ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Eerste kamer)

30 september 2010 (*)

„Openbare dienst — Statuut voor personeelsleden van Europol — Artikel 29 — Salaristrapverhoging toegekend op basis van beoordelingsrapporten — Exceptie van onwettigheid van besluit tot vaststelling van het beleid inzake de vaststelling van rangen en salaristrappen — Respectieve bevoegdheden van directeur en raad van bestuur van Europol — Beoordelingsvrijheid van directeur van Europol — Grenzen”

In zaak F‑43/09,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 40, lid 3, van de overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-overeenkomst) en artikel 93, lid 1, van het Statuut voor de personeelsleden van Europol,

Carlo van Heuckelom, functionaris van de Europese Politiedienst, wonende te ’s‑Gravenhage (Nederland), vertegenwoordigd door W. J. Dammingh en N. D. Dane, advocaten,

verzoeker,

tegen

Europese Politiedienst (Europol), ingesteld bij besluit van de Raad van de Europese Unie van 6 april 2009, rechtsopvolger van de voormalige Europese Politiedienst, opgericht bij de Europol-overeenkomst, vertegenwoordigd door D. Neumann en D. El Khoury als gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door B. Wägenbaur en R. Van der Hout, advocaten, vervolgens door B. Wägenbaur, advocaat,

verweerder,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni, kamerpresident, H. Kreppel en M. I. Rofes i Pujol (rapporteur), rechters,

griffier: W. Hakenberg,

gezien de stukken,

gelet op de instemming van partijen om de zaak zonder terechtzitting af te doen,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht bij fax van 15 april 2009 (de neerlegging van het origineel heeft op 20 april daaraanvolgend plaatsgevonden), heeft C. van Heuckelom het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de directeur van de Europese Politiedienst (Europol) van 14 juli 2008 om hem met ingang van 1 april 2008 slechts één salaristrapverhoging toe te kennen en van het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van zijn klacht tegen dat besluit.

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 40, lid 3, van de overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst van 26 juli 1995 (Europol-overeenkomst) (PB C 316, blz. 2) bepaalt dat „[d]e bepalingen inzake verzoeken en beroep als bedoeld in de voorschriften betreffende de regeling welke van toepassing is op de tijdelijke en hulpfunctionarissen van de Europese Gemeenschappen van overeenkomstige toepassing [zijn] op het personeel van Europol”.

3        Artikel 28, eerste alinea, van het statuut voor de personeelsleden van Europol (hierna: „Europol-statuut”), dat krachtens artikel 30, lid 3, van de Europol-overeenkomst is vastgesteld bij besluit van de Raad van de Europese Unie van 3 december 1998 (PB 1999, C 26, blz. 23), luidt:

„Van iedere functionaris [...] wordt ten minste eenmaal per jaar een periodiek beoordelingsrapport opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst.”

4        Artikel 29, eerste alinea, van het Europol-statuut bepaalt:

„De directeur kan op de grondslag van een beoordeling waarin rekening wordt gehouden met de prestaties van de betrokken functionaris, ten hoogste twee salaristrappen om de twee jaar toekennen. De opleidingstaken uit hoofde van de in artikel 21 genoemde bij- en nascholing worden bij deze beoordeling in aanmerking genomen. De nadere regels voor de beoordelingsprocedure worden door de raad van bestuur vastgesteld ingevolge een voorstel van de directeur, dat na raadpleging van het personeelscomité is ingediend.”

5        Artikel 92, lid 2, van het Europol-statuut luidt:

„Iedere in dit statuut bedoelde persoon kan bij de directeur een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat de directeur een besluit heeft genomen, dan wel omdat hij geen, bij het statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend. [...]

De directeur brengt zijn met redenen omkleed besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van de klacht, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op de klacht uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen beroep in de zin van artikel 93 kan worden ingesteld.”

6        Artikel 93 van het Europol-statuut bepaalt:

„1. Het Hof van Justitie [van de Europese Unie] is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen Europol en een van de in dit statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 92, lid 2. Bij geschillen van geldelijke aard heeft het Hof van Justitie volledige rechtsmacht.

2. Een beroep op het Hof van Justitie is slechts ontvankelijk:

–        indien men zich van tevoren tot de directeur heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 92, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn, en

–        indien op deze klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen.

3. Het in lid 2 bedoelde beroep moet binnen een termijn van drie maanden worden ingesteld. Deze termijn gaat in:

–        op de dag van kennisgeving van het naar aanleiding van de klacht genomen besluit,

–        op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt, indien het beroep betrekking heeft op een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een krachtens artikel 92, lid 2, ingediende klacht; wanneer echter een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht is genomen na het stilzwijgende besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep, dan gaat laatstgenoemde termijn hierdoor opnieuw in.

[...]

5. Het in dit artikel bedoelde beroep wordt onderzocht en beoordeeld volgens de bepalingen van het door het Hof van Justitie [van de Europese Unie] opgestelde reglement voor de procesvoering.”

7        Op 24 maart 2006 heeft de directeur van Europol een document goedgekeurd met de titel „Beleid inzake de vaststelling van rangen en salaristrappen van het personeel van Europol” (hierna: „beleid inzake de salaristrappen 2006”).

8        Artikel 5 van het beleid inzake de salaristrappen 2006 luidt:

„1. Overeenkomstig artikel 29 van het [Europol-statuut] worden de salaristrappen toegekend op basis van de volgende criteria:

a)      een functionaris die bij zijn eerste en tweede jaarlijkse beoordeling voortdurend of herhaaldelijk de van hem verwachte prestaties overschrijdt (4 en 5 punten), krijgt twee salaristrappen toegekend;

b)      een functionaris die bij zijn eerste en tweede jaarlijkse beoordeling niet de van hem verwachte prestaties bereikt (1 punt) of deze slechts gedeeltelijk bereikt (2 punten), krijgt geen salaristrap toegekend;

c)      alle andere functionarissen krijgen één salaristrap toegekend.

