierna: „interne regeling”), luidt:

„2.      Onder voorbehoud van de voor ambtenaren geldende bepalingen, worden tijdelijke functionarissen in volgorde van bruikbaarheid aangeworven uit de geslaagde kandidaten van een vergelijkend onderzoek of van een aanwervingsprocedure voorzien in artikel 29, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren [van de Europese Unie].

3.      Bij gebreke van beschikbare geslaagde kandidaten, worden tijdelijke functionarissen aangeworven:

–        wat de tijdelijke functionarissen betreft bedoeld in artikel 2, [sub] a, RAP, na selectie door een ad-hoccomité waarvan één lid is aangewezen door het personeelscomité;

–        wat de tijdelijke functionarissen betreft bedoeld in artikel 2, [sub] b, RAP, na advies van de paritaire commissie.

4.      In afwijking van de voorgaande bepalingen, kunnen tijdelijke functionarissen bedoeld in artikel 2, [sub] a, RAP worden aangeworven volgens de procedure voorzien in lid 3, tweede streepje, van dit artikel, indien die aanwervingen uitsluitend bedoeld zijn om voorlopig in ambten te voorzien in afwachting van de vervulling daarvan overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, lid 3, eerste streepje.”

 Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

5        Clausule 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst”), die is opgenomen als bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43), bepaalt:

„1. Teneinde misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen, voeren de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, en/of de sociale partners, wanneer er geen gelijkwaardige wettelijke maatregelen ter voorkoming van misbruik bestaan, op een wijze die rekening houdt met de behoeften van bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers, een of meer van de volgende maatregelen in:

a)      vaststelling van objectieve redenen die een vernieuwing van dergelijke overeenkomsten of verhoudingen rechtvaardigen;

b)      vaststelling van de maximale totale duur van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd;

c)      vaststelling van het aantal malen dat dergelijke overeenkomsten of verhoudingen mogen worden vernieuwd.

2.      De lidstaten, na raadpleging van de sociale partners, en/of, waar nodig, de sociale partners bepalen onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd:

a)      als ‚opeenvolgend’ worden beschouwd;

b)      geacht worden voor onbepaalde tijd te gelden.”

 Feiten van het geding

6        Bij op 29 maart respectievelijk 4 april 2006 ondertekende overeenkomst heeft het Parlement verzoekster voor de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007 (hierna: „oorspronkelijke overeenkomst”) aangeworven als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, RAP en haar als arts tewerkgesteld bij het artsenteam te Luxemburg (Luxemburg).

7        Bij een door het Parlement op 23 februari 2007 en door verzoekster op 26 februari daaraanvolgend ondertekend aanhangsel (hierna: „aanhangsel van 26 februari 2007”) is de oorspronkelijke overeenkomst verlengd tot en met 31 maart 2008.

8        Op 18 oktober 2007 heeft het Parlement aankondiging nr. PE/95/S bekendgemaakt betreffende de organisatie van een selectieprocedure op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens voor de aanwerving van een tijdelijk functionaris als arts-administrateur (PB C 244 A, blz. 5). Verzoekster heeft zich aangemeld, maar haar aanmelding is afgewezen op grond dat zij niet over de vereiste ervaring beschikte.

9        Bij aanhangsel van 26 maart 2008, dat het aanhangsel van 26 februari 2007 verving (hierna: „aanhangsel van 26 maart 2008”), is de oorspronkelijke overeenkomst verlengd tot en met 31 maart 2009.

10      Bij brief van 22 januari 2009 heeft verzoekster de secretaris-generaal van het Parlement gevraagd of er een mogelijkheid was om haar samenwerking met de medische dienst van de instelling voort te zetten op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

11      Op 12 februari 2009 heeft de secretaris-generaal van het Parlement verzoekster geantwoord dat na diepgaand onderzoek van haar situatie geen enkele juridisch aanvaardbare oplossing had kunnen worden gevonden om haar werkzaamheid bij het artsenteam te kunnen voortzetten en heeft hij bevestigd dat de overeenkomst van de betrokkene op de voorziene datum, dat wil zeggen op 31 maart 2009, zou worden beëindigd.

12      Op 2 april 2009 heeft verzoekster op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een klacht ingediend, opdat het Parlement zou erkennen dat zij krachtens artikel 8, eerste alinea, RAP recht had op een overeenkomst voor onbepaalde tijd en haar overeenkomst van tijdelijk functionaris na 31 maart 2009 zou worden voortgezet.

13      Op 12 oktober 2009 heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag de klacht niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond verklaard.

