ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Tweede kamer)

29 september 2009

Gevoegde zaken F‑69/07 en F‑60/08

O

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Artikel 88 RAP – Vaste dienstverhouding – Artikel 100 RAP – Medisch voorbehoud – Artikel 39 EG – Vrij verkeer van werknemers”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarmee O vraagt om nietigverklaring van, in zaak F 69/07, de besluiten van de Commissie houdende vaststelling van haar arbeidsvoorwaarden als arbeidscontractante voor hulptaken, voor zover deze een medisch voorbehoud bevatten zoals voorzien in artikel 100, eerste alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en deze de duur van haar overeenkomst beperken tot 15 september 2009; in zaak F‑60/08, het besluit van de Commissie van 7 september 2007 om jegens haar het in voormeld artikel 100 bedoelde medisch voorbehoud te maken.

Beslissing: Het besluit van de Commissie van 14 september 2006 wordt nietig verklaard, voor zover daarbij jegens verzoekster een medisch voorbehoud wordt gemaakt. Het beroep in zaak F‑69/07, O/Commissie, wordt voor het overige ongegrond verklaard. Het beroep in zaak F‑60/08, O/Commissie, wordt niet-ontvankelijk verklaard. In zaak F‑69/07 wordt de Commissie verwezen in haar eigen kosten en in de helft van verzoeksters kosten. In zaak F‑69/07 wordt verzoekster verwezen in de helft van haar eigen kosten en in zaak F‑60/08 in haar eigen kosten en in die van de Commissie. De Raad van de Europese Unie, interveniënt ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie, zal in beide zaken zijn eigen kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beroep in rechte – Voorafgaande administratieve klacht – Te vroeg ingediende klacht – Klacht ingediend vóór uitputting van procedure voorzien in artikel 100 van regeling andere personeelsleden – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2; regeling andere personeelsleden, art. 100)

2.      Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Kwalificatie ter beoordeling van rechter

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2)

3.      Beroep tot nietigverklaring – Beroep tegen besluit dat slechts bevestiging van eerder besluit is – Verzoeken die in hetzelfde beroep zijn ingediend tegen bevestigd besluit en tegen bevestigend besluit – Ontvankelijkheid onder bepaalde omstandigheden

(Art. 230, vierde alinea, EG)

4.      Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Vaste dienstverhouding

(Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage)

5.      Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Objectieve redenen die verlenging van die overeenkomsten rechtvaardigen

(Regeling andere personeelsleden, art. 3 ter en 88; richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage, clausule 5, punt 1)

6.      Ambtenaren – Bezwarend besluit – Motiveringsplicht – Omvang

(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)

7.      Ambtenaren – Sociale zekerheid – Invaliditeitspensioen – Facultatieve periode van uitsluiting voorzien in artikel 100 van regeling andere personeelsleden

(Art. 39 EG; regeling andere personeelsleden, art. 100)

8.      Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Ambtshalve door rechter aangevoerd middel

(Regeling andere personeelsleden, art. 100)

1.      Een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut en het daaropvolgende beroep bij het Gerecht voor ambtenarenzaken kunnen niet prematuur worden geacht op grond dat deze klacht is ingediend vóór de afronding van de procedure voorzien in artikel 100 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden. De in artikel 9, lid 1, sub b, van het Statuut bedoelde invaliditeitscommissie is immers, evenals elke medische commissie, alleen bevoegd om advies uit te brengen over alle relevante elementen die deel uitmaken van een medische beoordeling, met uitsluiting van elke beoordeling van juridische aard. Het in artikel 100, tweede alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden voorziene beroep bij de invaliditeitscommissie kan dus slechts een vaststelling van medische aard betreffen en er kan geen sprake van zijn dat een personeelslid op de afronding van deze procedure moet wachten indien zijn kritiek niet van dien aard is.

(cf. punten 37, 38 en 43)

Referentie:

Hof: 21 januari 1987, Rienzi/Commissie, 76/84, Jurispr. blz. 315, punten 9‑12

Gerecht van eerste aanleg: 9 juli 1997, S/Hof van Justitie, T‑4/96, Jurispr. blz. II‑1125, punten 41 en 59

2.      De betrokken functionaris kan tegen een bezwarend besluit slechts één klacht indienen. Wanneer twee klachten hetzelfde voorwerp hebben kan slechts één daarvan, namelijk die welke als eerste is ingediend, de klacht in de zin van artikel 90 van het Statuut vormen, terwijl de andere, die later is ingediend, moet worden aangemerkt als een loutere herhaling van de klacht en niet tot gevolg kan hebben dat de procedure wordt verlengd. Het besluit tot afwijzing van die vermeende tweede klacht is dus slechts een bevestigend besluit waartegen geen beroep kan worden ingesteld.