2. Vond de jaarlijkse beoordeling van een functionaris plaats volgens de procedure die de raad van bestuur [begin 2001] heeft vastgesteld, dan moet het gemiddelde puntenaantal door twee worden gedeeld en worden afgerond op het volgende hele punt tussen 1 en 5, teneinde de toepassing van lid 1 hierboven mogelijk te maken.”

9        Volgens de voetnoot bij artikel 5, lid 2, van het beleid inzake de salaristrappen 2006 „[b]etekent dit dat een gemiddeld puntenaantal [...] tussen 2,5 et 3,49 zal worden afgerond op 3, een puntenaantal tussen 3,5 en 4,49 zal worden afgerond op 4 [...] (het gemiddelde puntenaantal bestaat uit de punten die onder de vroegere beoordelingsprocedure zijn verkregen, gedeeld door twee)”.

10      Op 2 juni 2007 heeft de directeur van Europol een besluit goedgekeurd tot vaststelling van de regels op het gebied van de delegatie van ondertekening binnen Europol (hierna: „besluit van 2 juni 2007”).

11      Artikel 2, lid 4, van het besluit van 2 juni 2007, „Delegatie van ondertekening”, luidt:

„Voor stukken die door de directeur moeten worden ondertekend zal overeenkomstig bijlage 1 bij dit besluit een standaard- of buitengewone delegatie aan een andere ondertekenaar van toepassing zijn [...] In geval van een buitengewone delegatie zal de ondertekenaar die namens de directeur heeft ondertekend laatstgenoemde bij zijn terugkeer via de eenheid „Ondersteuning van de Directie” en het secretariaat „Intern bestuur” onmiddellijk hiervan op de hoogte brengen.”

12      In bijlage 1 bij het besluit van 2 juni 2007 is voor besluiten waarbij op interne klachten of bezwaren wordt beslist een regeling opgenomen voor een buitengewone delegatie aan de adjunct-directeur van de afdeling „Intern bestuur”.

13      Op 25 februari 2008 zijn de eenheidshoofden van de afdeling „Ernstige vormen van criminaliteit” in aanwezigheid van Alvarez, hoofd van de eenheid „Personeelszaken”, bijeengekomen. Het verslag van deze bijeenkomst (hierna: „verslag van 25 februari 2008”) luidt als volgt:

„1. Personeelszaken — Nieuwe beoordelingsprocedure

Alvarez geeft de hoofden van de eenheid de volgende [...] informatie over de recente wijzigingen van de beoordelingsprocedure van het personeel. [...]

Formulier A (zelfbeoordeling) is niet gewijzigd, de structuur van formulier B daarentegen wel [...]

Alvarez geeft aan dat per jaar een salaristrap van verdienste zal worden toegekend, op voorwaarde dat uit de beoordeling van de betrokkene blijkt dat hij ‚volledig aan de verwachtingen voldoet’.

[...]

Alvarez preciseert dat de nieuwe beoordelingsprocedure met ingang van 1 juli 2008 in werking zal treden.

Salgó voegt hieraan toe dat hij vanaf heden tot en met 30 mei 2008 de oude beoordelingsformulieren zal aanvaarden, maar dat hij vanaf 1 juni 2008 alleen het nieuwe formulier zal aanvaarden [...]”

14      Bij besluit van 6 april 2009, dat overeenkomstig artikel 64 daarvan op 1 januari 2010 in werking is getreden, heeft de Raad de Europese Politiedienst opgericht (PB L 121, blz. 37), een orgaan van de Unie, dat op grond van artikel 1 van dat besluit de rechtsopvolger is van Europol, zoals ingesteld bij de Europol-overeenkomst.

 Feiten van het geding

15      Uit de stukken blijkt dat verzoeker op 1 april 2006 als eenheidshoofd van de afdeling „Ernstige vormen van criminaliteit” in dienst is getreden van Europol.

16      Verzoekers eerste jaarlijkse beoordeling had betrekking op de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007. In het na die beoordeling op 28 juni 2007 opgestelde rapport kreeg verzoeker op een schaal van 1 tot 5, 3 punten (hierna: „eerste beoordelingsrapport”).

17      Verzoekers tweede jaarlijkse beoordeling had betrekking op de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008. In het na die beoordeling op 12 juni 2008 opgestelde rapport kreeg verzoeker op een schaal van 1 tot 5, 4 punten (hierna: „tweede beoordelingsrapport”).

18      Bij besluit van 14 juli 2008 heeft de directeur van Europol verzoeker met ingang van 1 april 2008 een salaristrapverhoging toegekend.

19      Bij brief van 6 oktober 2008, welke door Europol op diezelfde dag is ontvangen, heeft verzoeker op grond van artikel 92, lid 2, van het Europol-statuut een klacht ingediend tegen het besluit van de directeur van Europol van 14 juli 2008, omdat hij meende recht te hebben op twee salaristrapverhogingen.

20      Verzoekers klacht is afgewezen bij besluit van 19 januari 2009, welk bij delegatie voor de directeur van Europol is ondertekend door Simancas, adjunct-directeur van de afdeling „Ernstige vormen van criminaliteit”.

 Conclusies van partijen en procesverloop

21      Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van zijn klacht tegen het besluit van 14 juli 2008 alsmede laatstgenoemde besluit nietig te verklaren;

–        Europol te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen het salaris van zijn gemachtigden.

22      Europol concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het beroep te verwerpen;

–        te beslissen over de kosten naar recht.