 Conclusies van partijen en procesverloop

14      Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

–        „[...] het besluit van het Parlement van 12 februari 2009 nietig te verklaren [...];

–        [...] het besluit van het Parlement van 12 oktober 2009 nietig te verklaren [...];

–        de juridische kwalificatie van de oorspronkelijke overeenkomst [...] en de op 31 maart 2009 vastgestelde afloopdatum ervan nietig te verklaren;

–        dientengevolge, verzoeksters aanstelling te herkwalificeren als aanstelling voor onbepaalde tijd;

–        de schade te vergoeden die verzoekster door de gedraging van het Parlement heeft geleden;

–        subsidiair en indien het [G]erecht onverwachts toch tot de conclusie mocht komen dat de arbeidsverhouding ondanks het ontstaan van een aanstelling voor onbepaalde tijd was beëindigd, een schadevergoeding toe te kennen voor de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsverhouding;

–        meer subsidiair en indien het [G]erecht onverwachts toch tot de conclusie mocht komen dat een herkwalificatie niet mogelijk was [...], een schadevergoeding toe te kennen voor de schade die verzoekster heeft geleden door de onrechtmatige gedraging van het Parlement [...];

–        verzoekster alle rechten, middelen en vorderingen voor te behouden en met name de veroordeling van het Parlement tot betaling van een vergoeding in verband met de geleden schade;”

–        het Parlement te verwijzen in de kosten.

15      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 februari 2010, heeft het Parlement een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen op grond van artikel 78, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering.

16      Het Parlement concludeert in zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid dat het het Gerecht behage:

–        het beroep volledig kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

17      Bij op 17 maart 2010 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster haar schriftelijke opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.

18      Bij beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 8 juli 2010 is de exceptie van niet-ontvankelijkheid gevoegd met de zaak ten gronde.

19      In zijn op 10 september 2010 ter griffie van het Gerecht neergelegd verweerschrift concludeert het Parlement dat het het Gerecht behage:

–        het beroep tot nietigverklaring ongegrond te verklaren;

–        verzoeksters vordering om haar aanstelling te herkwalificeren als aanstelling voor onbepaalde tijd niet-ontvankelijk te verklaren;

–        de vordering tot vergoeding van de schade veroorzaakt door de onrechtmatige gedraging van het Parlement niet-ontvankelijk te verklaren;

–        de vordering tot vergoeding van de schade veroorzaakt door de onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Tweede vordering: nietigverklaring van het besluit van 12 oktober 2009

20      Met haar tweede vordering vraagt verzoekster om nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 12 oktober 2009 tot afwijzing van haar klacht.

21      Er zij echter aan herinnerd dat een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht, tot gevolg heeft dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, wanneer deze vordering als zodanig geen zelfstandige inhoud heeft (zie in die zin arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, Jurispr. blz. 23, punt 8; arrest Gerecht van eerste aanleg van 6 april 2006, Camós Grau/Commissie, T‑309/03, Jurispr. blz. II‑1173, punt 43; arrest Gerecht van 11 december 2008, Reali/Commissie, F‑136/06, punt 37) en zij in feite samenvalt met de vordering tot nietigverklaring van het besluit waartegen de klacht is ingediend.

22      Er moet dus worden vastgesteld dat ook al kan niet worden ontkend dat een verzoeker belang heeft bij de nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn klacht én bij het voor hem bezwarend besluit, het beroep in casu moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit dat volgens verzoekster is vervat in de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 12 februari 2009 (hierna: „bestreden besluit”).

 Derde en vierde vordering: herkwalificatie van verzoeksters overeenkomst

23      Met haar derde en haar vierde vordering vraagt verzoekster om nietigverklaring van de juridische kwalificatie van haar oorspronkelijke overeenkomst en herkwalificatie daarvan als aanstelling voor onbepaalde tijd.

24      Er zij echter aan herinnerd dat ook al staat de juridische kwalificatie van een handeling uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht en is deze niet afhankelijk van de wil van partijen, het Gerecht alleen bezwarende besluiten nietig kan verklaren en niet de kwalificatie die degene die het besluit heeft genomen ten onrechte daaraan heeft gegeven. Bovendien staat vast dat de rechter van de Unie in het kader van een beroep uit hoofde van artikel 91 van het Statuut geen beginselverklaringen kan afleggen of de gemeenschapsinstellingen bevelen kan geven zonder inbreuk te maken op de bevoegdheden van het administratieve gezag (arrest Hof van 13 juli 1989, Jaenicke Cendoya/Commissie, 108/88, punten 8 en 9; beschikking Gerecht van 16 mei 2006, Voigt/Commissie, F‑55/05, punt 25; arrest Gerecht van 30 april 2009, Aayhan e.a./Parlement, F‑65/07, punt 52).

