Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Hovrätten för Nedre Norrland (Zweden) op 26 maart 2012 - ÖFAB, Östergötlands Fastigheter AB/ 1) Frank Koot 2) Evergreen Investments AB

(Zaak C-147/12)

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Hovrätten för Nedre Norrland

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ÖFAB, Östergötlands Fastigheter AB

Verwerende partijen: 1) Frank Koot

             2) Evergreen Investments AB

Prejudiciële vragen

Moeten de artikelen 5, punt 1, en 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat daarin voor alle schadevorderingen een uitzondering op de hoofdregel van artikel 2 is neergelegd?

Moet het begrip "verbintenissen uit onrechtmatige daad" in artikel 5, punt 3, van de verordening aldus worden uitgelegd dat deze bepaling toepasselijk is op een vordering van een schuldeiser tegen een bestuurslid van een onderneming, indien de vordering ertoe strekt het bestuurslid aansprakelijk te stellen voor de schulden van de onderneming, in een situatie waarin het bestuurslid niet de formele maatregelen heeft getroffen om toezicht te houden op de financiële situatie van de onderneming, maar juist de werkzaamheid van de onderneming heeft voortgezet en deze met verdere schulden heeft belast?

Moet het begrip "verbintenissen uit onrechtmatige daad" in artikel 5, punt 3, van de verordening aldus worden uitgelegd dat deze bepaling toepasselijk is op een vordering van een schuldeiser tegen een eigenaar van een onderneming, indien de vordering ertoe strekt de eigenaar aansprakelijk te stellen voor de schulden van de onderneming, in een situatie waarin de aandeelhouder de werkzaamheid van de onderneming voortzet ook al is deze ondergekapitaliseerd en verplicht in vereffening te gaan?

Moet het begrip "verbintenissen uit onrechtmatige daad" in artikel 5, punt 3, van de verordening aldus worden uitgelegd dat deze bepaling toepasselijk is op een vordering van een schuldeiser tegen de eigenaar van een onderneming die zich ertoe heeft verbonden de schulden van de onderneming te betalen?

In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag, moet eventuele schade worden geacht te zijn ingetreden in Nederland of in Zweden, wanneer het bestuurslid in Nederland woont en de door het bestuur niet nagekomen verplichtingen een Zweedse onderneming betreffen?

In geval van een bevestigend antwoord op de derde en de vierde vraag, moet eventuele schade worden geacht te zijn ingetreden in Nederland of in Zweden, wanneer het bestuurslid in Nederland woont en de het een Zweedse onderneming betreft?

Indien artikel 5, punt 1, of 5, punt 3, van de verordening in een van bovenvermelde situaties van toepassing is, is het voor de toepassing van deze bepalingen relevant of een vorderingsrecht door de oorspronkelijke schuldeiser aan een andere persoon is overgedragen?

____________

1 - PB L 12, blz. 1.