23      Na de indiening van het verweerschrift heeft een tweede memoriewisseling plaatsgevonden.

24      Bij brief van 3 maart 2010 heeft het Gerecht partijen verzocht om te voldoen aan maatregelen tot organisatie van de procesgang en om hem hun opmerkingen te doen toekomen over het voorstel om op basis van artikel 48, lid 2, zonder terechtzitting uitspraak te doen, gelet op het feit dat een tweede memoriewisseling had plaatsgevonden.

25      Op 15 respectievelijk 16 maart 2010 hebben verzoeker en Europol aan de maatregelen tot organisatie van de procesgang voldaan en beiden verklaard geen bezwaar te hebben tegen het voorstel van het Gerecht om zonder terechtzitting uitspraak te doen.

 Voorwerp van het beroep

26      Verzoeker vraagt naast nietigverklaring van het besluit van de directeur van Europol van 14 juli 2008 waarbij deze hem slechts één salaristrap heeft toegekend, ook om nietigverklaring van het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van zijn klacht tegen het besluit van 14 juli 2008.

27      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak de administratieve klacht en de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing ervan, deel uitmaken van een complexe procedure. In deze omstandigheden heeft het bij het Gerecht ingestelde beroep, zelfs al is het formeel tegen de afwijzing van de klacht gericht, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het bezwarend besluit of de bezwarende besluiten waartegen de klacht is ingediend (zie onder meer arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, Jurispr. blz. 23, punt 8; arrest Gerecht van 11 september 2008, Spee/Europol, F‑121/06, JurAmbt. blz. I-A-1-285 en II-A-1-1511, punt 22).

28      In casu moet er dus van worden uitgegaan dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 19 januari 2009 samenvalt met de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 14 juli 2008 en dat het verzoekschrift is gericht tegen het besluit van de directeur van Europol van 14 juli 2008 (hierna: „bestreden besluit”).

 Ontvankelijkheid van het beroep

 Argumenten van partijen

29      Europol betoogt in antwoord op verzoekers tweede middel, ontleend aan de onwettigheid van het beleid inzake de salaristrappen 2006, dat verzoeker in geval van vaststelling van de onwettigheid van dit algemene besluit, met als gevolg de nietigverklaring van het bestreden besluit, niet de garantie heeft om de twee salaristrappen te verkrijgen die hem zijns inziens toekomen in plaats van de toegekende salaristrap. Europol concludeert dus dat verzoeker geen procesbelang heeft.

30      Verzoeker betwist het door Europol aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid.

 Beoordeling door het Gerecht

31      Volgens vaste rechtspraak is een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk indien de verzoeker belang heeft bij de nietigverklaring van de betrokken handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zich rechtsgevolgen kan hebben (arrest Hof van 24 juni 1986, AKZO Chemie en AZKO Chemie UK/Commissie, 53/85, Jurispr. blz. 1965, punt 21; arresten Gerecht van eerste aanleg van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T‑480/93 en T‑483/93, Jurispr. blz. II‑2305, punten 59 en 60, en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 juni 2001, Euroalliages/Commissie, T‑188/99, Jurispr. blz. II‑1757, punt 26) of, volgens een andere formule, dat de uitslag van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (arrest Gerecht van eerste aanleg van 28 september 2004, MCI/Commissie, T‑310/00, Jurispr. blz. II‑3253, punt 44).

32      In casu is niet uitgesloten dat, wanneer de exceptie van onwettigheid van het beleid inzake de salaristrappen 2006 zou worden aanvaard en dit beleid onwettig zou worden verklaard, hetgeen tot de nietigverklaring van het bestreden besluit zou leiden, het nieuwe beleid dat op het gebied van de vaststelling van salaristrappen zou worden vastgesteld voor verzoeker in die zin gunstiger zou zijn dat hij voor zijn prestaties gedurende de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2008, meer dan één salaristrap zou krijgen. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat verzoeker een procesbelang heeft en dat het beroep dus ontvankelijk is.

 Gegrondheid van het beroep tot nietigverklaring

33      Verzoeker voert vier middelen tot staving van zijn beroep aan.

34      Het eerste middel betreft uitsluitend het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van de klacht en is ontleend aan de onbevoegdheid van de ondertekenaar van dit besluit. De drie andere middelen hebben betrekking op het bestreden besluit en zijn in wezen ontleend aan:

–        de onwettigheid van het beleid inzake de salaristrappen 2006, aangezien het is vastgesteld in strijd met artikel 29 van het Europol-statuut;

–        subsidiair, de onwettigheid van artikel 5, lid 1, van het beleid inzake de salaristrappen 2006, aangezien deze bepaling in strijd is met het beginsel dat de vergelijking van de verdiensten zorgvuldig, billijk en in het belang van de dienst moet geschieden alsook met het beginsel van gelijke behandeling;

–        schending van artikel 29 van het Europol-statuut, aangezien de directeur van Europol de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

35      Aangezien het onderzoek van het eerste middel voor het laatst moet worden bewaard, zal het Gerecht allereerst de laatste drie middelen onderzoeken.

 Tweede middel: onwettigheid van het beleid inzake de salaristrappen 2006, aangezien het is vastgesteld in strijd met artikel 29 van het Europol-statuut

 Argumenten van partijen

36      In het kader van zijn tweede middel stelt verzoeker dat het beleid inzake de salaristrappen 2006, dat de directeur van Europol heeft vastgesteld ter uitvoering van artikel 29 van het Europol-statuut en op basis waarvan hem slechts één salaristrap is toegekend, niet „verbindend” is, omdat het, in strijd met artikel 29 van het Europol-statuut, niet door de raad van bestuur van Europol is vastgesteld. In het besluit van 19 januari 2009 tot afwijzing van de klacht verwijst Europol weliswaar naar een verslag van een bijeenkomst van de raad van bestuur van Europol van oktober 2004, doch uit dit verslag blijkt niet dat de raad van bestuur de in het beleid inzake de salaristrappen 2006 opgenomen beoordelingsprocedure heeft vastgesteld.

