ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Tweede kamer)

2 april 2009

Zaak F‑143/07

Georgios Yannoussis

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Procedurekeuze – Hoofd van vertegenwoordiging – Vacature – Detachering in belang van de dienst – Onbevoegdheid – Werkingssfeer van detacheringsprocedure”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA en strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 21 december 2006 houdende afwijzing van verzoekers sollicitatie naar het vacante ambt van hoofd van de vertegenwoordiging van de Commissie te Athene (Griekenland) en tot aanstelling van P. in dat ambt.

Beslissing: Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 21 december 2006, voor zover dit betrekking heeft op de aanstelling van P. in het vacante ambt van hoofd van de vertegenwoordiging te Athene (Griekenland). Het besluit van de Commissie van 21 december 2006 wordt nietig verklaard, voor zover daarbij verzoekers sollicitatie naar het vacante ambt van hoofd van de vertegenwoordiging van de Commissie te Athene wordt afgewezen. De Commissie wordt verwezen in alle kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Detachering in belang van de dienst

(Ambtenarenstatuut, art. 37, lid 1, sub a, tweede streepje)

2.      Ambtenaren – Beroep – Procesbelang – Beroep tegen afwijzing van sollicitatie naar ambt van hoofd van vertegenwoordiging van de Commissie – Sollicitatie afgewezen in stadium van voorselectie – Ontvankelijkheid

1.      Het „politieke en gevoelige karakter” van de functie van hoofd van een vertegenwoordiging van de Commissie volstaat als zodanig niet om het gebruik van de stand van detachering van een ambtenaar te rechtvaardigen. Een dergelijke uitlegging van artikel 37, eerste alinea, sub a, tweede streepje, van het Statuut komt erop neer dat alle ambtenaren die binnen de instelling „politieke en gevoelige” functies uitoefenen die normaliter door het hoger kaderpersoneel worden uitgeoefend, bij de respectieve leden van de Commissie kunnen worden gedetacheerd, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de structuur van de Europese openbare dienst zoals die in artikel 35 van het Statuut is vastgelegd, en met name de begrijpelijkheid van de hiërarchieke banden in geding wordt gebracht.

Overigens veronderstelt een detachering in het belang van de dienst „bij een persoon die een mandaat vervult dat is bedoeld in de Verdragen”, dat er een vertrouwensrelatie intuitu personae tussen laatstgenoemde en de gedetacheerde ambtenaar bestaat, welke relatie impliceert dat er voortdurend rechtstreekse en nauwe betrekkingen kunnen worden aangeknoopt tussen de betrokkenen, afhankelijk van de werkmethoden van het betrokken lid en die van zijn voltallige kabinet. De omstandigheid dat de door een hoofd van een vertegenwoordiging opgestelde rapporten rechtstreeks aan het verantwoordelijke lid van de Commissie worden gezonden, dat er sprake is van telefonische contacten, de uitwisseling van e-mails of dat er vergaderingen plaatsvinden tussen het hoofd van de vertegenwoordiging en het lid van de Commissie of de leden van zijn kabinet, of zelfs dat de inhoud daarvan vertrouwelijk is, volstaat op zich niet om aan te tonen dat de arbeidsverhouding tussen het lid van de Commissie en het hoofd van de vertegenwoordiging een karakter intuitu personae heeft.

De toepasselijkheid van artikel 37, eerste alinea, sub a, tweede streepje, van het Statuut hangt uitsluitend af van de in die bepaling genoemde voorwaarden, en niet van de administratieve gevolgen die voortvloeien uit de toepassing ervan. Elke andere uitlegging zou erop neerkomen dat artikel 37 van het Statuut voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor het is bedoeld en dat dus een misbruik van procedure wordt gerechtvaardigd.

(cf. punten 64, 67, 69 en 71)

2.      Het feit dat de sollicitatie van een verzoeker naar het ambt van hoofd van de vertegenwoordiging van de Commissie in het stadium van de voorselectie terzijde is gelegd ontneemt hem niet het belang om op te komen tegen de regelmatigheid van de aanwervingsprocedure die volgde, wanneer de beoordeling van de voorselectiepanels niet kon vooruitlopen op de eindbeoordeling van het tot aanstelling bevoegd gezag. Bovendien behoudt een dergelijke verzoeker een belang teneinde te voorkomen dat de betrokken onwettigheid zich in het kader van een soortgelijke selectieprocedure opnieuw voordoet.

(cf. punt 75)

Referentie:

Hof: 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, Jurispr. blz. I‑4333, punt 50

Gerecht van eerste aanleg: 5 juli 2005, Wunenburger/Commissie, T‑370/03, JurAmbt. blz. I‑A‑189 en II‑853, punt 20