(cf. punten 45 en 48)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 7 juni 1991, Weyrich/Commissie, T‑14/91, Jurispr. blz. II‑235, punt 41; 25 februari 1992, Torre/Commissie, T‑67/91, Jurispr. blz. II‑261, punt 2; 11 december 2007, Sack/Commissie, T‑66/05, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑0000 en II‑A‑2‑0000, punten 37 en 41

3.      De rechtspraak dat een beroep tot nietigverklaring van een bevestigend besluit alleen ontvankelijk is indien het bevestigde besluit jegens de betrokkene definitief is geworden, omdat binnen de gestelde termijnen daartegen geen beroep in rechte is ingesteld, terwijl de verzoeker in het andere geval kan opkomen tegen het bevestigde besluit, dan wel tegen het bevestigende besluit of tegen beide besluiten, is niet van toepassing wanneer het bevestigde en het bevestigende besluit in twee verschillende beroepen worden aangevochten en de verzoeker in het kader van het eerste beroep zijn standpunt kan verdedigen en zijn argumenten kan aanvoeren.

(cf. punt 50)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 25 oktober 2001, Métropole télévision‑M6/Commissie, T‑354/00, Jurispr. blz. II‑3177, punt 35

4.      Volgens punt 10 van de algemene overwegingen van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, opgenomen als bijlage bij richtlijn 1999/70 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, bevat deze weliswaar „algemene beginselen (en) minimumnormen”, doch uit overweging 14 van de considerans van richtlijn 1999/70, de derde alinea van de preambule van de raamovereenkomst, punt 9 van de algemene overwegingen ervan en de clausules 1 en 4 ervan volgt echter dat de betrokken beginselen het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van het verbod van misbruik van recht zijn. Wat clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst betreft, deze bevat minimumvoorschriften om het gebruik van opeenvolgende overeenkomsten of arbeidsverhoudingen van beperkte tijd te regelen en op die manier te vermijden dat er misbruik wordt gemaakt van dergelijke overeenkomsten en dat de begunstigden ervan in een precaire situatie komen te verkeren. Dergelijk minimumbeschermingsvoorschriften vormen bijzonder belangrijke voorschriften van communautair sociaal recht, doch zij verheffen de vaste dienstverhouding niet tot een algemeen rechtsbeginsel aan de hand waarvan de wettigheid van een handeling van een instelling moet worden beoordeeld. Ook al wordt de vaste dienstbetrekking opgevat als een essentieel onderdeel van de werknemersbescherming, uit de raamovereenkomst blijkt niet dat deze tot dwingende rechtsregel is verheven. Bovendien bevat de raamovereenkomst geen algemene verplichting om na een bepaald aantal verlengingen van overeenkomsten voor bepaalde tijd of na een bepaalde periode van tewerkstelling die overeenkomsten om te zetten in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Ofschoon de vaste dienstbetrekking dus niet kan worden aangemerkt als een algemeen beginsel, vormt zij wel een doel dat door de ondertekenende partijen van de raamovereenkomst, waarvan clausule 1, sub b, bepaalt dat deze „een kader [wil vaststellen] om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen”, wordt nagestreefd.

(cf. punten 74‑76)

Referentie:

Hof: 22 november 2005, Mangold, C‑144/04, Jurispr. blz. I‑9981, punt 64; 4 juli 2006, Adeneler e.a., C‑212/04, Jurispr. blz. I‑6057, punten 63 en 91; 7 september 2006, Marrosu en Sardino, C‑53/04, Jurispr. blz. I‑7213, punt 47; 13 september 2007, Del Cerro Alonso, C‑307/05, Jurispr. blz. I‑7109, punt 27; 15 april 2008, Impact, C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punt 87; 23 april 2009, Angelidaki e.a., C‑378/07–C‑380/07, Jurispr. blz. I‑3071, punten 73, 105 en 183; 24 april 2009, Koukou, C‑519/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 53 en 85

Gerecht voor ambtenarenzaken: 30 april 2009, Aayhan e.a./Parlement, F‑65/07, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II‑A‑1‑0000, punten 114 en 115

5.      Gelet op de kenmerken van de in artikel 3 ter van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden bedoelde activiteiten, is artikel 88 van die Regeling niet in strijd is met de doelstellingen van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, opgenomen als bijlage bij richtlijn 1999/70 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, en met de minimumvoorschriften van clausule 5 ervan. Clausule 5, punt 1, van die raamovereenkomst verplicht de lidstaten immers uitsluitend om in hun rechtsorde één of meer van de in sub a tot en met sub c opgenomen maatregelen in te voeren, waaronder de in sub a genoemde „objectieve redenen die een vernieuwing van dergelijke overeenkomsten of verhoudingen rechtvaardigen”. Volgens voormeld artikel 3 ter moet elk ambt van arbeidscontractant voor hulptaken concreet evenwel voldoen aan tijdelijke of onregelmatige behoeften. Bovendien is het in een administratie van een omvang als die van de Commissie onvermijdelijk dat dergelijke behoeften zich herhalen, met name wegens het niet beschikbaar zijn van ambtenaren, de aan de omstandigheden te wijten toename van het werk of de noodzaak, voor elk directoraat-generaal, om zich van tijd tot tijd te omringen met personen die specifieke kwalificaties of kennis bezitten, welke omstandigheden alle objectieve redenen vormen die zowel de beperkte duur van overeenkomsten van arbeidscontractanten voor hulptaken rechtvaardigen alsook de verlenging ervan op basis van de vraag of de betrokken behoeften zich voordoen.