37      Europol acht dit middel niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van overeenstemming tussen de klacht en het verzoekschrift, daar dit middel niet in het stadium van de klacht is aangevoerd. Subsidiair is Europol van mening dat het middel ongegrond is.

38      In repliek stelt verzoeker dat er wel degelijk overeenstemming bestaat tussen de in de klacht en de in het verzoekschrift aangevoerde middelen. Het tweede middel vormt het logische vervolg op zijn klacht waarin hij heeft gesteld dat de toepassing van het beleid inzake de salaristrappen 2006 tot een onrechtvaardige en discriminatoire behandeling leidt, hetgeen neerkomt op een betwisting van het „verbindende” karakter van dat beleid. Ten gronde is verzoeker van mening dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 22 maart 2006, Mausolf/Europol (T‑209/02 en T‑210/04, JurAmbt. blz. I‑A-2‑79 en II-A-2‑335), dat Europol voor zijn verdediging aanvoert, nu juist zijn stelling, en niet die van Europol bevestigt.

 Beoordeling door het Gerecht

–       Opmerkingen vooraf

39      Opgemerkt zij dat het tweede middel zowel in het verzoekschrift als in de memorie van repliek onvoldoende nauwkeurig is.

40      Ofschoon verzoeker in de eerste plaats letterlijk stelt dat het beleid inzake de salaristrappen 2006 „niet verbindend” is, blijkt uit al zijn stukken dat hij in feite de wettigheid, en niet het verbindende karakter van dat besluit betwist.

41      In de tweede plaats is de titel die verzoeker aan zijn tweede middel geeft, namelijk „[d]e regels die door de directeur zijn vastgesteld ter uitvoering van artikel 29 van het [Europol-]statuut [beleid inzake de salaristrappen 2006] zijn, voor zover hier van belang, onverbindend, want niet vastgesteld door de Raad van Bestuur”, eveneens verwarrend. De enige regels die de directeur van Europol ter uitvoering van artikel 29 van het Europol-statuut heeft vastgesteld en waarvan verzoeker het verbindende karakter betwist, zijn immers die welke zijn opgenomen in artikel 5 van het beleid inzake de salaristrappen 2006. Uit alle stukken van verzoeker blijkt echter dat hij niet alleen de wettigheid van artikel 5 van het beleid inzake de salaristrappen 2006, maar van alle bepalingen van dat beleid betwist.

42      Gelet op het voorgaande, moet ervan worden uitgegaan dat het tweede middel is ontleend aan de onwettigheid van het beleid inzake de salaristrappen 2006.

–       Ontvankelijkheid van het middel

43      Met betrekking tot het middel van niet-ontvankelijkheid dat Europol aanvoert wegens schending van de regel van overeenstemming tussen de klacht en het beroep, zij eraan herinnerd dat deze regel in wezen verlangt dat er overeenstemming bestaat tussen het voorwerp en de oorzaak van het verzoekschrift en die van de klacht. Het Gerecht heeft geoordeeld dat dit vereiste soepel moet worden uitgelegd. De regel van overeenstemming wordt dus alleen toegepast wanneer het bij de rechter ingestelde beroep het voorwerp of de oorzaak van de klacht wijzigt, waarbij laatstgenoemd begrip „oorzaak” ruim moet worden uitgelegd. Volgens die uitlegging moet bij een vordering tot nietigverklaring onder „oorzaak van het geding” worden verstaan, de betwisting door de verzoeker van de interne wettigheid van de bestreden handeling dan wel de betwisting van de externe wettigheid ervan (arrest Gerecht van 1 juli 2010, Mandt/Parlement, F‑45/07, punten 109, 115 en 119, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44      Wat excepties van onwettigheid betreft, zelfs al zouden deze betrekking hebben op een andere juridische oorzaak dan die welke in de klacht wordt genoemd, het Gerecht heeft geoordeeld (arrest Mandt/Parlement, reeds aangehaald, punt 121) dat „de niet-ontvankelijkheid ervan wegens de niet-inachtneming van de regel van overeenstemming het evenwicht zou verstoren tussen de eerbiediging van de procedurele rechten van de ambtenaar en het doel van de precontentieuze procedure, en voor de ambtenaar een onevenredige en ongerechtvaardigde sanctie zou vormen. Wegens de intrinsiek juridische aard van een exceptie van onwettigheid en van de redenering die voor de betrokkene aanleiding is om die onwettigheid te onderzoeken en aan te voeren, kan van de ambtenaar of de functionaris die de klacht indient en die niet noodzakelijkerwijs over de juiste juridische bekwaamheden beschikt, niet worden verlangd dat hij die exceptie, op straffe van een latere niet-ontvankelijkheid, in de precontentieuze fase aanvoert. Dit geldt te meer daar het aanvoeren van een exceptie van onwettigheid in de precontentieuze fase nauwelijks tot gevolg zal hebben dat de klager in die fase in het gelijk wordt gesteld, aangezien het onwaarschijnlijk is dat de administratie ervoor kiest om een geldende bepaling, die eventueel in strijd is met een regel van hogere rang, buiten toepassing te laten, alleen om een buitengerechtelijke oplossing van het geschil mogelijk te maken.”

45      Hieruit volgt dat het aanvoeren, uitsluitend in het stadium van het verzoekschrift, van het middel ontleend aan de onwettigheid van het beleid inzake de salaristrappen 2006 niet in strijd is met de regel van overeenstemming.

46      Daar het middel ontvankelijk is, moet het ten gronde worden onderzocht.

–       Ten gronde

47      Volgens verzoeker is het beleid inzake de salaristrappen 2006 onwettig, omdat het is vastgesteld door een onbevoegd gezag.