25      De derde en de vierde vordering moeten dus niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover zij ertoe strekken dat het Gerecht in het dictum van dit arrest verzoeksters overeenkomst herkwalificeert.

 Eerste en derde vordering: nietigverklaring van het bestreden besluit en nietigverklaring van de op 31 maart 2009 vastgestelde afloopdatum van de overeenkomst

 Argumenten van partijen

–       Ontvankelijkheid van de vorderingen

26      Het Parlement stelt dat verzoekster met haar brief van 22 januari 2009 niet heeft gevraagd om een nieuwe verlenging van haar oorspronkelijke overeenkomst, maar dat zij de administratie heeft gevraagd om te erkennen dat het aanhangsel van 26 maart 2008 tot gevolg had gehad dat die overeenkomst was geherkwalificeerd als overeenkomst voor onbepaalde tijd, waaruit zij afleidt dat het bestreden besluit tot weigering om aan dat verzoek te voldoen, een bezwarend besluit vormt.

27      Het Parlement beklemtoont echter dat een overeenkomst vanaf de ondertekening ervan gevolgen heeft, zodat het aanhangsel van 26 maart 2008 waarbij de oorspronkelijke overeenkomst tot en met 31 maart 2009 is verlengd, hypothetisch gesproken het bezwarend besluit vormt. Verzoekster had dus binnen drie maanden na ondertekening van het aanhangsel een klacht daartegen moeten indienen. Met de indiening, op 22 januari 2009, van een verzoek om te erkennen dat er sprake is van een aanstelling voor onbepaalde tijd, heeft verzoekster geprobeerd om de statutaire termijnen te omzeilen en het feit te verdoezelen dat zij niet tijdig een klacht had ingediend.

28      Het voegt hieraan toe dat de secretaris-generaal in het bestreden besluit alleen heeft „bevestigd dat [verzoeksters] overeenkomst op de voorziene datum, dat wil zeggen 31 maart 2009, zou aflopen”. Het betreft hier dus een louter bevestigende handeling die volgens vaste rechtspraak niet vatbaar is voor beroep.

29      Het Parlement leidt hieruit af dat verzoekster niet om nietigverklaring van het bestreden besluit kan vragen.

30      Verzoekster antwoordt primair dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van 18 februari 2010 te laat is ingediend, aangezien artikel 78, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat „[h]et verzoek om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid moet worden ingediend binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de betekening van het verzoekschrift”, die op 8 januari 2010 heeft plaatsgevonden.

31      Subsidiair betwist verzoekster de gegrondheid van de exceptie van niet-ontvankelijkheid, op grond dat de secretaris-generaal zich in het bestreden besluit niet heeft uitgesproken over een verzoek om verlenging van de overeenkomst, maar over de vraag of de oorspronkelijke overeenkomst door de tweede verlenging ervan al dan niet was omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Na onderzoek van de situatie heeft het Parlement geconcludeerd dat er „geen enkele juridisch aanvaardbare oplossing” bestond om haar functie te kunnen voortzetten, zodat de oorspronkelijke overeenkomst bij afloop van het aanhangsel van 26 maart 2008, dat wil zeggen op 31 maart 2009, zou worden beëindigd.

32      Volgens verzoekster kan het bestreden besluit dus niet worden uitgelegd als een informatie of als een louter bevestigende handeling. Het vormt een besluit waarbij een beslissing wordt genomen over een precieze juridische vraag en die haar belangen rechtstreeks raakt. De stelling van het Parlement dat geen oplossing had kunnen worden gevonden vormt een erkenning van het feit dat na de sluiting van het aanhangsel van 26 maart 2008 naar die oplossing is gezocht.

33      Verzoekster merkt op dat zij volgens het Parlement zelf om een derde verlenging van haar overeenkomst had moeten vragen, ofschoon uit artikel 8, eerste alinea, RAP volgt dat haar overeenkomst zelfs niet voor een tweede keer had mogen worden verlengd en dat deze sinds die tweede verlenging in feite automatisch is omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

34      Subsidiair stelt verzoekster dat het aanhangsel van 26 maart 2008 niet als „bezwarend besluit” kan worden aangemerkt, aangezien uit de bewoordingen van artikel 8, eerste alinea, RAP volgt dat de ondertekening ervan gelijkstond aan de sluiting van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

35      Eveneens subsidiair merkt zij op dat, aangezien het Parlement zelf haar brief van 2 april 2009 heeft aangemerkt als „klacht” in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, zij de procedure met de instelling van het onderhavige beroep heeft voortgezet.