(cf. punt 77)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 4 juni 2009, Adjemian e.a./Commissie, F‑134/07 en F‑8/08, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II‑A‑1‑0000, punten 119‑136

6.      De motivering behoeft niet uitputtend te zijn, maar moet de gemeenschapsrechter in staat stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het bestreden besluit en moet de betrokkene voldoende gegevens verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist. Evenmin kan van de instellingen worden verlangd dat zij ingaan op alle punten feitelijk of rechtens die, met name op oppervlakkige wijze, in de loop van de administratieve procedure zijn genoemd.

(cf. punt 90)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 23 april 2002, Campolargo/Commissie, T‑372/00, JurAmbt. blz. I‑A‑49 en II‑223, punt 49; 17 oktober 2006, Bonnet/Hof van Justitie, T‑406/04, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑213 en II‑A‑2‑1097, punt 67

7.      Artikel 100 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden voorziet in de bevoegdheid, voor het tot het sluiten van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag, om bij de aansluiting van de arbeidscontractant bij het communautaire stelsel van sociale zekerheid het medisch voorbehoud te maken wanneer bij het aan de aanstelling voorafgaand medisch onderzoek is gebleken dat die arbeidscontractant een ziekte of handicap heeft. Gedurende vijf jaar bestaat met betrekking tot die ziekte of handicap geen dekking tegen invaliditeit of overlijden.

Deze bepaling kan een afschrikwekkende werking hebben voor een persoon die, nadat hij zijn lidstaat van herkomst, waar hij een deel van zijn beroepsloopbaan heeft volbracht, heeft verlaten om een ambt bij een gemeenschapsinstelling te vervullen, als gevolg van de door de statutaire hervorming verplichte omzetting van zijn overeenkomst van hulpfunctionaris in een overeenkomst van arbeidscontractant en de daarop volgende wijziging van het toepasselijke stelsel van sociale zekerheid, in een situatie is komen te verkeren waarin hij hetzij het verlies moet ondergaan van het recht op invaliditeitsuitkeringen die hem door de voordien geldende wettelijke regeling van de lidstaat van ontvangst werden gegarandeerd, zonder evenwel recht op communautaire uitkeringen te krijgen waarop hij wel recht zou hebben gehad indien de tijdvakken van verzekering die hij eerder krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat van ontvangst en bij dezelfde werkgever had vervuld in aanmerking waren genomen, hetzij na het verstrijken van zijn overeenkomst van hulpfunctionaris moet afzien van de voortzetting van zijn werk bij de betrokken gemeenschapsinstelling waarvoor hij nu juist zijn land van herkomst had verlaten.

In een dergelijk geval belemmert de toepassing van artikel 100 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden dus de uitoefening van de bij artikel 39 EG verleende rechten, zonder dat is aangetoond dat deze belemmering nodig was ter verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, dat deze geschikt was om de verwezenlijking daarvan te garanderen en niet verder ging dan daarvoor nodig was.

Hieruit volgt dat het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag, wanneer het wordt geconfronteerd met een persoon die zich in een dergelijke situatie bevindt, geen gebruik mag maken van de in artikel 100 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden voorziene bevoegdheid om die persoon de voordelen van sociale zekerheid te ontnemen waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij bij de wettelijke regeling van zijn lidstaat van herkomst of van ontvangst aangesloten was gebleven.

(cf. punten 112, 131, 136 en 138‑140)

Referentie:

Hof: 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering, C‑212/06, Jurispr. blz. I‑1683, punten 36‑42, 48, 52 en 55

8.      De beperking van de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter om ambtshalve een middel in aanmerking te nemen vloeit voort uit de verplichting van de rechter om zich te houden aan het voorwerp van het geschil en zijn beslissing te baseren op de hem voorgelegde feiten. Deze beperking vindt haar rechtvaardiging in het beginsel dat het initiatief voor een procedure bij de partijen ligt en dat de rechter bijgevolg alleen in uitzonderingsgevallen, in het openbaar belang, ambtshalve kan optreden.

Door het rechtskader te preciseren waarin een bepaling van afgeleid recht moet worden uitgelegd, toetst de gemeenschapsrechter de wettigheid van die bepaling niet aan hogere rechtsregels, daaronder begrepen die van het Verdrag, maar probeert hij een uitlegging van de betrokken bepaling te vinden waardoor de toepassing ervan zo veel mogelijk in overeenstemming is met het primaire recht en zoveel mogelijk in samenhang met het rechtskader ervan.

Hieruit volgt dat het Gerecht voor ambtenarenzaken bij de uitlegging van artikel 100 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, met name in het licht van de eisen voortvloeiende uit het in artikel 39 EG neergelegde vrije verkeer van werknemers, niet de grenzen van het geschil heeft overschreden zoals dat door verzoekster is omschreven en zich niet heeft gebaseerd op andere feiten en omstandigheden dan die waarop laatstgenoemde haar beroep heeft gebaseerd.

(cf. punten 143 en 144)

Referentie:

Hof: 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., C‑222/05–C‑225/05, Jurispr. blz. I‑4233, punten 34‑36