48      Het bij Europol geldende systeem voorziet in twee afzonderlijke procedures: enerzijds de beoordeling, welke het voorwerp van artikel 28 van het Europol-statuut is en tot de bevoegdheid van de beoordelaar behoort en, anderzijds, de salaristrapverhoging, voorzien in artikel 29 van het Europol-statuut en waarvoor de directeur van Europol bevoegd is. De juridische regeling voor de salaristrapverhoging van Europol-functionarissen verschilt van die welke voor de beoordeling geldt. Deze twee soorten besluiten hebben een afzonderlijk doel en vallen onder twee verschillende bevoegde autoriteiten (arrest Spee/Europol, reeds aangehaald, punten 40 en 46, en arrest Gerecht van 7 juli 2009, Bernard/Europol, F‑99/07 en F‑45/08, JurAmbt. blz. I-A-1-233 en II-A-1-1267, punt 54).

49      Verzoeker stelt dat zijn in punt 36 hierboven weergegeven standpunt dat is welke het Gerecht in het reeds aangehaalde arrest Mausolf/Europol heeft ingenomen, maar hij leest dat arrest verkeerd. Volgens dat arrest volgt uit de bewoordingen van artikel 29, eerste alinea, eerste volzin, van het Europol-statuut, in verschillende taalversies, zoals de Spaanse, de Duitse, de Engelse, de Franse en de Nederlandse taalversie, immers dat de besluiten van de directeur van Europol over de toekenning van salaristrappen om de twee jaar worden genomen op basis van een „beoordeling” die rekening houdt met de prestaties van elke betrokken functionaris. Hieruit volgt dat wanneer artikel 29, eerste alinea, derde volzin, van het Europol-statuut voorschrijft dat „de nadere regels voor de beoordelingsprocedure [...] door de raad van bestuur [worden] vastgesteld”, deze bepaling verwijst naar de procedure voor de beoordeling en waardering van de prestaties van de functionarissen van Europol (arrest Mausolf/Europol, reeds aangehaald, punt 37).

50      De bepalingen van artikel 29, eerste alinea, derde volzin, van het Europol-statuut, volgens welke de nadere regels voor de beoordelingsprocedure van de Europol-functionarissen door de raad van bestuur worden vastgesteld ingevolge een voorstel van de directeur, dat na raadpleging van het personeelscomité is ingediend, vereisen dus niet dat de raad van bestuur van Europol de nadere regels voor de procedure inzake de salaristrapverhoging vaststelt.

51      Gelet op het voorgaande, kan verzoeker niet stellen dat het bestreden besluit is genomen op basis van een onwettige regeling, namelijk het beleid inzake de salaristrappen 2006, op grond dat dat beleid, in strijd met artikel 29 van het Europol-statuut niet door de raad van bestuur van Europol is vastgesteld.

52      Hieruit volgt dat het tweede middel ongegrond is en moet worden afgewezen.

 Derde middel, subsidiair aangevoerd: onwettigheid van artikel 5, lid 1, van het beleid inzake de salaristrappen 2006, aangezien deze bepaling in strijd is met het beginsel dat de vergelijking van de verdiensten zorgvuldig, billijk en in het belang van de dienst moet geschieden alsook met het beginsel van gelijke behandeling

 Argumenten van partijen

53      Verzoeker herinnert eraan dat artikel 29 van het Europol-statuut een gebied betreft waarop de bevoegde autoriteiten in beginsel over een ruime beoordelingsvrijheid moeten beschikken en dat volgens de bewoordingen van het beleid inzake de salaristrappen 2006 deze „discretionaire bevoegdheid aan fundamentele beginselen moet beantwoorden”. De beloningsregeling van artikel 5 van dat beleid is echter in strijd met die „fundamentele beginselen”, met name met het beginsel dat de vergelijking van de verdiensten zorgvuldig, billijk en in het belang van de dienst moet geschieden, aangezien zij leidt tot beloningen die niet gradueel proportioneel zijn. Een eindbeoordeling in twee opeenvolgende jaren van 1 en 3 leidt immers tot eenzelfde beloning als de punten 3 en 5, terwijl een opeenvolgende score van tweemaal 2 of tweemaal 4, ondanks dat deze in hetzelfde mathematische gemiddelde resulteert, tot een beloning van geen respectievelijk twee salaristrappen leidt. Verzoeker voegt hieraan toe dat het ontbreken van proportionaliteit eveneens leidt tot een ongelijke behandeling naargelang de positie die de betrokken functionaris op de beoordelingsschaal inneemt, aangezien slechte tot matige prestaties even goed worden beloond als goede tot uitstekende prestaties.

54      Volgens Europol kan uit verzoekers opmerkingen niet worden opgemaakt of hij een exceptie van onwettigheid van artikel 5 van het beleid inzake de salaristrappen 2006 wil opwerpen dan wel of hij de wijze betwist waarop Europol die bepaling op hem heeft toegepast. Gaat het om een exceptie van onwettigheid, dan is deze volgens Europol niet-ontvankelijk wegens schending van de regel van overeenstemming tussen de klacht en het beroep, aangezien deze niet in het stadium van de klacht is aangevoerd. Het middel is hoe dan ook ongegrond.

 Beoordeling door het Gerecht

–       Opmerking vooraf

55      Uit de bewoordingen van artikel 5 van het beleid inzake de salaristrappen 2006 blijkt dat de directeur van Europol bij de toekenning van de salaristrappen niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt, aangezien die bepaling de toekenning van één, van twee, of zelfs van geen enkele salaristrap afhankelijk stelt van het totale aantal punten in elk van de laatste twee beoordelingsrapporten. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat verzoeker niet de wijze betwist waarop dit artikel op hem is toegepast, maar dat hij een exceptie van onwettigheid van dat artikel wil aanvoeren. Bovendien blijkt uit het dossier dat de exceptie van onwettigheid slechts het eerste lid van artikel 5 van het beleid inzake de salaristrappen 2006 betreft.