–       Ten gronde

36      Verzoekster voert drie middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van artikel 8, eerste alinea, RAP, een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijk onjuiste beoordeling, het tweede aan schending van de motiveringsplicht en het derde aan misbruik van bevoegdheid en schending van de zorgplicht, het beginsel van behoorlijk bestuur, van gewettigd vertrouwen, van gelijkheid, van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten en van misbruik van recht.

37      Met betrekking tot het eerste middel stelt verzoekster dat, wat de tweede wijziging in haar oorspronkelijke overeenkomst betreft, het aanhangsel van 26 maart 2008 volgens artikel 8, eerste alinea, RAP tot gevolg heeft gehad dat die overeenkomst voor bepaalde tijd is omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd en dat het bestreden besluit, door de herkwalificatie niet te erkennen, die bepaling heeft geschonden.

38      Verzoekster merkt op dat het aanhangsel van 26 maart 2008 inderdaad dat van 23 februari 2007 „nietig verklaart en vervangt”. Zij is echter van mening dat uit die vervanging niet kan worden afgeleid dat er overeenkomstig artikel 8, eerste alinea, RAP dus slechts sprake is geweest van één verlenging van de overeenkomst voor bepaalde tijd, zoals het Parlement stelt. Zelfs indien rekening wordt gehouden met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarop het Parlement zich beroept, is deze handelwijze een truc waarmee het voormelde bepaling niet kan omzeilen.

39      Het Parlement antwoordt dat de door hem ingezette artsen tijdelijk functionaris zijn in de zin van artikel 2, sub a, RAP en dat zij op grond van artikel 7, lid 2, van de interne regeling moeten worden aangeworven uit de geslaagde kandidaten van een vergelijkend onderzoek of van een aanwervingsprocedure als bedoeld in artikel 29, lid 2, van het Statuut. Aangezien er geen reservelijst voor artsen was en het geen enkele sollicitatie had ontvangen naar aanleiding van de kennisgevingen van vacature die het had gepubliceerd om het ambt te vervullen dat door het vertrek van verzoeksters voorganger vacant was geworven, was het verplicht om haar op basis van artikel 7, lid 4, van die regeling voor beperkte tijd en voorlopig aan te werven, totdat het een arts kon aanstellen overeenkomstig de door bovengenoemd artikel 7, lid 2, vereiste selectieprocedure. Dit was het doel van verzoeksters oorspronkelijke overeenkomst.

40      De oorspronkelijke overeenkomst is bij het aanhangsel van 26 februari 2007 eenmaal verlengd tot en met 31 maart 2008. Daar er nog steeds geen reservelijst was om in het vacante ambt van arts te voorzien, was het Parlement gedwongen om de oorspronkelijke overeenkomst nog eens te verlengen.

41      In dit verband betoogt het Parlement dat, ook al is de sluiting van meerdere opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd in beginsel verboden, er niettemin een voorbehoud moet worden gemaakt voor het geval waarin de opeenvolging van overeenkomsten voor bepaalde tijd gerechtvaardigd wordt door legitieme redenen. Dit is in casu het geval, aangezien de besluiten om de oorspronkelijke overeenkomst te verlengen zijn genomen om de continuïteit van de medische dienst te garanderen, terwijl het Parlement verzoekster geen overeenkomst voor onbepaalde tijd had kunnen aanbieden, omdat het anders in strijd met zijn interne regeling zou handelen.

42      Artikel 8, eerste alinea, RAP verzet zich overigens niet tegen de sluiting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een onzekere tijdsbepaling, zoals in casu de afwachting van de aanstelling van een arts. Ook de in de twee aanhangsels bij de oorspronkelijke overeenkomst vastgestelde afloopdata moeten uitsluitend worden opgevat als verwachte data.

43      Ten slotte beklemtoont het Parlement dat het aanhangsel van 26 maart 2008 waarbij de oorspronkelijke overeenkomst is verlengd tot en met 31 maart 2009, voor verzoekster gunstig is geweest, aangezien het ook die overeenkomst niet had kunnen verlengen en een andere arts had kunnen aanstellen of deze enkel had kunnen verlengen voor de duur van enkele maanden die nodig waren om een arts aan te werven overeenkomstig de selectieprocedure.

 Beoordeling door het Gerecht

44      Om te beginnen moet de strekking worden gepreciseerd van verzoeksters derde vordering, voor zover deze strekt tot nietigverklaring van de „op 31 maart 2009 vastgestelde afloopdatum [van haar oorspronkelijke overeenkomst]”.