56      Nu de omvang van het derde middel is verduidelijkt, moet worden onderzocht of het ontvankelijk is.

–       Ontvankelijkheid van het middel

57      Met betrekking tot de ontvankelijkheid van een niet in de klacht aangevoerde exceptie van onwettigheid heeft het Gerecht in punt 44 hierboven reeds opgemerkt dat de niet-ontvankelijkheid ervan wegens de niet-inachtneming van de regel van overeenstemming, het evenwicht zou verstoren tussen de eerbiediging van de procedurele rechten van de functionaris en het doel van de precontentieuze procedure, en voor de functionaris een onevenredige en ongerechtvaardigde sanctie zou vormen.

58      Hieruit volgt dat het derde middel ontvankelijk moet worden verklaard en dus ten gronde moet worden onderzocht.

–       Ten gronde

59      Op grond van artikel 29 van het Europol-statuut kan de directeur om de twee jaar ten hoogste twee salaristrappen toekennen, op basis van een beoordeling waarin rekening wordt gehouden met de prestaties van de betrokkene. De toepassing van dit artikel betreft een gebied waarop de directeur van Europol moet beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid zoals volgens vaste rechtspraak toekomt aan het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) bij de toepassing van artikel 45 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) (arrest Mausolf/Europol, reeds aangehaald, punt 67).

60      Volgens de rechtspraak beschikt het TABG bij de beoordeling van de in aanmerking te nemen verdiensten in het kader van een bevorderingsbesluit krachtens artikel 45 van het Statuut over een ruime beoordelingsbevoegdheid en is het toezicht van de rechter van de Unie beperkt tot de vraag of de administratie, gelet op de wijze waarop zij tot haar beoordeling kan zijn gekomen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet een kennelijk onjuist gebruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. Het Gerecht kan zijn beoordeling van de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten derhalve niet in de plaats stellen van die van het TABG (arrest Gerecht van eerste aanleg van 13 april 2005, Nielsen/Raad, T‑353/03, JurAmbt. blz. I‑A‑95 en II‑443, punt 58, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens dezelfde rechtspraak wordt de discretionaire bevoegdheid van de administratie evenwel beperkt door het vereiste dat de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de kandidaten zorgvuldig en onpartijdig, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling geschiedt (reeds aangehaalde arresten Nielsen/Raad, punt 59, en Mausolf/Europol, punt 68).

61      In casu bepaalt artikel 5, lid 1, van het beleid inzake de salaristrappen 2006 de criteria voor de toekenning van de salaristrappen. Op basis van de laatste twee jaarlijkse beoordelingen kent de directeur van Europol twee salaristrappen toe aan functionarissen die voortdurend of herhaaldelijk de van hen verwachte prestaties overschrijden, geen salaristrap aan hen die niet of slechts gedeeltelijk aan de verwachtingen voldoen en één salaristrap aan alle andere functionarissen.

62      Uit artikel 5, lid 1, van het beleid inzake de salaristrappen 2006 blijkt dat de directeur van Europol alleen twee salaristrappen toekent wanneer de prestaties van de betrokken functionaris zeer uitzonderlijk zijn en hij zich gedurende de beide jaren van de referentieperiode niet heeft beperkt tot de prestaties die van hem worden verwacht. Deze inderdaad zeer strenge criteria beogen de continuïteit van de inspanning te belonen. Het kan niet worden ontkend dat het beleid dat erop gericht is, de functionarissen aan te moedigen om te volharden in hun pogingen om meer te bereiken dan hetgeen van hen wordt verwacht, dat de directeur van Europol heeft vastgesteld in de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid die hij aan artikel 29 van het Europol-statuut ontleent, in het belang van de dienst is.

63      Aangezien de directeur van Europol, zoals in punt 55 hierboven is opgemerkt, bij de toepassing van artikel 5, lid 1, van het beleid inzake de salaristrappen 2006 over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt en hij de criteria van die bepaling strikt in acht moet nemen, geeft de beperking door die criteria van zijn bevoegdheid op het gebied van de salaristrapverhoging die directeur nu juist de mogelijkheid om ervoor te zorgen dat de vergelijking van de verdiensten zorgvuldig, billijk en in het belang van de dienst alsook met eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling geschiedt.

64      Gelet op de voorgaande overwegingen, kan verzoeker niet stellen dat artikel 5, lid 1, van het beleid inzake de salaristrappen 2006 onwettig is.

65      Hieruit volgt dat het derde middel ongegrond is en moet worden afgewezen.

 Vierde middel: schending van artikel 29 van het Europol-statuut aangezien de directeur van Europol de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden

 Argumenten van partijen

66      In het kader van zijn vierde middel stelt verzoeker dat de directeur van Europol, door hem slechts één salaristrap te geven, de grenzen heeft overschreden van de beoordelingsvrijheid die hem door artikel 29 van het Europol-statuut wordt verleend, aangezien hij de prestaties van de kandidaten niet met zorg, onpartijdig, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling heeft vergeleken.

67      Verzoeker beroept zich in dit verband op het verslag van 25 februari 2008. Uit dit verslag blijkt dat het hoofd van de eenheid „Personeelszaken” van Europol de bij de bijeenkomst aanwezige eenheidshoofden op de hoogte heeft gesteld van de recente wijzigingen in de beoordelingsprocedure, van het feit dat er één salaristrap per jaar zou worden toegekend aan de functionaris die „volledig aan de eisen voldeed”, van het feit dat het beoordelingsformulier B was gewijzigd en dat de nieuwe beoordelingsprocedure op 1 juli 2008 zou ingaan. Bovendien heeft een andere deelnemer aan die bijeenkomst aangegeven dat het oude beoordelingsformulier B nog tot en met 30 mei 2008 zou worden geaccepteerd, waarbij hij liet doorschemeren dat er een overgangsperiode zou zijn gedurende welke het oude formulier B naast het nieuwe formulier B kon worden gebruikt.