45      Deze vordering zou aldus kunnen worden opgevat dat zij betrekking heeft op de datum van 31 maart 2009 die de secretaris-generaal van het Parlement heeft „bevestigd” in het bestreden besluit. In dat geval valt zij echter samen met de eerste vordering, die strekt tot nietigverklaring van dat besluit. Teneinde ook aan deze vordering een autonome strekking te geven, moet zij aldus worden opgevat dat zij strekt tot nietigverklaring van het aanhangsel van 26 maart 2008, voor zover daarbij de afloopdatum van verzoeksters aanstelling wordt vastgesteld op 31 maart 2009.

46      Nu deze precisering is aangebracht moet er met betrekking tot de door verzoekster aangevoerde tardiviteit van de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid aan worden herinnerd dat het verzoek aan het Gerecht om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid van het beroep zonder op de zaak ten gronde in te gaan, op grond van artikel 78, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet worden ingediend binnen een maand na de betekening van het verzoekschrift, waaraan de in artikel 100, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering voorziene forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen moet worden toegevoegd. In casu is het verzoekschrift op 8 januari 2010 aan het Parlement betekend. De op 18 februari daaraanvolgend opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is dus ingediend op de laatste dag van de aldus berekende termijn, zodat deze ontvankelijk is.

47      Met betrekking tot de inhoud van de exceptie van niet-ontvankelijkheid moet eraan worden herinnerd dat een beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk is indien de klacht die daaraan moet voorafgaan is ingediend binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut voorziene termijn van drie maanden na het bezwarend besluit.

48      Met betrekking tot de bepaling van het moment waarop het bezwarend besluit is genomen, dat wil zeggen de vaststelling van de datum vanaf welke de termijn voor de indiening van de klacht moet worden berekend, moet worden opgemerkt dat een overeenkomst vanaf de ondertekening ervan effect sorteert en dus voor de functionaris bezwarend kan zijn, zodat de termijn voor de indiening van een klacht binnen de termijn van artikel 90, lid 2, van het Statuut in beginsel moet worden berekend vanaf de datum van die ondertekening (arrest Gerecht van eerste aanleg van 11 juli 2002, Martínez Páramo e.a./Commissie, T‑137/99 en T‑18/00, punt 56; arrest Aayhan e.a./Parlement, F‑65/07, punt 24 supra, punt 43).

49      Gelet op het voorgaande, was het voorstelbaar dat verzoekster formeel een klacht indiende tegen het aanhangsel van 26 maart 2008 voor zover dit niet voor onbepaalde tijd was gesloten (zie in die zin arrest Aayhan e.a./Parlement, punt 24 supra, punt 44). Dit is echter niet het geval geweest. Nu er niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut voorziene termijn van drie maanden een klacht is ingediend, is de derde vordering, strekkende tot nietigverklaring van dat aanhangsel voor zover daarbij is vastgesteld dat verzoeksters aanstelling op 31 maart 2009 zou worden beëindigd, tardief en dus niet-ontvankelijk.

50      Dit wil echter niet zeggen dat de eerste, tegen het bestreden besluit gerichte vordering eveneens niet-ontvankelijk is.

51      Er moet immers rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval, namelijk dat verzoekster was aangesteld als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, RAP, dat die aanstelling bij het aanhangsel van 26 februari 2007 is verlengd en dat het tweede aanhangsel van 26 maart 2008 het eerste aanhangsel „nietig” heeft verklaard en heeft „vervangen” teneinde de aanstelling van de betrokkene te verlengen tot en met 31 maart 2009, terwijl de aanstelling van een tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, RAP op grond van artikel 8, eerste alinea, RAP slechts eenmaal voor bepaalde tijd kan worden verlengd, waarna „de overeenkomst alleen nog voor bepaalde tijd kan worden verlengd”.

52      Vastgesteld moet worden dat de „nietigverklaring en de vervanging” van een eerste aanhangsel waarbij verzoeksters aanstelling voor bepaalde tijd is verlengd door middel van een nieuw aanhangsel waarbij die aanstelling nog eens voor bepaalde tijd wordt verlengd, zodat er slechts één verlenging voor bepaalde tijd zou zijn, een truc is waarmee artikel 8, eerste alinea, RAP zijn inhoud wordt ontnomen.

53      Door te bepalen dat de overeenkomst „daarna alleen nog voor onbepaalde tijd kan worden verlengd”, is artikel 8, eerste alinea, RAP immers van toepassing op elke wijze waardoor een tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, RAP ertoe wordt gebracht, de arbeidsverhouding met zijn werkgever in die hoedanigheid voort te zetten nadat een overeenkomst voor bepaalde tijd eenmaal is verlengd.

54      Voorts moet rekening worden gehouden met richtlijn 1999/70 en met de daaraan gehechte raamovereenkomst. De omstandigheid dat een richtlijn de instelling als zodanig niet bindt kan immers niet uitsluiten dat zij in hun betrekkingen met hun ambtenaren of personeelsleden indirect rekening moeten houden met die richtlijn. Zo moet eraan worden herinnerd dat het Parlement op grond van de op hem rustende loyaliteitsplicht als werkgever de bepalingen van de RAP zo veel mogelijk in het licht van de tekst en de doelstelling van de raamovereenkomst moet uitleggen. Deze raamovereenkomst maakt van de vaste dienstverhouding een hoofddoel op het gebied van de arbeidsverhoudingen binnen de Europese Unie (arrest Aayhan e.a./Parlement, punt 24 supra, punten 119 en 120). Meer bepaald beoogt clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst specifiek „misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen”, door de lidstaten de verplichting op te leggen om in hun rechtsorde een of meer van de in punt 1, sub a tot en met c, genoemde maatregelen in te voeren. Clausule 5, punt 1, sub c, voorziet met name in de vaststelling van de maximale totale duur van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd. Clausule 5, punt 2, sub b, bepaalt dat overeenkomsten voor bepaalde tijd kunnen worden „geacht voor onbepaalde tijd te gelden”.

55      Ook moet er, wat de instellingen betreft, rekening mee worden gehouden dat artikel 8, eerste alinea, RAP aldus moet worden uitgelegd dat de ruime strekking daarvan wordt verzekerd en dat het strikt moet worden toegepast, aangezien het nu juist beoogt te beperken dat gebruik wordt gemaakt van opeenvolgende overeenkomsten van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd, door de derde overeenkomst voor bepaalde tijd die is gesloten „aan te merken als gesloten voor onbepaalde tijd”.

56      Het Parlement stelt overigens tevergeefs dat artikel 7, lid 4, van zijn interne regeling hem belette om een overeenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten, ofschoon het de continuïteit van de door het artsenteam te Luxemburg verzekerde dienst diende te garanderen. Artikel 7, lid 4, van de interne regeling bepaalt weliswaar dat voorlopig in ambten kan worden voorzien in afwachting van een aanwerving conform de in die regeling voorziene procedure, doch deze bepaling schrijft niet voor dat overeenkomsten voor bepaalde tijd voor een precieze periode worden gesloten, zoals dat in casu het geval is. In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens clausule 3 van de raamovereenkomst een overeenkomst voor bepaalde tijd een overeenkomst is waarvan het einde wordt bepaald door objectieve voorwaarden zoals het bereiken van een bepaald tijdstip, maar ook het intreden van een bepaalde gebeurtenis. Bovendien verbiedt artikel 7, lid 4, niet dat gebruik wordt gemaakt van overeenkomsten voor onbepaalde tijd, aangezien een voorlopige situatie gedurende een niet nader te bepalen periode kan voortduren, zoals in casu het geval is, en een dergelijke overeenkomst de begunstigde ervan in geen geval de stabiliteit van een aanstelling als ambtenaar biedt, daar deze om een geldige reden en met eerbiediging van een opzeggingstermijn kan worden beëindigd, overeenkomstig artikel 47, sub c‑i, RAP. In elk geval is de bindende kracht van de interne regeling minder dan die van de RAP en kan deze niet verhinderen dat artikel 8, eerste alinea, effect sorteert.

57      Het Parlement betoogt eveneens tevergeefs dat artikel 8, eerste alinea, RAP zich niet verzet tegen de sluiting van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die een onzekere tijdsbepaling bevat. Dit argument, dat theoretisch juist is indien die tijdsbepaling verband houdt met het intreden van een bepaalde gebeurtenis (zie punt 56 hierboven), kan in casu niet slagen, aangezien de oorspronkelijke overeenkomst en de aanhangsels erbij een precieze afloopdatum vermelden. De stelling van het Parlement dat het eveneens mogelijk was geweest om de oorspronkelijke overeenkomst niet door middel van het aanhangsel van 26 maart 2008 te verlengen of deze slechts eenmaal voor een kortere duur dan het aan de betrokkene gegeven jaar te verlengen, kan evenmin slagen. Het gaat hier immers slechts om mogelijkheden die niet overeenstemmen met de feiten. Bovendien had een tweede verlenging zelfs voor een kortere duur dan een jaar in elk geval een verlenging in de zin van bovenvermeld artikel 8, eerste alinea, RAP opgeleverd.