68      Verzoeker is in de eerste plaats van mening dat hij, gelet op de aankondiging tijdens de bijeenkomst van 25 februari 2008 van wijzigingen in de beoordelingsprocedure en van het nieuwe criterium voor de toekenning van één salaristrap per jaar alsmede op het feit dat hij volgens zijn eerste en zijn tweede beoordelingsrapport volledig aan de vereisten van zijn functie voldeed, erop mocht vertrouwen dat hem twee salaristrappen zouden worden toegekend.

69      In de tweede plaats merkt hij op dat zijn twee beoordelingsrapporten zijn opgesteld op de oude formulieren B, terwijl het tweede beoordelingsrapport naar keuze van de beoordelaar had kunnen worden opgesteld op het nieuwe formulier B. Het gelijktijdige gebruik tijdens een overgangsperiode van twee verschillende beoordelingsformulieren, welke elk op een verschillende beoordelingsmethode zijn gebaseerd, is in strijd met het beginsel van gelijke behandeling.

70      Volledigheidshalve wijst verzoeker erop dat het beleid inzake de salaristrappen 2006 is vervangen door een besluit van de directeur van Europol van 26 augustus 2008, genaamd „beleid inzake de vaststelling van rangen en salaristrappen van het personeel van Europol” (hierna: „beleid inzake de salaristrappen 2008”). Verzoeker geeft toe dat dit beleid inzake de salaristrappen 2008 in casu niet op hem van toepassing is, doch de in dat beleid opgenomen beloningsregeling bevestigt zijn stelling dat hij recht heeft op twee salaristrappen, één voor elk jaar waarin zijn prestaties bevredigend zijn geacht.

71      In repliek preciseert verzoeker dat hij zich niet op het verslag van 25 februari 2008 heeft beroepen om daaraan een gewettigd vertrouwen in de toekenning van twee, en niet van één salaristrap te ontlenen.

72      Volgens Europol is dit middel ongegrond.

 Beoordeling door het Gerecht

73      Het Gerecht merkt in de eerste plaats op dat verzoeker zich in zijn verzoekschrift beroept op schending van het beginsel van gelijke behandeling en waarschijnlijk op schending van het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen. In repliek, in antwoord op Europol, ontkent verzoeker echter dat hij de bedoeling had zich op schending van laatstgenoemd beginsel te beroepen.

74      Voor het geval het Gerecht van oordeel mocht zijn dat verzoeker zich met zijn verwijzing naar het verslag van 25 februari 2008 toch op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen beroept, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het recht om zich te beroepen op bescherming van het gewettigd vertrouwen, hetgeen één van de fundamentele beginselen van het recht van de Unie is, toekomt aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat de administratie van de Unie, door hem nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen te doen die afkomstig zijn van bevoegde en betrouwbare bronnen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt die in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Europol-statuut en met de algemeen geldende normen (zie bijvoorbeeld arresten Gerecht van 4 september 2008, Lafili/Commissie, F‑22/07, JurAmbt. blz. I-A-1-271 en II-A-1-1437, punt 111, en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 november 2009, Ridolfi/Commissie, F‑3/09, JurAmbt. blz. I-A-1-491 en II-A-1-2671, punt 70, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75      In casu blijkt uit de bewoordingen van het verslag van 25 februari 2008 dat dit geen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen bevat dat verzoeker twee salaristrappen zou krijgen. Uit geen enkele bepaling van dit verslag kan immers worden afgeleid dat verzoekers prestaties gedurende de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 volgens een nieuwe procedure hadden moeten worden beoordeeld noch dat de directeur van Europol op 25 februari 2008 het nieuwe beleid voor de vaststelling van rangen en salaristrappen had vastgesteld noch dat verzoeker op grond van het nieuwe beleid inzake de salaristrappen 2008 had mogen verwachten, twee salaristrappen te krijgen.

76      Er zij aan herinnerd dat, aangezien het bestreden besluit een besluit op het gebied van de salaristrapverhoging, en niet op het gebied van de beoordeling is, het beleid inzake de salaristrappen 2006, en niet de regeling betreffende de beoordeling van de prestaties van de functionaris, het relevante rechtskader was toen de directeur van Europol op 14 juli 2008 het bestreden besluit heeft genomen.

77      Zelfs al hadden verzoekers prestaties over de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 dus moeten worden beoordeeld volgens een andere beoordelingsprocedure dan die welke voor de opstelling van het tweede beoordelingsrapport is gebruikt, gelet op het feit dat de voor de salaristrapverhoging geldende regeling verschilt van die welke voor de beoordeling geldt en dat geen enkele regel voorschrijft dat de salaristrapverhoging wordt geregeld door de beoordelingsregels die ten tijde van de opstelling van de beoordeling golden (arrest Spee/Europol, reeds aangehaald, punt 46), heeft de beoordeling van verzoekers prestaties over de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 volgens een procedure die niet langer van toepassing was, geen enkele invloed op het bestreden besluit.

78      Aangezien uit de stukken blijkt en niet wordt betwist dat het beleid inzake de salaristrappen 2006 op 14 juli 2008 nog steeds van toepassing was, daar het pas met de inwerkingtreding van het beleid inzake de salaristrappen 2008 is afgeschaft, kon de directeur van Europol alleen conform het beleid inzake de salaristrappen 2006 beslissen over verzoekers salaristrapverhoging (zie in die zin arrest Spee/Europol, reeds aangehaald, punten 44 en 45).