58      Ten slotte kan het Parlement zich niet beroepen op de bijzondere situatie waarin het zich zou hebben bevonden als gevolg van het feit dat de post van arts bij zijn artsenteam te Luxemburg vacant was en niet op korte termijn kon worden ingevuld. Zoals hierboven uiteengezet verhindert artikel 7, lid 4, van de interne regeling immers niet dat een overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt gesloten, die op elk moment om een geldige reden en met inachtneming van de opzeggingstermijn van artikel 47, sub c‑i, RAP kan worden beëindigd.

59      Uit een en ander volgt dat verzoekster voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8, eerste alinea, RAP.

60      Op grond van deze bepaling kan de overeenkomst van een voor bepaalde tijd aangestelde functionaris in de zin van artikel 2, sub a, RAP, nadat deze voor een eerste keer voor bepaalde tijd is verlengd, „daarna alleen nog voor onbepaalde tijd worden verlengd”, hetgeen betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat deze herkwalificatie van rechtswege geschiedt.

61      Hieruit volgt dat het Gerecht moet vaststellen dat het aanhangsel van 26 maart 2008 alleen als gevolg van de wil van de wetgever van rechtswege is geherkwalificeerd als aanstelling voor onbepaalde tijd en dat de afloop van de in dat aanhangsel vastgestelde termijn niet tot gevolg kon hebben dat verzoeksters aanstelling werd beëindigd.

62      Dientengevolge heeft het bestreden besluit, waarbij de secretaris-generaal van het Parlement zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen juridisch aanvaardbare oplossing bestond om verzoekster haar werkzaamheid bij het artsenteam te Luxemburg te kunnen laten voortzetten en waarbij hij haar heeft „bevestigd” dat haar overeenkomst op 31 maart 2009 zou aflopen, noodzakelijkerwijs de rechtspositie van de betrokkene zoals deze voortvloeide uit artikel 8 RAP op kenmerkende wijze gewijzigd. Dit besluit vormt dus een bezwarend en niet een louter bevestigend besluit.

63      Daar verzoekster binnen drie maanden na kennisgeving ervan een klacht tegen het bestreden besluit heeft ingediend en binnen drie maanden na de kennisgeving van de afwijzing van die klacht het onderhavige beroep heeft ingesteld, is de vordering tot nietigverklaring van dat besluit dus ontvankelijk.

64      Ten gronde blijkt uit de punten 51 tot en met 62 van dit arrest dat, door verzoekster te bevestigen dat haar overeenkomst zou aflopen, het bestreden besluit is genomen in het perspectief van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd en dat het dus in strijd is met artikel 8, eerste alinea, RAP. Ter terechtzitting heeft het Parlement overigens toegegeven dat de oplossing om verzoekster door middel van meerdere overeenkomsten voor bepaalde tijd in dienst te houden, niet „de meest gelukkige” was.

65      Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard op grond van het middel ontleend aan schending van artikel 8, eerste alinea, RAP, zonder dat de andere middelen van het verzoekschrift dienen te worden onderzocht en zonder dat dient te worden onderzocht of dit besluit in werkelijkheid een beëindiging vormde van een overeenkomst die een overeenkomst voor onbepaalde tijd was geworden en evenmin of was voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijke beëindiging, hetgeen verzoekster met haar middel overigens niet heeft gesteld.

 Vijfde vordering: vergoeding van de door verzoekster geleden schade

66      Verzoekster vordert vergoeding van de schade die zij door de gedraging van het Parlement zou hebben geleden. Het Parlement voert hiertegen aan dat zij niet aangeeft waarin zijn onrechtmatige gedraging zou hebben bestaan. Indien de bedoelde gedraging niet voortvloeit uit het bestreden besluit, had verzoekster de precontentieuze procedure moeten inleiden met een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut.

67      Uit het verzoekschrift blijkt echter dat verzoekster onderscheid maakt tussen haar verzoek om schadevergoeding in het kader van haar vijfde vordering en haar verzoeken om schadevergoeding in het kader van haar zesde, zevende en achtste vordering. Bovendien heeft verzoekster ter terechtzitting bevestigd dat zij in het kader van haar vijfde vordering niet vraagt om toekenning van een schadevergoeding, maar om toekenning van het „financiële deel” dat het „logische gevolg” van de nietigverklaring van het bestreden besluit vormt.