79      Wat in de tweede plaats de bewering ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft, blijkt uit de stukken dat de beoordelaar op 16 april 2008 een begin heeft gemaakt met de opstelling van het tweede beoordelingsrapport, dat dit rapport op 12 juni daaraanvolgend is afgerond en dat het gebruikte formulier identiek is aan het formulier dat voor het eerste beoordelingsrapport is gebruikt. Voorts blijkt uit het beleid inzake de salaristrappen 2008 dat de beoordelingsformulieren in maart 2008 zijn gewijzigd. Vaststaat derhalve dat gedurende een bepaalde tijd twee soorten beoordelingsformulieren gelijktijdig beschikbaar waren. Volgens het verslag van 25 februari 2008 was het gebruik van de twee soorten beoordelingsformulieren tot en met 30 mei 2008 toegestaan, daarna waren alleen de nieuwe formulieren toegestaan.

80      Indien verzoeker van mening was dat hij was benadeeld door het voor zijn tweede beoordelingsrapport gebruikte formulier, aangezien hierdoor zijn recht op gelijke behandeling was geschonden, had hij zijn tweede beoordelingsrapport moeten betwisten door het indienen van een klacht in de zin van artikel 92, lid 2, van het Europol-statuut. Verzoeker heeft dit echter niet gedaan en daarmee is zijn tweede rapport definitief geworden.

81      Met zijn stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling lijkt verzoeker dus te willen ontkomen aan de toepassing van de bepalingen van het Europol-statuut die hem verbieden om de wettigheid van zijn tweede beoordelingsrapport in geding te brengen. Een Europol-functionaris die een voor hem bezwarend besluit niet binnen de termijnen van artikel 92 van het Europol-statuut heeft betwist, kan zich in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een ander bezwarend besluit echter niet beroepen op de vermeende onwettigheid van dat besluit (zie in die zin arresten Gerecht van eerste aanleg van 29 februari 1996, Lopes/Hof van Justitie, T‑547/93, JurAmbt. blz. I‑A-63 en II-185, punt 128, en 27 september 2006, Lantzoni/Hof van Justitie, T‑156/05, JurAmbt. blz. I‑A-2‑189 en II-A-2‑969, punt 103).

82      Gelet op de voorgaande overwegingen, moet het vierde middel worden afgewezen.

 Eerste middel: onbevoegdheid van de ondertekenaar van het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van de klacht

 Argumenten van partijen

83      Verzoeker stelt dat Simancas, adjunct-directeur van de afdeling „Ernstige vormen van criminaliteit”, niet bevoegd was om het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van zijn klacht te ondertekenen, aangezien artikel 2, lid 4, van het besluit van 2 juni 2007, gelezen in samenhang met de bepalingen van bijlage I bij dat besluit betreffende besluiten over interne klachten of bezwaren, voorschrijft dat bij afwezigheid van de directeur van Europol sprake is van een buitengewone delegatie aan de adjunct-directeur van de afdeling „Intern bestuur”. Daar Simancas niet bevoegd was om het besluit van 19 januari 2009 te ondertekenen, moet het nietig worden verklaard.

84      Volgens verweerder is dit middel niet gegrond.

 Beoordeling door het Gerecht

85      Verzoeker is van mening dat het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van zijn klacht tegen het bestreden besluit gebrekkig is wegens onbevoegdheid, zodat het moet worden nietig verklaard. Daar het Gerecht de wettigheid van het bestreden besluit al heeft onderzocht, rijst echter de vraag of het zich nog moet uitspreken over een middel gericht tegen het besluit van 19 januari 2009. De procedure van de precontentieuze klacht heeft immers juist tot doel, de wettigheid van het oorspronkelijke besluit te beoordelen.

86      Komt het Gerecht na onderzoek van de wettigheid van het bestreden besluit waartegen, zoals in casu, eerder een klacht is ingediend, echter tot dezelfde conclusie als het TABG, namelijk dat de tegen dat besluit aangevoerde grieven en daarmee dus de klacht moeten worden afgewezen, dan bestaat er voor het Gerecht geen belang meer om zich uit te spreken over een middel dat is aangevoerd ter onderbouwing van een vordering gericht tegen het besluit tot afwijzing van de klacht. Die vordering valt immers samen met de vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit (zie bijvoorbeeld arrest Gerecht van 30 november 2009, De Nicola/EIB, F‑55/08, JurAmbt. blz. I-A-1-469 en II-A-1-2529, punt 197, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑37/10 P).

87      Daar de vordering gericht tegen het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van de klacht dus samenvalt met de vordering gericht tegen het bestreden besluit, moet deze worden afgewezen als gevolg van de afwijzing van de laatste vordering.

88      Hieraan moet bovendien worden toegevoegd dat, zou het Gerecht van oordeel zijn dat het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van de klacht gebrekkig is wegens onbevoegdheid, zodat het moet worden nietig verklaard, die nietigverklaring het bestreden besluit in stand houdt.

89      Gelet op de voorgaande overwegingen, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

90      Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, behoudens de andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd.

91      Europol heeft in zijn conclusies gevraagd om uitspraak te doen over de kosten naar recht. Die vordering kan niet worden aangemerkt als een verzoek om de verzoekende partij te verwijzen in de kosten (zie in die zin arresten Hof van 9 juni 1992, Lestelle/Commissie, C‑30/91 P, Jurispr. blz. I‑3755, punt 38, en 29 april 2004, Parlement/Ripa di Meana e.a., C‑470/00 P, Jurispr. blz. I‑4167, punt 86; arrest Gerecht van 24 februari 2010, P/Parlement, F‑89/08, punt 127, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑213/10 P). Elke partij dient derhalve haar eigen kosten te dragen.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep van C. van Heuckelom wordt verworpen.

2)      Elke partij zal haar eigen kosten dragen.

Gervasoni

Kreppel

Rofes i Pujol

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 30 september 2010.

De griffier

 

       De president van de Eerste kamer

W. Hakenberg

 

       S. Gervasoni


* Procestaal: Nederlands.