68      In dit verband zij eraan herinnerd dat een verzoek om betaling door een instelling aan één van haar personeelsleden van een bedrag waarop het krachtens de RAP recht meent te hebben, onder het begrip „geschillen van geldelijke aard” in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut valt, en zich onderscheidt van aansprakelijkheidsvorderingen die functionarissen tegen hun instelling instellen en die strekken tot vergoeding van schade. Op grond van artikel 91, lid 1, van het Statuut heeft het Gerecht in die gedingen volledige rechtsmacht, zodat het deze gedingen volledig dient te beslechten en uitspraak moet doen over alle rechten en plichten van het personeelslid, tenzij hij de uitvoering van dat deel van het arrest onder door hem vast te stellen precieze voorwaarden en onder zijn toezicht aan de betrokken instelling overlaat (zie in die zin arrest Hof van 18 december 2007, Weißenfels/Parlement, C‑135/06 P, punten 65, 67 en 68; arrest Gerecht van 2 juli 2009, Giannini/Commissie, F‑49/08, punten 39‑42).

69      Dit gepreciseerd zijnde, moet er eveneens aan worden herinnerd dat de nietigverklaring van een handeling door de rechter tot gevolg heeft dat die handeling met terugwerkende kracht haar gelding wordt ontnomen en dat, wanneer de nietig verklaarde handeling reeds is uitgevoerd, het ongedaan maken van haar gevolgen vereist dat de verzoeker in de rechtssituatie wordt gebracht waarin hij zich vóór die handeling bevond (arrest Gerecht van 26 oktober 2006, Landgren/ETF, F‑1/05, punt 92).

70      In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster na het aanhangsel van 26 maart 2008 alleen op grond van artikel 8, eerste alinea, RAP een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd heeft gekregen en dat haar aanstelling bij gebreke van een opzegging overeenkomstig artikel 47, sub c‑i, RAP niet op 31 maart 2009 is beëindigd.

71      In deze omstandigheden moet het Parlement worden veroordeeld tot betaling aan verzoekster van het verschil tussen enerzijds het bedrag van de bezoldiging waarop zij aanspraak had kunnen maken indien zij bij het Parlement in dienst was gebleven, en anderzijds het bedrag van de bezoldiging, honoraria, werkloosheidstoelagen of elke andere vervangende vergoeding die zij sinds 1 april 2009 in plaats van haar bezoldiging bij het Parlement daadwerkelijk heeft ontvangen.

 Zesde, zevende en achtste vordering: toekenning van schadevergoeding

72      Met haar zesde, haar zevende en haar achtste vordering vraagt verzoekster het Gerecht om het Parlement te veroordelen tot betaling aan haar van een schadevergoeding voor zijn onrechtmatige gedraging, met name wegens de onrechtmatige beëindiging van haar overeenkomst.

73      Daar deze vorderingen subsidiair zijn geformuleerd ten opzichte van de vordering om het Parlement te veroordelen tot betaling van de bezoldiging die verzoekster sinds de beëindiging van haar werkzaamheden verschuldigd was en het Gerecht die vordering heeft toegewezen, behoeft geen uitspraak te worden gedaan over deze vorderingen.

 Kosten

74      Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, behoudens de andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

75      Uit de rechtsoverwegingen van dit arrest volgt dat verzoekster op de belangrijkste punten, namelijk de nietigverklaring van het bestreden besluit en de veroordeling van het Parlement tot betaling van haar achterstallige salaris, in het gelijk is gesteld. Bovendien heeft verzoekster in haar conclusies uitdrukkelijk gevraagd om het Parlement te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de onderhavige zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, moet worden beslist dat het Parlement naast zijn eigen kosten de kosten zal dragen die verzoekster in het kader van deze procedure heeft gemaakt.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit vervat in de brief van 12 februari 2009 waarbij de secretaris-generaal van het Europees Parlement S. Scheefer heeft meegedeeld dat geen enkele aanvaardbare juridische oplossing had kunnen worden gevonden om haar werkzaamheid bij het artsenteam te Luxemburg (Luxemburg) te kunnen voortzetten en dat haar overeenkomst van tijdelijk functionaris op 31 maart 2009 zou aflopen, wordt nietig verklaard.

2)      Het Europees Parlement wordt veroordeeld tot betaling aan Scheefer van het verschil tussen enerzijds het bedrag van de bezoldiging waarop zij aanspraak had kunnen maken indien zij in dienst van het Parlement was gebleven, en anderzijds het bedrag van de bezoldiging, honoraria, werkloosheidsvergoedingen of elke andere vervangende vergoeding die zij sinds 1 april 2009 in plaats van haar bezoldiging als tijdelijk functionaris daadwerkelijk heeft ontvangen.

3)      Het beroep wordt voor het overige verworpen.

4)      Het Europees Parlement zal naast zijn eigen kosten de kosten van Scheefer dragen.

Mahoney

Kreppel

Van Raepenbusch

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 april 2011.

De griffier

 

      De president

W. Hakenberg

 

      P. Mahoney


* Procestaal: Frans.